Stb. 1997, 175
HR, 27-03-2020, nr. 19/01056
19/01056
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-03-2020
- Zaaknummer
19/01056
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:530, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑03‑2020; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:777
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:843
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:843
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:843
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:777
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:843
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:843
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:843
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:843
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑03‑2020
- Vindplaatsen
NLF 2020/0888
FutD 2020-0916
Viditax (FutD) 2020032722
Uitspraak 27‑03‑2020
Inhoudsindicatie
Artikelen 122e en 40 Wet financiering sociale verzekeringen; regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; totstandkoming eigenrisicodragerschap WGA vast en WGA flex; beëindiging eigenrisicodragerschap?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/01056
Datum 27 maart 2020
ARREST
in de zaak van
[X2] N.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 januari 2019, nr. 18/00909, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland, (nr. AWB 17/3980) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 122e, lid 3, Wet financiering sociale verzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 17 juli 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:777 en de daarbij behorende gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2019:843).
2. Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende was tot en met 31 december 2016 een zogenoemde eigenrisicodrager voor de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: WGA) als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.1.2
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 5 juli 2016 bericht dat belanghebbende ervoor dient te zorgen dat uiterlijk op 31 december 2016 een nieuwe garantieverklaring is ontvangen door de Belastingdienst indien belanghebbende eigenrisicodrager voor de WGA wenst te blijven.
2.1.3
Op 8 december 2016 heeft een verzekeraar aan belanghebbende een offerte uitgebracht voor een verzekering van het eigenrisicodragerschap voor de WGA. Belanghebbende heeft de offerte op 14 december 2016 geaccepteerd. Door een fout van de verzekeraar is de nieuwe garantie niet uiterlijk op 31 december 2016 bij de Inspecteur ingediend.
2.1.4
Op 3 februari 2017 heeft de Inspecteur bij beschikking beslist dat belanghebbende met ingang van 1 januari 2017 geen eigenrisicodrager voor de WGA meer is (hierna: de beschikking).
2.1.5
De verzekeraar heeft op 13 februari 2017 een garantieverklaring voor belanghebbende opgemaakt en deze op 17 februari 2017 door middel van een USB-stick verstrekt aan de Inspecteur.
2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat het eigenrisicodragerschap van belanghebbende terecht met ingang van 1 januari 2017 is beëindigd. Daartoe heeft het Hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.Het niet tijdig indienen van de nieuwe garantieverklaring leidt wettelijk tot verval van het eigenrisicodragerschap met ingang van 1 januari 2017. De Inspecteur heeft geen beleidsvrijheid om hiervan af te wijken. Van schending van artikel 3:4 Awb is geen sprake.Het is niet in strijd met de wet dat de Inspecteur digitaal (op een USB-stick) aangeleverde nieuwe garanties heeft geaccepteerd. De Inspecteur heeft die mogelijkheid van aanlevering aan banken en verzekeraars kenbaar gemaakt en met hen afgestemd. Dat de tekst van artikel 40 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) in beginsel een schriftelijke garantieverklaring eist, doet hieraan niet af. Van belang is slechts dat de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid zijn gewaarborgd.
2.3
De middelen zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Betoogd wordt onder meer het volgende. Het oordeel van het Hof dat het niet tijdig indienen van een garantieverklaring als bedoeld in artikel 122e Wfsv per definitie leidt tot verval van het eigenrisicodragerschap met ingang van 1 januari 2017 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Onder de systematiek van het eigenrisicodragen conform de Wet Pemba, WAO en Wfsv was volgens rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep geen sprake van een ‘harde termijn’ voor het indienen van een schriftelijke garantie maar bestond wel degelijk ruimte voor uitzonderingen op de regel. De redactie van artikel 122e, lid 3, Wfsv verbindt geen (rechts)gevolg aan een verlate levering inzake het eigenrisicodragen WGA. Ook de door het Hof genoemde bedoeling van de wetgever inzake verval van het eigenrisicodragerschap kan men niet duidelijk afleiden uit de wetsgeschiedenis. Er wordt slechts gesteld dat de garantie vóór 31 december 2016 moet worden geleverd, aldus nog steeds de middelen.
2.4
De middelen slagen voor zover dezelfde middelen slagen in de zaak met nummer 19/01054 (ECLI:NL:HR:2020:439) op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in die zaak, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.
2.5
De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De hiervoor in 2.1.4 vermelde beschikking dient aldus te worden gewijzigd dat daarin wordt bepaald dat belanghebbende (ook) na 31 december 2016 eigenrisicodrager WGA vast en WGA flex is.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof. Hierbij wordt telkens in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 19/01054, 19/01057 en 19/01058 met deze zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het bezwaar.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur,
- wijzigt de hiervoor in 2.1.4 vermelde beschikking aldus dat daarin wordt bepaald dat belanghebbende (ook) na 31 december 2016 eigenrisicodrager WGA vast en WGA flex is,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende heeft betaald voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep van € 841.
