productie 2 Allianz
Rb. Rotterdam, 13-01-2021, nr. C/10/578392 / HA ZA 19-665
ECLI:NL:RBROT:2021:253
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
13-01-2021
- Zaaknummer
C/10/578392 / HA ZA 19-665
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2021:253, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 13‑01‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2020:5568, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 27‑05‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2021-0079
PS-Updates.nl 2020-0465
Uitspraak 13‑01‑2021
Inhoudsindicatie
Letselschadezaak. Verklaring voor recht verzekeraar voor 50% aansprakelijk. Voorschot op schade gedeeltelijk toegewezen. Art. 6:96 lid 2 onder a en b BW: kosten verschieten slechts gedeeltelijk van kleur.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
Zittingsplaats Rotterdam
zaaknummer / rolnummer: C/10/578392 / HA ZA 19-665
Vonnis van 13 januari 2021
in de zaak van
[naam eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
advocaat mr. M.W. Fakiri te 's-Gravenhage,
tegen
de naamloze vennootschap
ALLIANZ BENELUX N.V.,
mede handelend onder de naam
ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING,
statutair gevestigd te Brussel,
kantoorhoudend te Rotterdam
gedaagde,
advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.
Partijen zullen ook in dit vonnis [naam eiser] en Allianz worden genoemd.
1. De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 mei 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de akte van de zijde van Allianz van 24 juni 2020 (abusievelijk gedateerd 27 december 2019), waarin zij mededeelt dat zij afziet van het leveren van bewijs;
- de mededeling ter rolle van 5 augustus 2020 van de zijde van [naam eiser] dat thans nog geen sprake is van een medische eindsituatie.
1.2
Ten slotte is het vonnis nader bepaald op vandaag.
2. De verdere beoordeling
2.1
De rechtbank blijft bij wat in het tussenvonnis van 27 mei 2020 is overwogen en beslist. In dat tussenvonnis is Allianz in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden vastgesteld dat [naam eiser] direct voorafgaand aan de aanrijding onverwacht en van buiten het gezichtsveld van [naam persoon A] voor de bus is gesprongen.
Allianz heeft ter rolle van 24 juni 2020 laten weten dat zij van die gelegenheid geen gebruik maakt.
2.2
Uit wat in het tussenvonnis van 27 mei 2020 onder 4.27 en 4.28 is overwogen volgt dat het beroep van Allianz op overmacht niet slaagt.
Onder 4.30 tot en met 4.40 heeft de rechtbank de subsidiaire verweren van Allianz besproken en verworpen en onder 4.41 geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat af te wijken van de 50%-regel en dat Allianz zal worden veroordeeld om 50% van de door [naam eiser] geleden, door het ongeval veroorzaakte, schade te vergoeden.
De gevorderde verklaring voor recht is in die zin toewijsbaar.
2.3
Daarmee is de beoordeling van het gevorderde voorschot op de schade aan de orde.
[naam eiser] vordert buitengerechtelijke kosten, reiskosten, kledingkosten, daggeldvergoeding revalidatie, kosten van huishoudelijke hulp en eventueel nog te maken kosten van behandelingen die niet door een verzekeraar worden vergoed.
2.4
buitengerechtelijke kosten
Het gevorderde bedrag bestaat uit de volgende posten:
- € 5.273,53 aan kosten die door de kantonrechter in de deelgeschilprocedure zijn begroot,
- € 15.224,48 als voorschot op de kosten van Schade 24 BV,
- € 1.042,11 aan medische expertisekosten,
dit alles verminderd met een bedrag van € 4.000,- dat door Allianz reeds is betaald,
Tegen de gevorderde kosten van de deelgeschilprocedure en tegen de expertisekosten heeft Allianz, terecht, geen verweer gevoerd. Die bedragen kunnen met inachtneming van de 50%-regel in ieder geval worden toegewezen.
Wel heeft Allianz bezwaar tegen de kosten van Schade 24 BV.
Zij voert aan dat niet vast staat dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.
De kosten zijn hoger dan de schade, er is slechts een beperkt aantal inhoudelijke werkzaamheden uitgevoerd, er is sprake van een onredelijk aantal gedeclareerde werkzaamheden, de urenoverzichten van Schade 24 BV geven onvoldoende informatie, omdat onduidelijk is wie de werkzaamheden heeft uitgevoerd nu wisselende uurtarieven worden gehanteerd, terwijl van een groot deel van de kosten niet valt in te zien hoe daarmee de gedeclareerde tijd zou zijn gemoeid. Het uurtarief en de opslag van 6% voor kantoorkosten zijn onredelijk en de kosten die met de overname van het dossier zijn gemoeid komen niet voor vergoeding in aanmerking, aldus Allianz.
