Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/2.2
2.2 Het herstel van fouten voordat de aanslag onherroepelijk vaststaat
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS414442:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In de AWR wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds heffing bij wege van aanslag en anderzijds de voldoening of afdracht op aangifte. Aangezien in dit onderzoek de foutenleer binnen de inkomstenbelasting centraal staat en deze belasting bij wege van aanslag wordt geheven (zie artikel 62, eerste lid, Wet IB 1964), zal in dit hoofdstuk slechts aan deze methode van heffing aandacht worden besteed. Dit brengt voorts mee dat in paragraaf 2.4 van dit hoofdstuk alleen de in hoofdstuk III van de AWR neergelegde mogelijkheid van navorderingwordt belicht. De mogelijkheid van naheffing, voor belastingen die worden geheven bij wege van voldoening of afdracht op aangifte, blijft onbesproken.
Artikel 7 AWR.
De inspecteur kan ook bij het ontbreken van een aangifte een aanslag opleggen.
Een geval, waarin de inspecteur afwijkt van een door de belastingplichtige in de aangifte gehanteerde waardering doch daarbij zelf een fout maakt, is te vinden in HR 4 januari 1995, BNB 1995/129.
Ten aanzien van in de Wet IB 1964 opgenomen keuzerechten moet op dit punt een onderscheid worden gemaakt. Enerzijds zijn er keuzes die de belastingplichtige kan uitbrengen of wijzigen zolang de aanslag niet onherroepelijk vaststaat (derhalve ook nog in de bezwaar- en beroepsfase). Anderzijds zijn er keuzes (verzoeken) die bij aangifte dienen te geschieden (zoals het dotatieverzoek bij de toepassing van de oudedagsreserve). In laatstgenoemd geval kan de belastingplichtige na het doen van de aangifte de bij die aangifte uitgebrachte keuze niet meer wijzigen. A-G Van Kalmthout geeft in zijn conclusie voor de zaak 35032 een uitgebreid overzicht van een aantal belangrijke fiscale keuzerechten.
Zie ook Scheltens (AWR, blz. 210). Dit betekent echter niet dat de inspecteur aan de inhoud van deze aanvullende aangifte is gebonden.
Dit is ook mogelijk indien de aanslag is opgelegd overeenkomstig de door de belastingplichtige gedane aangifte, doch deze nadien van mening is dat de aangifte onjuistheden bevat (o.a. HR 7 maart 1923, B. 3220).
Vgl. HR 11 maart 1959, BNB 1959/144. De belastingplichtige die tegen een aanslag bezwaar of beroep aantekent met de stelling dat deze aanslag tot een te laag bedrag is opgelegd, dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Indien de inspecteur in de bezwaar- of beroepsfase tot de conclusie komt dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan kan hij slechts – indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan – een navorderingsaanslag opleggen.
HR 21 juni 1978, BNB 1978/228 en HR 3 januari 1979, BNB 1979/98. In HR 7 mei 1997, BNB 1998/1, wordt geoordeeld dat indien een belastingplichtige in beroep een aanslag op een bepaald punt bestrijdt, het de inspecteur vrijstaat andere elementen van de aanslag aan de orde te stellen en op grond daarvan het standpunt in te nemen dat de aanslag, hoewel mogelijk op het bestreden punt onjuist, toch niet te hoog is vastgesteld. Daarbij moet echter wel rekening worden gehouden met de processuele belangen van de belastingplichtige. Bovendien, zo blijkt uit o.a. HR 24 oktober 1951, B. 9090, mag het karakter van de aanslag niet veranderen, zodat interne compensatie van hoofdsom en verhoging niet mag plaatsvinden.
HR 14 februari 1990, BNB 1990/219.
De inspecteur is daarbij niet onderworpen aan de beperking dat hij zich slechts mag beroepen op feiten en omstandigheden op grond waarvan hij, zo geen bezwaar was gemaakt of beroep ingesteld, de te weinig geheven belasting op de voet van artikel 16 AWR zou mogen navorderen. Zie in dit verband: HR 9 december 1998, BNB 1999/68 (kritisch besproken door Y.E.J. Geradts in FED 1999/592) en HR 30 juni 1999, BNB 1999/358. G.J.M.E. de Bont en P.A. Flutsch, Kanttekeningen bij het leerstuk van de interne compensatie, WFR 1999/6330, gaan in op de vraag of interne compensatie in het belastingrecht nog is toegestaan na de inwerkingtreding van artikel 7:11 Awb. Zie ook R.H. Happé en J.W. Ilsink, Interne compensatie; een heroverweging, WFR 2000/6394.
Zie zijn werken ‘Navordering bij directe en andere belastingen’, blz. 172 en ‘De algemene wet inzake rijksbelastingen’, blz. 454 en zijn noot bij HR 14 februari 1990, BNB 1990/219.
Bij de heffing bij wege van aanslag1 wordt de belastingschuld ambtelijk – in de vorm van een aanslag – vastgesteld. Voordat deze aanslag wordt vastgesteld, zal de belastingplichtige doorgaans eerst worden gevraagd aangifte te doen. In het daartoe uitgereikte aangiftebiljet wordt opgave verlangd van gegevens en kan overlegging worden gevraagd van bescheiden, waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn2. De belastingplichtige, aan wie een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden aangifte te doen door dat biljet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, met de daarin gevraagde bescheiden, in te leveren.