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding bij de Rechtbank en het Hof, vastgesteld op een vierde van € 4.725, derhalve € 1.181,25 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 519, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een vierde van € 2.363, derhalve € 590,75 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2020.
Beroepschrift 27‑03‑2020
AANGETEKEND
Hoge Raad der Nederlanden
Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
Edelhoogachtbaar College,
Namens [X] c.s. te [Z] heb ik de eer bij Uw Raad in te dienen de navolgende cassatiemiddelen in de procedures:
F 19/01056, F 19/01058, F 19/01054 alsmede F 19/01057
1. Feitencomplex
Voor het feitencomplex verwijs ik naar overwegingen 1 tot en met 2.6 van de onderhavige uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
2.1. Toelichting cassatiemiddelen inzake verval eigenrisicodragerschap
Schending van het Nederlandse recht, in het bijzonder de artikelen 40 en 122 e Wet financiering sociale verzekeringen doordat naar het oordeel van het Hof uit de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen volgt dat het niet tijdig indienen van een garantieverklaring als bedoeld in artikel 122e van de Wet per definitie leidt tot verval van het eigenrisicodragerschap met ingang van 1 januari 2017 alsmede dat de in de wet genoemde termijn moet worden gezien als een fatale termijn waarbij de Inspecteur geen beleidsvrijheid heeft hiervan af te wijken.
Aldus het Hof in rechtsoverweging 4.4.:
‘Naar het oordeel van het Hof volgt uit de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen dat het niet tijdig indienen van een garantieverklaring als bedoeld in artikel 122e van de Wet per definitie leidt tot verval van het eigenrisicodragerschap met ingang van 1 januari 2017. Dit is volledig in overeenstemming met de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever (Kamerstukken II 2011–2012, 33 241, nr. 3, pagina's 34, 35 en 58 en nr. 7, pagina 12). Ook het later ingevoerde artikel 122q van de Wet en de wetsgeschiedenis van dat artikel wijzen daarop. De wetgever heeft hierbij immers niet gekozen voor een soepele toepassing van de oorspronkelijke indieningstermijn, maar voor een afzonderlijke en eenmalige verkorting van de wachttermijn van artikel 40, vierde lid, van de Wet (Kamerstukken II 2017–2018, 34 766, nr. 6, pagina's 10, 11 en 17). Gelet hierop moet de in de Wet genoemde termijn als een fatale termijn worden aangemerkt, waarbij de Inspecteur geen beleidsvrijheid heeft hiervan af te wijken. Dat past ook bij het verzekeringskarakter van de wettelijke bepalingen. Die brengen met zich dat met ingang van 1 januari 2017 geen onduidelijkheid mag bestaan of het WGA-risico van werknemers die vanaf die datum ziek worden valt onder de publieke verzekering of voor rekening van de werkgever komt. Dat, zoals door belanghebbende is aangevoerd, hierdoor mogelijk moeilijkheden of belemmeringen kunnen ontstaan bij de herstel- of re-integratiebegeleiding van zieke, werknemers, doet hier niet aan af. Evenmin doet hieraan af dat belanghebbende geen verwijt kan worden gemaakt ter zake van het te laat opmaken en indienen van de garantieverklaring. Gelet hierop is van schending van artikel 3:4 van de Awb geen sprake’.
Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ik zal dit in de onderdelen 2.1.1.–2.1.3. nader toelichten
2.1.1. Systematiek Wet pemba versus Wet financiering sociale verzekeringen
Allereerst merk ik op dat aanvraag- en beëindigingsprocedures in het kader van het eigenrisicodragen WGA een grondslag vinden in de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet Pemba)1.. Dit valt af te leiden uit de toelichting van de wetgever op de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv)2..
Aldus de wetgever3.:
‘3.2.2. Procedure aanvraag eigenrisicodragen WGA in de structurele situatie
Met Pemba is in de WAO geregeld dat bedrijven die eigenrisicodrager WAO willen worden, hiervoor een aanvraag moeten indienen en een zekerheidstelling moeten overleggen. Overheidswerkgevers zijn ontheven van de verplichting tot het overleggen van een zekerheidstelling. Na inwerkingtreding van de Wfsv op 1 januari 2006, zullen aanvragen voor eigenrisicodragen niet meer — zoals nu — bij het UWV, maar bij de Belastingdienst moeten worden ingediend. De aanvraag voor eigenrisicodragen WGA dient eveneens vergezeld te worden door een zekerheidstelling. Deze zekerheidstelling ziet — analoog aan Pemba — op het veilig stellen van de betaling door de eigenrisicodrager van alle uitkeringen en de op grond van enige wet hierover verschuldigde premies die daarop niet in mindering kunnen worden gebracht, in gevallen waarin de eigenrisicodrager daarin niet voorziet wegens betalingsonwil of — onmacht. De verzekeraar of bank die de zekerheidstelling afgeeft, staat daarmee garant voor de betaling van de eigenrisicodragerslasten’.