Een ander bezwaar is voor Allianz dat voor het ontvangen van stukken structureel tijd in rekening wordt gebracht, terwijl daarnaast niet duidelijk is welke werkzaamheden onder de noemers “diverse poststukken”, overleg huisadvocaat”, “poststuk aan [naam persoon B] ” en “actualiseren dossier” vallen.
De kosten kunnen de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 BW volgens Allianz niet doorstaan en moeten bovendien worden gezien als kosten ter instructie van het geding.
2.4.1
De rechtbank bespreekt eerst het laatstgenoemde verweer, dat het meest vergaand is.
Krachtens art. 6:96 lid 2 onder b en c BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking, behalve voor zover in het concrete geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Dit laatste is onder meer het geval wanneer het gaat om kosten die zijn gemaakt ter voorbereiding van gedingstukken of ter instructie van de zaak. Onder instructie van de zaak valt al hetgeen een advocaat moet doen om zich een beeld te vormen van de zaak, de daarop eventueel te baseren rechtsvordering en de proceskansen, inclusief het vergaren van feiten, de juridische analyse en het verzamelen van bewijs (ECLI:NL:HR:2005:AR2760).
Het verweer van Allianz komt erop neer dat de werkzaamheden van Schade 24 BV zijn verricht ter instructie van de zaak en daardoor onder het regime van de geliquideerde proceskosten vallen. Allianz vermeldt niet welk deel van de werkzaamheden van
Schade 24 BV “ter instructie van de zaak” zouden hebben gediend, zodat de rechtbank aanneemt dat het verweer betrekking heeft op alle werkzaamheden van Schade 24 BV.
De rechtbank oordeelt als volgt.
In letselschadezaken als de onderhavige, is het niet ongebruikelijk dat gepoogd wordt de aansprakelijkheid voor, en de aard en omvang van de schade in overleg tussen de belangenbehartiger van de benadeelde partij en de aansprakelijkheidsverzekeraar vast te stellen, en dat met die vaststelling langdurige en intensieve bijstand is gemoeid en medisch onderzoek noodzakelijk is.
Om tot een serieus inhoudelijk overleg met de verzekeraar over aansprakelijkheid voor, en de aard en omvang van de schade te kunnen komen kan het niet anders zijn dan dat de belangenbehartiger zich een beeld van de zaak vormt en in meer of mindere mate feiten en bewijs moet vergaren. Dit betekent echter nog niet dat alleen al daarom de regels betreffende de proceskosten in dit geval op alle werkzaamheden van Schade 24 BV van toepassing zijn.
Wanneer deze werkzaamheden, die, zo staat als onweersproken vast, tot doel hadden om een buitengerechtelijke oplossing met Allianz te bereiken, van vergoeding zouden worden uitgesloten, alleen omdat deze voor een deel, en onvermijdelijk, hebben bestaan in het zich een beeld vormen van de zaak en het vergaren van feiten en bewijs, zou te zeer afbreuk worden gedaan aan het beginsel dat de schade waarvoor een ander aansprakelijk is, volledig dient te worden vergoed.
Het verweer dat deze kosten volledig onder het regime van de geliquideerde proceskosten vallen wordt dan ook verworpen.
Voor een deel “verschieten deze kosten wel van kleur”, namelijk voor zover zij zijn gemaakt na inschakeling van mr. Fakiri als advocaat. De rechtbank neemt op basis van de urenspecificatie aan dat dat is gebeurd op 15 december 2018. In zoverre vallen deze kosten onder het regime van de geliquideerde proceskosten.
Na 15 december 2018 zijn in totaal door Schade 24 BV nog 1 uur en 36 minuten aan de zaak besteed en in rekening gebracht, zodat van de gevorderde kosten voor werkzaamheden van Schade 24 BV een bedrag van € 461,74 inclusief kantoorkosten en btw in elk geval niet toewijsbaar is.
2.4.2
Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of de kosten van Schade 24 BV de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan.
Allianz heeft, omdat zij slechts bezwaar heeft tegen de omvang van de kosten, kennelijk geen bezwaar tegen de aanleiding om de kosten te maken. Tussen haar en [naam eiser] is niet in geschil dat het in het onderhavige geval redelijk was om deskundige hulp in te schakelen.
Wat de omvang van de kosten van Schade 24 betreft geldt het volgende.
[naam eiser] stelt dat deze kosten zijn gemaakt en onderbouwt die stelling met nota’s en urenspecificaties. Het verweer van Allianz dat niet vast staat dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt is in feite een ongemotiveerde betwisting. Daaraan gaat de rechtbank voorbij.
