Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.3.1
15.3.1 De ongeschreven rechtencatalogus: fundamentele rechten als algemene beginselen van Unierecht
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456987:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6, derde lid, VEU.
Zie R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 544.
HvJ EG 12 november 1969, nr. 29/69, Erich Stauder/Stad Ulm – Sozialamt, ECLI:EU:C:1969:57, par. 7.
HvJ EG 17 december 1970, nr. 11/70, Internationale Handelsgesellschaft mbH/Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel, ECLI:EU:C:1970:114, par. 4.
HvJ EG 17 december 1970, nr. 11/70, Internationale Handelsgesellschaft mbH/Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel, ECLI:EU:C:1970:114, par. 4.
HvJ EG 14 mei 1974, nr. 4/73, Nold/Commissie, ECLI:EU:C:1974:51.
HvJ EG 21 september 1989, gevoegde zaken nrs. 46/87 en 227/88, Höchst/Commissie, ECLI:EU:C:1989:337. In HvJ EG 28 oktober 1975, nr. 36/75, Rutili/Minister van Binnenlandse Zaken, ECLI:EU:C:1975:137, par. 32, overwoog het Hof reeds dat de in de artikelen 8 tot en met 11 van het EVRM en artikel 2 van protocol 4 bij het EVRM opgenomen beperkingsclausule, volgens welke in het belang van de openbare orde en veiligheid gemaakte inbreuken op de in die artikelen opgenomen fundamentele rechten ‘niet verder mogen gaan dan met het oog op die behoeften “in een democratische samenleving” noodzakelijk is’ als algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht heeft te gelden.
Zie uitgebreider: R. Schütze, European Constitutional Law, Cambridge: Cambridge University Press 2012, p. 416-418.
De eerste bron van fundamentele rechten in de Europese Unie, zij het in artikel 6 VEU als laatste genoemd in lid 3, zijn ‘[d]e grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben’. Zij maken als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie.1 Een vergelijkbare bepaling bestond onder het oude EU-recht ook al. Hoewel niet echt noodzakelijk, is het voorstel het te schrappen niet opgevolgd.2 Deze incorporatie van grondrechten uit het EVRM en de constitutionele tradities van de lidstaten is in gang gezet door het Hof van Justitie. In het arrest-Stauder overwoog het Hof van Justitie reeds dat ‘de fundamentele rechten van de mens (…) besloten liggen in de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, waarvan het hof de eerbiediging verzekert’.3 In het baanbrekende arrest-Internationale Handelsgeselschaft maakte het Hof opnieuw duidelijk dat ‘de eerbiediging der grondrechten een bestanddeel uitmaakt van de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging door het Hof van Justitie wordt verzekerd’4 en ‘dat de handhaving dezer rechten, ofschoon uit de gemeenschappelijke constitutionele traditie der Lid-Staten voortvloeiende, in het kader van het communautaire bestel en van de doelstellingen der Gemeenschap moet worden verzekerd’.5 In latere arresten beantwoordt het Hof vervolgens de vraag hoe het zich door de constitutionele tradities van de lidstaten zal laten inspireren, te weten door te kijken naar ‘internationale wilsverklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lid-Staten hebben medegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten’,6 waarbij ‘[h]et Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (…) van bijzonder belang [is]’.7 Uiteindelijk heeft dit in het huidige artikel 6, derde lid, VEU geresulteerd. Daarmee staat buiten kijf dat de normen die in het EVRM te vinden zijn ook nu al volledig deel uitmaken van het EU-recht, zij het dat de EU niet zonder meer gebonden is aan de interpretatie daarvan dor het EHRM.8