Alsmede4.:
‘3.3.4. Overige elementen (procedure) eigenrisicodragen WGA of IVA
Voor het overige wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de huidige Pemba-systematiek. Dit betreft bijvoorbeeld de volgende onderdelen:
- •
de mogelijkheid tot het starten of beëindigen van eigenrisicodragerschap wordt tweemaal per jaar geboden, per 1 januari en per 1 juli;
- •
aanvragen voor het starten of juist het beëindigen van eigenrisicodragerschap dienen uiterlijk dertien weken vóór de beoogde ingangsdatum of beëindigingsdatum schriftelijk te worden ingediend’.
Nu de huidige systematiek inzake procedures eigenrisicodragen WGA voortborduurt op die van eigenrisicodragen WAO (Pemba) moet volledigheidshalve vermeld worden dat ook in laatstgenoemd regime de schriftelijke garantie een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van het eigenrisicodragen WAO.
De wetgever in relatie tot artikel 75 WAO5.:
‘Artikel 75 bevat de hoofdregels met betrekking tot aanvang, einde en inhoud van het eigen risico dragen door de werkgever. Dit risico omvat, kort gezegd, de betaling door de werkgever van de eerste vijf jaar van de WAO-uitkering aan zijn (gewezen) personeel. De werkgever kan dit risico vrijwillig zelf gaan dragen, indien hij de zekerheid kan bieden dat deze uitkeringen ook daadwerkelijk betaald worden. Het eerste lid bepaalt dat de bedrijfsvereniging verplicht is toestemming te geven voor het eigen risico dragen indien de werkgever deze zekerheid verschaft door middel van een schriftelijke garantie of een verzekeringsovereenkomst’.
Alsmede6.:
‘Artikel 75 bevat tevens voorschriften omtrent aanvang en einde van het eigen risico dragen. Het tweede lid bepaalt dat het eigen risico dragen aanvangt op 1 januari van enig jaar, mits de aanvraag tijdig, dat wil zeggen ten minste dertien weken tevoren is ingediend. Alleen aan startende werkgevers wordt op verzoek toestemming verleend met ingang van het tijdstip waarop deze als werkgever start’.
Artikel 75 lid 1 WAO (oud) luidt:
‘Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verleent aan een werkgever op aanvraag toestemming om het risico van betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zelf te dragen, indien de werkgever een schriftelijke garantie overlegt, waaruit blijkt dat een kredietinstelling of een verzekeraar zich jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verplicht, op het eerste verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen. De overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, voorzover door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën aangewezen, is ontheven van de verplichting tot het overleggen van een schriftelijke garantie, bedoeld in de eerste zin. De toestemming wordt niet verleend gedurende drie jaren nadat het door de werkgever zelf dragen van het in de eerste zin bedoelde risico is beëindigd’.
- 1.
‘De inspecteur verleent overeenkomstig deze afdeling aan een werkgever op aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking toestemming om zelf het risico te dragen van betaling van:
- a.
het ziekengeld aan de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Ziektewet, die laatstelijk tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en de overlijdensuitkeringen op grond van die wet aan nabestaanden van deze personen; of
- b.
de WGA-uitkeringen en de overlijdensuitkeringen overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
- 2.
De werkgever legt bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, een schriftelijke garantie over waaruit blijkt dat een bank of een verzekeraar zich jegens het UWV verplicht, op het eerste verzoek van het UWV waarbij het UWV schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kan een model worden gegeven dat wordt gehanteerd voor de garantie, bedoeld in de eerste zin’.
2.1.2. Per definitie verval van het eigenrisicodragerschap in algemene zin?
Het oordeel van het Hof dat het niet tijdig indienen van een garantieverklaring als bedoeld in artikel 122e van de Wfsv per definitie leidt tot verval van het eigenrisicodragerschap met ingang van 1 januari 2017 getuigt mijns inziens van een onjuiste rechtsopvatting gezien de systematiek van het eigenrisicodragen conform eerdergenoemde Wet pemba, WAO en Wfsv, zoals hiervoor, geschetst in 2.1.1.
Immers, zoals meerdere malen bij rechtbank en Hof gememoreerd was reeds onder het oude regime geen sprake van een ‘harde termijn’ voor het indienen van een schriftelijke garantie. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is gebleken dat wel degelijk ruimte bestaat voor uitzonderingen op de regel c.q. evenredigheid van de besluitvorming.