Het verweer van Allianz dat de kosten hoger zijn dan de schade kan op zichzelf genomen ook niet slagen. Niet alleen omdat de uiteindelijke omvang van de schade nog niet vast staat, maar ook omdat de verhouding tussen de buitengerechtelijke kosten en de omvang van de schade slechts één factor is die van belang kan zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van deze kosten. Evenzeer zijn van belang de aard van de schade, de aard van de werkzaamheden en de complexiteit van de zaak. Zou de door Allianz bedoelde verhouding doorslaggevend zijn, dan zou dat een onwenselijke beperking zijn van de mogelijkheden voor een slachtoffer om deskundige bijstand te ontvangen.
Al deze factoren tezamen brengen de rechtbank tot het oordeel dat de hoogte van deze kosten niet als onredelijk kan worden beschouwd.
Het gehanteerde uurtarief van € 225,- met een opslag van 6% voor kantoorkosten acht de rechtbank in deze complexe zaak redelijk.
Voor het verweer dat de kosten die met de overname van het dossier zijn gemoeid niet voor vergoeding in aanmerking zouden komen geldt het volgende. Dat er sprake is geweest van overname van het dossier blijkt niet. Allianz doelt op “frequente correspondentie met mr. Bueters”. Mr. Bueters is voor [naam eiser] in de deelgeschilprocedure als advocaat opgetreden. Het is redelijk dat de belangenbehartiger van [naam eiser] kosten heeft gemaakt voor overleg en correspondentie met mr. Bueters, voorafgaand aan die procedure, die immers tot doel heeft vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van de onderhavige soort schade. De betreffende werkzaamheden, zo blijkt uit de urenspecifiaties, kwamen tot aan de beslissing in het deelgeschil (20 juni 2018) neer op 3,2 uur. Ook die tijdsbesteding acht de rechtbank niet onredelijk. De contacten met mr. Bueters na die datum, het gaat nog om 38 minuten (€ 182,78 inclusief kantoorkosten en btw) kunnen in redelijkheid niet in rekening worden gebracht.
Allianz voert aan dat er slechts een beperkt aantal inhoudelijke werkzaamheden is verricht en dat een onredelijk aantal werkzaamheden is gedeclareerd.
Niet duidelijk is wat Allianz bedoelt met inhoudelijke werkzaamheden.
Voor zover zij daarmee doelt op werkzaamheden die gericht waren op het bereiken van een oplossing buiten rechte geldt het volgende. Namens [naam eiser] is een toelichting gegeven op de specificatie van de nota’s van Schade 24 BV. Omdat Allianz geen aansprakelijkheid aanvaardde, zo is namens hem gesteld, heeft overleg plaatsgevonden tussen de belangenbehartiger van Schade 24 BV en Allianz, en tussen deze belangenbehartiger en [naam eiser] . De in omloop zijnde verhalen over een mogelijke suïcidepoging van [naam eiser] hebben daarbij veel tijd gevergd. Dat gold ook voor het feit dat er sprake was van fors letsel bij [naam eiser] , terwijl de kwestie extra werd gecompliceerd doordat [naam eiser] de Nederlandse taal niet machtig was, aldus [naam eiser] .
Dat de werkzaamheden van Schade 24 BV voor een belangrijk deel hebben bestaan uit pogingen om tot een buitengerechtelijke oplossing te komen blijkt in voldoende mate uit de specificaties van de bestede tijd. Aannemelijk is dat de discussie over de toedracht en daarmee over de aansprakelijkheid veel tijd heeft gevergd. Daarbij betrekt de rechtbank ook de omstandigheid dat [naam eiser] niet alleen ernstig fysiek letsel had, maar dat zich bij hem ook psychisch letsel openbaarde (medische rapportage van 10 maart 2019, waarin wordt verwezen naar rapportage van 13 juli 2017 van GGZ Roermond), wat begrijpelijkerwijs tot meer werk aan de zijde van de schadebehandelaar zal hebben geleid. En ook betrekt de rechtbank daarbij, zoals hiervoor al overwogen, de werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding van de deelgeschilprocedure.
Allianz heeft aangevoerd dat niet duidelijk is wie de werkzaamheden heeft uitgevoerd en verwijst daarbij naar de verschillende uurtarieven. Namens [naam eiser] is bij conclusie van repliek een verklaring gegeven voor de verschillende uurtarieven: het zit hem in de aard van de werkzaamheden. Voor administratieve werkzaamheden en voor reiskosten (de rechtbank begrijpt: reistijd) is een ander tarief gerekend. Bij conclusie van dupliek is daarop namens Allianz niet inhoudelijk gereageerd, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de verklaring van de zijde van [naam eiser] op dit punt. Uit de verschillende specificaties blijkt dat de heer [naam persoon B] de schadebehandelaar is geweest.