De inspecteur is niet gebonden aan de door de belastingplichtige gedane aangifte; de aangifte is voor hem niet meer dan een hulpmiddel bij het vaststellen van de belastingschuld3. Dit brengt mee, dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag rekening kan houden met door hem in de aangifte geconstateerde fouten4. De belastingplichtige is in beginsel evenmin gebonden aan een door hem gedane aangifte5. Voor het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 oordeelt de Hoge Raad in zijn arrest van 15 februari 1950, B. 8775:
dat het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 niet kent een gebondenheid van een belastingplichtige aan een gedane aangifte en aan de daaraan ten grondslag liggende balans met betrekking tot een daarbij ingenomen standpunt inzake de waardering van schulden (...).
Totdat de aanslag is opgelegd blijft de belastingplichtige in beginsel bevoegd wijzigingen aan te brengen in de door hem gedane aangifte. Heeft de belastingplichtige in zijn aangifte een fout gemaakt, bijvoorbeeld een passiefpost tot een te hoog bedrag in zijn eindbalans opgenomen, dan kan hij deze fout herstellen door een aanvullende aangifte in te dienen. De belastingadministratie kan dergelijke wijzigingen niet als niet meer ter zake dienend naast zich neerleggen6.
Is de aanslag eenmaal opgelegd, dan heeft de belastingplichtige in de bezwaar- en beroepsfase de mogelijkheid fouten in de winstberekening onder de aandacht van inspecteur en rechter te brengen7. Het arrest HR 6 november 1974, BNB 1974/299, leert echter dat de wet het rechtsmiddel van bezwaar tegen een aanslag slechts heeft ingesteld om de inspecteur te doen beslissen of de aanslag moet worden verlaagd. Voorts is in dit arrest neergelegd dat de wet het rechtsmiddel van beroep bij het gerechtshof, opengesteld tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift, slechts heeft gegeven om de rechter te doen beoordelen of de aanslag, zoals deze door de inspecteur is gehandhaafd of verminderd, op een lager bedrag dient te worden gesteld. De bezwaar- en beroepsfase bieden de belastingplichtige mitsdien niet de mogelijkheid op te komen tegen in zijn voordeel gemaakte fouten, waardoor de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld8; inspecteur noch rechter kan de aanslag verhogen, zelfs niet indien omtrent de onjuistheden in de aanslag geen discussie tussen partijen bestaat9.
Het staat de inspecteur evenwel vrij, indien tegen een aanslag bezwaar wordt gemaakt, en ook in het geding voor het hof, de elementen van die aanslag – op te vatten als het na verrekening met het bedrag van de voorlopige aanslagen en in de belastingwet aangewezen voorheffingen overblijvende netto-bedrag aan verschuldigde belasting – te veranderen, met deze beperking slechts, dat dit netto-bedrag niet hoger mag zijn dan het oorspronkelijke10. Wijziging van de elementen van de aanslag binnen het netto-bedrag van de aanslag, interne compensatie genoemd, is in beginsel niet met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in strijd11. Aldus kan de inspecteur, mits hij de grens van het aanvankelijk vastgestelde belastingbedrag niet overschrijdt, bepaalde fouten die hebben geleid tot een te lage vaststelling van de belastingschuld alsnog – zonder dat sprake is van navordering – in de belastingheffing betrekken12. Hierdoor wordt bijvoorbeeld naar aanleiding van het door de belastingplichtige gemaakte bezwaar een onjuiste, te lage, balanswaardering van een passiefpost gecorrigeerd – hetgeen zou leiden tot een lagere winst en een lagere aanslag – maar blijft de door de belastingplichtige gevraagde verlaging van de aanslag achterwege omdat een andere, in het voordeel van de belastingplichtige gemaakte fout – bijvoorbeeld een te hoge afschrijving op een pand – gelijktijdig wordt hersteld. Op deze jurisprudentie, waarbij interne compensatie werd toegestaan, is kritiek geuit door Scheltens, die interne compensatie bestempelt als een vorm van ‘oneigenlijke navordering’13. In zijn noot bij HR 21 juni 1978, BNB 1978/228, legt Hollander het verschil tussen interne compensatie en navordering bloot:
De waarborg waarmee navordering is omgeven – de aanwezigheid van een nieuw feit – dient – kort en onvolledig gezegd – om te voorkomen dat de bel.pl. wordt geconfronteerd met een nabetaling van belasting, als de insp. een fout gemaakt heeft. Het enige bedrag dat de bel.pl. interesseert, als hij een aanslag ontvangt, is het nettobedrag dat hij moet betalen (c.q. terugkrijgt). Zolang dat bedrag van de primitieve aanslag niet door insp. of Hof wordt verhoogd, kan hij zich bezwaarlijk in zijn rechtszekerheid aangetast voelen.
Zijn de mogelijkheden van bezwaar en beroep uitgeput, dan staat de aanslag onherroepelijk vast. Indien na het onherroepelijk worden van de aanslag blijkt dat zich een fout in de winstberekening heeft voorgedaan waardoor de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, is de belastingplichtige aangewezen op de welwillendheid van de inspecteur om die aanslag alsnog ambtshalve te verminderen (paragraaf 2.3). Indien de aanslag als gevolg van een fout in de winstberekening tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan deze fout slechts worden hersteld door het opleggen van een navorderingsaanslag (paragraaf 2.4) of door de betaling van gewetensgeld (paragraaf 2.5).