Ik verwijs, net als bij rechtbank en hof, mutatis mutandis naar bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB d.d. 20 juli 2006, 05-5335 WAO7.
De Raad overweegt in onderdeel II als volgt:
‘De Raad stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat betrokkene een kleine werkgever is en zijn aanvraag tijdig, dat wil zeggen vóór 1 april 2004 heeft ingediend bij het Uwv. Evenmin is in geschil dat betrokkene daarbij heeft verzuimd om de vereiste garantieverklaring over te leggen. Op grond van de gedingstukken moet worden vastgesteld dat de garantieverklaring door de Amersfoortse weliswaar tijdig is afgegeven, maar de Amersfoortse heeft deze garantieverklaring aan de verkeerde ‘tussenpersoon’ gestuurd en de bedoelde verklaring is vervolgens niet binnen de gestelde termijn, vóór 6 mei 2004 bij het Uwv binnengekomen. Betrokkene heeft appellant eerst op 11 juni 2004 een garantieverklaring doen toekomen. Appellant had echter reeds bij besluit van 4 juni 2004 geoordeeld dat betrokkene met ingang van 1 juli 2004 geen eigenrisicodrager kan worden omdat de garantieverklaring ontbrak.
In hoger beroep zijn de partijen verdeeld over de vraag of appellant terecht bij het bestreden besluit het primaire besluit van 4 juni 2004 heeft gehandhaafd, onder de overweging dat de termijn voor het indienen van de garantieverklaring een harde termijn is.
De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank ontkennend en heeft daartoe het volgende overwogen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 75, eerste lid, van de WAO verleent het Uwv aan een werkgever op aanvraag toestemming om het risico van betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zelf te dragen, indien de werkgever een schriftelijke garantie overlegt, waaruit blijkt dat een kredietinstelling of een verzekeraar zich jegens het Uwv verplicht, op het eerste verzoek van het Uwv waarbij het Uwv schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen voortvloeiend uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichting na te komen.
Ingevolge het zesde lid van artikel 75 van de WAO wordt de toestemming verleend met ingang van 1 januari of 1 juli van enig jaar mits de aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend.
Bij het Besluit beperking eigenrisicodragen WAO, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 12 november 2003, Stb. 2003, 474, is ingevolge artikel 1, eerste lid, de mogelijkheid om eigen risicodrager te worden beperkt tot de zogenoemde grote werkgevers. In het tweede lid van artikel 1 is evenwel bepaald dat in afwijking van het eerste lid, aan kleine werkgevers per 1 juli 2004 nog eenmalig toestemming kan worden verleend als bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de WAO. In de bijlagen van voornoemd besluit worden regels gegeven over de wijze waarop omgegaan moet worden met onder meer de aanvraag en de garantieverklaring. Indien bij een aanvraag geen garantieverklaring is overgelegd wordt de werkgever alsnog in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen een termijn eindigend acht weken voor 1 januari respectievelijk 1 juli van enig jaar. Indien de werkgever niet voor de afloop van de gestelde termijn de garantieverklaring overlegt behoeft het Uwv de aanvraag niet te behandelen als een aanvraag die dertien weken voor de beoogde datum is ingediend. Strikte toepassing van deze termijn is gelegen — aldus appellant — in de uitvoeringspraktijk. Nadien ingediende garantieverklaringen kunnen door de vele aanvragen niet meer administratief worden verwerkt.
De Raad moet echter constateren dat appellant een andere groep werkgevers nog wel de tijd heeft gegeven om tot half juni 2004 een garantieverklaring te overleggen. Weliswaar is dit ingegeven door aan de kant van appellant gelegen administratieve redenen, waardoor door toedoen van het Uwv de herstelbrieven te laat waren verzonden, maar dat neemt niet weg dat appellant deze verklaringen alsnog heeft geaccepteerd kort voor 1 juli 2004 en deze verklaringen kennelijk ook nog administratief kon verwerken.
In deze situatie kan, mede gelet op de miscommunicatie tussen betrokkene en zijn tussenpersoon en mede gelet op het feit dat hier sprake was van een eenmalige aanvraag voor een kleine werkgever, betrokkene niet worden tegengeworpen dat de garantieverklaring later dan 8 weken maar in ieder geval op 16 juni 2004 bij appellante is binnengekomen’.
Uitzonderingen op de door het Hof Arnhem aangehaalde (fatale) termijn en het vraagstuk van evenredigheid komen tevens in de huidige Wfsv systematiek mutatis mutandis terug in r.o. 8.3 van de uitspraak van het gerechtshof Den Haag d.d. 28 augustus 2018 BK-18_00504 en BK-18_005058..
In die zaak, die overigens qua feitencomplex volledig identiek is aan de onderhavige zaken, stelde het Hof Den haag:
‘8.1.1.
Werkgevers kunnen eigenrisicodrager worden voor de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Een werkgever die eigenrisicodrager wil worden moet dertien weken voor de start van het eigenrisicodragerschap een garantieverklaring aan de Belastingdienst overleggen.
8.1.2.
Per 1 januari 2013 is de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet BEZAVA) in werking getreden. Onder een vangnetter wordt verstaan de persoon die op grond van artikel 29, tweede lid onderdeel a, b, c, of d, van de Ziektewet recht heeft op ziekengeld (artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever (de Regeling).. De Wet BEZAVA heeft als doel de werkhervatting van vangnetters te stimuleren, hun langdurig ziekteverzuim terug te dringen en hun instroom in de WIA te voorkomen.
8.1.3.
Per 1 januari 2017 is de opsomming van WGA-uitkeringen die van het eigenrisicodragerschap zijn uitgezonderd, gewijzigd. Deze wijziging hield verband met de koppeling van WGA-vast en WGA-flex. Vanaf 1 januari 2017 moeten werkgevers kiezen tussen een publieke verzekering en het eigenrisicodragen van hun totale WGA-lasten van vast en tijdelijk personeel. Dit betekent dat vanaf die datum in de publieke verzekering één premie geldt voor samengevoegde WGA-vast en -flex-risico's en dat werkgevers die vanaf 1 januari 2017 eigenrisicodrager zijn of blijven, eigenrisicodrager zijn voor hun gehele WGA-risico.
8.1.4.
Per 1 januari 2017 is in verband daarmee de Wet Financiering Sociale Verzekeringen (Wfsv) gewijzigd in die zin dat vanaf die datum het eigenrisicodragen voor zowel WGA vast (voor werknemers vast in dienst) als WGA flex (voor flex-werknemers) geldt. Werkgevers die reeds eigenrisicodrager voor WGA vast zijn, en die vanaf 1 januari 2017 ook eigenrisicodrager willen worden voor WGA flex dienen hiervoor een nieuwe garantieverklaring van hun verzekeraar die ook het WGA-flexrisico dekt over te leggen.
8.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende vóór 1 januari 2017 eigenrisicodrager was voor de WGA en zij dat ook na die datum zou zijn gebleven indien vóór die datum de garantieverklaring was ingediend. Evenmin is in geschil dat op de usb-stick, waarmee de verzekeraar de garantieverklaringen van elf van de twaalf tot de [G] behorende entiteiten — tijdig — aan de Inspecteur heeft aangeboden, door een vergissing van de verzekeraar niet de garantieverklaring betreffende de twaalfde entiteit — belanghebbende — was opgenomen. Belanghebbende was niet met het bestaan van deze vergissing bekend totdat zij de beschikkingen einde eigen risicodragerschap WGA van 3 februari 2017 ontving. Binnen korte tijd daarna heeft de verzekeraar alsnog de garantieverklaring aan de Inspecteur doen toekomen.
8.3.
Niet belanghebbende maar de verzekeraar heeft de vergissing als hiervoor onder 8.2. beschreven gemaakt waardoor de garantieverklaring van één onderdeel van de [G] (belanghebbende) te laat werd ingediend. Verder is sprake van voortzetting van het bestaande eigenrisicodragerschap met de uitbreiding naar de WGA flex en niet van een overgang van een niet-eigenrisicodragersituatie naar een eigenrisicodragersituatie of omgekeerd. Gelet op deze omstandigheden kan belanghebbende niet worden tegengeworpen dat de garantieverklaring niet vóór 1 januari 2017 bij de Inspecteur is ingediend. Het niet-indienen van de garantieverklaring vóór 1 januari 2017 behoort in dit geval niet te leiden tot het verval van de status van eigenrisicodrager van belanghebbende per 1 januari 2017. Zo wordt voorkomen dat belanghebbende, die in feite eigenrisicodrager blijft, wordt verplicht over te gaan op een publieke verzekering, leidend tot betaling van gedifferentieerde premie voor de WGA, terwijl zij zich reeds heeft verzekerd bij een private verzekeraar en aan deze premies verschuldigd is. Belanghebbende zou dan moeten trachten de private verzekering en de op grond daarvan gedane premiebetalingen ongedaan te maken of, als dat niet (volledig) mogelijk blijkt, de lasten van het dubbelverzekerd zijn (gedeeltelijk) moeten dragen. Nog zwaarder weegt dat dan de zelf ingezette begeleiding van het verzuim van een aantal zieke werknemers geheel of ten dele geen doorgang kan vinden. Met name deze laatste omstandigheid betekent dat de verwezenlijking van de doelstelling die met de hiervoor in 8.1.2, 8.1.3 en 8.1.4 genoemde wetswijziging is beoogd, namelijk het stimuleren van de werkhervatting van vangnetters en het terugdringen van hun langdurig ziekteverzuim, wordt gefrustreerd als gevolg van een vergissing van een derde (de verzekeraar). Door deze vergissing niet aan het voortbestaan van het eigenrisicodragerschap van belanghebbende in de weg te laten staan, wordt met ingang van 1 januari 2017 het gehele eigenrisicodragen voor de WGA gedekt. Het vorenstaande strookt ook met het uitgangspunt van de wetgever: namelijk dat ‘het logisch is dat werkgevers die reeds eigenrisicodrager zijn voor de WGA-vast ervoor kiezen om dit te blijven’ (Verzamelwet SZW 2017, MvT, 2015/16, 34528, nr. 3, blz. 25).
8.4.
Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het gelijk aan belanghebbende is. De beschikkingen waarbij het eigenrisicodragerschap van belanghebbende per 1 januari 2017 is geëindigd zullen aldus worden gewijzigd dat belanghebbende per 1 januari 2017 eigenrisicodrager is voor WGA vast en WGA flex’.
2.1.3. Per definitie verval van het eigenrisicodragerschap op basis van artikel 122e lid 3 Wfsv in het bijzonder?
Het oordeel van het Hof Arnhem-Leeuwarden dat het niet tijdig indienen van een garantieverklaring als bedoeld in artikel 122e van de Wfsv per definitie leidt tot verval van het eigenrisicodragerschap met ingang van 1 januari 2017 getuigt mijns inziens tevens van een onjuiste rechtsopvatting gezien de redactie van artikel 122 e lid 3 Wfsv.
Artikel 122e Wfsv luidt:
- ‘1.
De werkgever, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel C, onderdeel 2, van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters het risico draagt voor de betaling van de WGA uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, zoals dat artikel luidde voor die datum wordt na die datum geacht het risico te dragen voor betalingen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, met ingang van die datum, indien hij een garantie overlegt als bedoeld in artikel 40, tweede lid, die betrekking heeft op het dragen van dit risico.
- 2.
De werkgever overlegt de garantie, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk een dag voor de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid.
- 3.
Het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, wordt, onverminderd artikel 40, tiende lid, onderdeel b, door de inspecteur met ingang van de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, beëindigd bij voor bezwaar vatbare beschikking, indien de garantie, bedoeld in het eerste lid, niet uiterlijk een dag voor die datum door de werkgever is overlegd.’
De redactie van lid 3 is een saillant detail nu artikel 40 lid 1 onderdeel a verwijst naar de status ‘eigenrisicodrager Ziektewet’ ex Hoofdstuk IIIA Ziektewet. Ik moge verwijzen naar eerdergenoemd artikel 40 lid 1 Wfsv (vide onderdeel 2.1.1.)
Het voorgaande maakt dat de Inspecteur ten onrechte het Eigen risicodragen WGA op basis van artikel 122e lid 3 Wfsv van de [X] onderdelen heeft beëindigd, althans dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het eigenrisicodragen per definitie is geëindigd.
Artikel 122 lid 3 Wfsv in de huidige redactie verbindt geen (rechts)gevolg aan een verlate levering inzake het eigenrisicodragen WGA. Ook de door het Hof genoemde bedoeling van de wetgever inzake verval van het eigenrisicodragerschap kan men niet duidelijk afleiden uit de wetsgeschiedenis. Er wordt slechts gesteld dat de garantie vóór 31 december 206 moet worden geleverd.
Aldus de wetgever9.:
‘Onderdeel G (artikel 122e)
Werkgevers kunnen eigenrisicodrager worden voor de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Een werkgever die eigenrisicodrager wil worden moet dertien weken voor de start van het eigenrisicodragerschap een garantieverklaring aan de Belastingdienst overleggen. In de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet BEZAVA) is de samenvoeging van de WGA-flex met de WGA-vast per 1 januari 2017 geregeld. Hierdoor moeten werkgevers die reeds eigenrisicodrager voor WGA-vast zijn, en die vanaf 1 januari 2017 ook eigenrisicodrager willen worden voor WGA-flex hiervoor een nieuwe garantieverklaring overleggen die ook het WGA-flexrisico dekt. Dit betekent dat werkgevers die reeds eigenrisicodrager zijn tijdig van hun garantsteller (veelal verzekeraars) een nieuwe garantieverklaring moeten verkrijgen om deze vervolgens te overleggen aan de Belastingdienst. Om werkgevers en hun garantstellers meer tijd te geven wordt in dit onderdeel voorgesteld dat de eis om de garantieverklaring dertien weken voor ingang van het eigenrisicodragerschap te overleggen wordt geschrapt voor werkgevers die reeds eigenrisicodrager zijn voor de WGA-vast. Deze werkgevers en hun garantstellers hebben daardoor meer tijd. Deze werkgevers dienen de garantieverklaring uiterlijk 31 december 2016 te overleggen. Wellicht ten overvloede wordt vermeld dat voor de aanvraag van werkgevers die vanuit de publieke verzekering per 1 januari 2017 eigenrisicodrager willen worden de geldende termijn van kracht blijft. Zij moeten dertien weken voor de beoogde start van het eigenrisicodragerschap de aanvraag (inclusief de garantieverklaring) indienen bij de Belastingdienst (zie artikel 40, negende lid, jo. tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen). Dit onderscheid is gerechtvaardigd omdat het voor werkgevers die reeds eigenrisicodrager zijn voor de WGA-vast logisch is dat zij ervoor kiezen om dit te blijven, en daarmee eigenrisicodrager worden voor hun gehele WGA-risico. Zij maken geen nieuwe keuze. Werkgevers die vanuit de publieke verzekering kiezen om eigenrisicodrager te worden maken daarentegen wel een nieuwe keuze. Zij stappen over van de publieke verzekering naar eigenrisicodragerschap.’.
Ook de door het Hof Arnhem-Leeuwarden aangehaalde reparatieregeling ex artikel 122q Wfsv wijst niet duidelijk op een verval van het eigenrisicodragen WGA, gezien de verwijzing in lid 1 onderdeel c naar de (inhoudelijk) onjuiste redactie van lid 3 van 122e Wfsv.
Artikel 122q Wfsv:
- ‘ 1.
Artikel 40, vierde lid, voor zover het ziet op de toestemming voor het zelf dragen van het risico van betaling van de uitkeringen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien de werkgever:
- a.
op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel C, onderdeel 2, van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters het risico droeg van de betaling van de uitkeringen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel b, zoals dat artikel op die dag luidde;
- b.
in 2016 een bank of een verzekeraar om een schriftelijke garantie, als bedoeld in 'artikel 40, tweede lid, heeft verzocht; en
- c.
de garantie, bedoeld onder b, zonder dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt, niet uiterlijk op 31 december 2016 aan de inspecteur heeft kunnen overleggen, met als gevolg dat het zelf dragen van risico op grond van artikel 122e, derde lid, Wfsv, is beëindigd.
- 2.
In afwijking van artikel 40, negende lid, wordt de toestemming, bedoeld in artikel 40, eerste lid, aan de werkgever, bedoeld in het eerste lid, door de inspecteur enkel verleend met ingang van 1 juli 2018.
- 3.
Dit artikel vervalt met ingang van 2 juli 2018.’
De toelichting bij artikel 122q Wfsv10. ziet mijns inziens daarom louter op de gevallen waarin door belanghebbenden geen rechtsmiddel (vergezeld van een garantie) tegen de beëindigingsbeschikking eigenrisicodragen is aangewend waardoor zij genoodzaakt waren drie jaren te wachten alvorens zij weer eigenrisicodrager konden worden.
‘Concrete uitwerking
Deze regeling geldt alleen voor werkgevers die op 31 december 2016 reeds eigenrisicodrager waren, en waarvan aangetoond kan worden dat zij tijdig bij hun verzekeraar, of adviseur/intermediair dan wel de bank hebben aangegeven dat zij per 1 januari 2017 eigenrisicodrager wilden blijven. Er is vervolgens één moment waarop deze werkgevers kunnen overstappen naar het eigenrisicodragerschap voor de WGA, namelijk op 1 juli 2018. Het is aan de werkgevers om vervolgens conform het reguliere proces voor het overstapmoment van 1 juli 2018 een aanvraag voor eigenrisicodragerschap te doen. Dit houdt in dat de werkgevers ten minste 13 weken voor 1 juli 2018 de aanvraag bij de Belastingdienst moeten indienen. Voor de werkgevers die aan de gestelde voorwaarden voldoen, geldt dat zij éénmalig niet aan de eis hoeven te voldoen dat zij tenminste drie jaar publiek verzekerd zijn geweest. De werkgevers die aanspraak maken op deze regeling zullen bij de aanvraag ook moeten aantonen dat zij in 2016 bij hun garant (verzekeraar of bank, eventueel via een intermediair) hebben aangegeven per 1 januari 2017 eigenrisicodrager te willen blijven. Tevens zullen werkgevers aannemelijk moeten maken dat het niet aan henzelf te wijten is dat de garantie niet uiterlijk op 31 december 2017 aan de Belastingdienst is overgelegd. De hier geregelde uitzonderingsgrond geldt alleen voor het overstapmoment van 1 juli 2018. Alle andere eisen voor een aanvraag voor eigenrisicodragerschap blijven onverminderd van kracht’.
3. Toelichting cassatiemiddelen inzake het vraagstuk van de originele garantieverklaring.
Inzake het door [X] angedragen vormvereiste van de noodzaak van een schriftelijke originele garantieverklaring heeft het Hof Arnhem in r.o. 4.5 overwogen:
‘Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat het in haar ogen inconsequent is dat de Inspecteur bij de beoordeling van de tijdigheid van de garantieverklaring strikt vasthoudt aan de wettelijke termijn en bij de vorm van die verklaring in afwijking van de wettelijke tekst van artikel 40 van de Wet niet alleen schriftelijke maar ook digitaal (per USB-stick) aangeleverde verklaringen heeft geaccepteerd. Van strijdigheid met de laatst bedoelde wettelijke bepalingen is echter geen sprake. Op grond van artikel 2:15 van de Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. De aanlevering van garantieverklaringen door banken en verzekeraars op een USB-stick is niet alleen door de Inspecteur aan hen kenbaar gemaakt, maar ook met hen afgestemd. Dat de tekst van artikel 40 van de Wet in beginsel een schriftelijke garantieverklaring eist, doet hier niet aan af. Van belang is slechts dat de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid zijn gewaarborgd’.
Dit oordeel van het Hof getuigt mijns inziens van een onjuiste rechtsopvatting en is onbegrijpelijk gemotiveerd.
Immers, zoals eerder in de procedures betoogd, heeft de CRvB reeds eerder aangegeven dat sprake moet zijn van een originele schriftelijke garantieverklaring in het kader van het eigenrisicodragen (WAO oud:
Aldus de CRvB11.:
‘Artikel 75, eerste lid, van de WAO bepaalt dat het Uwv aan een werkgever op aanvraag toestemming verleent om het risico van betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zelf te dragen, indien de werkgever een schriftelijke garantie overlegt, waaruit blijkt dat een kredietinstelling of een verzekeraar zich jegens het Uwv verplicht, op het eerste verzoek van het Uwv waarbij het Uwv schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen voortvloeiend uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichting na te komen. Gelet op de bewoordingen van deze bepaling en de omstandigheid dat het overleggen van een garantieverklaring een noodzakelijke voorwaarde is om toestemming te verkrijgen voor het eigen risicodragen, dient naar het oordeel van de Raad een originele garantieverklaring te worden overgelegd en kan niet worden volstaan met het overleggen van een afschrift daarvan’.
Los van het feit dat [X] c.s. geen partij waren bij de vermeende afspraken tussen Belastingdienst en verzekeraars inzake digitale aanlevering heeft het Hof het mijns inziens alleen over de verhouding schriftelijke garantieverklaring en toepasselijkheid van artikel 2:15 Awb. Het Hof laat mijns inziens in het midden wat de gevolgen moeten zijn nu een originele schriftelijke garantieverklaring benodigd is12. en wat de gevolgen moeten zijn nu de Belastingdienst met het passeren van dit voorschrift contra legem handelde met toepassing van het digitale verkeer en daarmee kennelijk een spreekwoordelijke rangorde van vormvoorschriften hanteert. Aan de ene kant gewicht toekennen aan tijdigheid, maar niet aan het voorschrift van levering van een originele garantie. Dit klemt des te meer nu kennelijk voor het gros van de werkgevers het eigenrisicodragen is gecontinueerd op basis van een, naar de letter, ondeugdelijke garantie.
Zoals reeds eerder in de procedures betoogd, is het gebruik van het digitale middel heden ten dage in praktische, niet-juridische zin uiteraard begrijpelijk; echter hiermee wordt in juridische zin willekeur gecreëerd.
De noodzaak van de levering van een originele garantieverklaring maakt het oordeel van het Hof tevens onbegrijpelijk gelet op de summiere aangehaalde kennelijke betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het onderhavige digitale verkeer zonder nadere motivering.
4. Conclusie
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel, dat het ingestelde beroep in cassatie tot vernietiging van de uitspraken van het Gerechtshof kan leiden. Ik verzoek u de wederpartij te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, ook voor wat betreft de bezwaar- en beroepsfase in beide instanties.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑03‑2020
Stb. 2005, 573 alsmede Stb. 2005, 36
Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 30 118, nr. 3 p.l3 en 14
Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 30 118, nr. 3 p. 17
Tweede Kamer, vergaderjaar 1995–1996, 24 698, nr. 3 p. 76 en 77
Tweede Kamer, vergaderjaar 1995–1996, 24 698, nr. 3 p. 78
Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 34 528, nr. 3 p.25
Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 766, nr. 6, p.11