Niet valt in te zien waarom voor het ontvangen van stukken geen tijd in rekening zou kunnen worden gebracht, zoals Allianz meent. Een ontvangen stuk moet immers gelezen en beoordeeld worden. Uit de specificaties blijkt dat voor ingekomen post in totaal 1 uur en 22 minuten is gerekend. Dat acht de rechtbank in deze zaak zeker niet onredelijk.
Allianz stelt tenslotte de vraag aan de orde welke werkzaamheden zijn begrepen onder de noemers “diverse poststukken”, overleg huisadvocaat”, “poststuk aan [naam persoon B] ” en “actualiseren dossier” en noemt daarbij de precieze data waarop deze werkzaamheden volgens de urenspecificatie zijn verricht.
De rechtbank kan zich voorstellen dat bij een aanzienlijke tijdsbesteding hoge eisen aan de specificatie mogen worden gesteld. Het blijkt hierbij echter te gaan om in totaal 36 minuten. Bij deze omvang volstaat, mede gelet op de complexiteit van de zaak, deze beperkte omschrijving.
2.4.3
Over de omvang van de declaraties van Schade 24 BV merkt de rechtbank het volgende op.
Namens [naam eiser] is aanspraak gemaakt op een voorschot op deze kosten van € 15.224,48,
volgens [naam eiser] op basis van vier nota’s:
- € 4.503,54 (19 september 2017)
- € 384,78 (10 oktober 2017)
- € 3.809,32 (10 november 2017)
- € 6.526,84 (22 januari 2019).
Allianz heeft tegen de berekening van dit bedrag op zichzelf geen bezwaar gemaakt.
Het bedrag van de nota van 10 oktober 2017 van € 384,78 is echter ten onrechte bij de andere nota’s opgeteld. Ten onrechte, omdat het om een creditfactuur ging (ter zake van reistijd en administratieve handelingen) en het bewuste bedrag dus in mindering had moeten worden gebracht. Per saldo maakt dat een verschil van tweemaal € 384,78 = € 769,56.
De kosten van werkzaamheden van Schade 24 BV kunnen dus ten hoogste € 14.452,92 inclusief kantoorkosten en btw bedragen.
Omdat de verweren van Allianz tegen deze kosten grotendeels zijn gepasseerd/verworpen en de bedragen van € 461,74 en € 182,78 inclusief kantoorkosten en btw (zie hiervoor onder 2.4.1 en 2.4.2) niet toewijsbaar zijn komt het bedrag aan redelijke buitengerechtelijke kosten op € 13.810,40, eveneens inclusief kantoorkosten en btw.
Door Allianz is € 4.000,- bij wijze van voorschot betaald.
Samenvattend:
Expertisekosten € 1.042,11
Kosten van werkzaamheden Schade 24 BV € 13.810,40
========+
€ 14.852,51
Begrote kosten deelgeschil € 5.273,53
========+
€ 20.126,04
Af: door Allianz reeds betaald € 4.000,--
=========-
€ 16.126,04
2.4.4
Artikel 6:96, lid 2 BW biedt zelf geen grondslag voor een recht op schadevergoeding. De bepaling veronderstelt juist dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat, in welk geval de bedoelde kosten mede, dat wil zeggen naast andere als gevolg van de gebeurtenis geleden schade, voor vergoeding in aanmerking komen. De grondslag voor schadevergoeding is in dit geval aanwezig, zoals overwogen onder 2.2.
Het bedrag van € 16.126,04 is voor de helft toewijsbaar, nu Allianz gehouden is om 50% van de door [naam eiser] geleden, door het ongeval veroorzaakte, schade te vergoeden.
Aldus zal aan buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 8.063,02 bij wijze van voorschot op de schadevergoeding worden toegewezen.
2.5
reiskosten
Deze post is door [naam eiser] , ook voor een voorschot, matig onderbouwd. De stelling dat [naam eiser] na zijn revalidatie diverse artsen en behandelaren heeft moeten bezoeken is door Allianz echter op zichzelf niet betwist en gelet op de ernst van zijn letsel is voldoende aannemelijk dat dat ook is gebeurd.
De rechtbank zal bij wijze van voorschot een bedrag van € 250,- toewijzen.
2.6
kledingkosten
Op deze kosten is bij wijze van voorschot een bedrag van € 75,- (50% van € 150,-) als onbetwist toewijsbaar.
2.7
daggeldvergoeding revalidatie
[naam eiser] maakt aanspraak op een voorschot op de schade in de vorm van een forfaitair berekend bedrag van € 1.008,- op basis van de Richtlijn Daggeldvergoeding Ziekenhuis en Revalidatie van de Letselschaderaad.
Onbetwist is het aantal dagen dat [naam eiser] heeft doorgebracht in ziekenhuis en revalidatiekliniek. Tegen de redelijkheid van de forfaitaire dagvergoeding als zodanig is geen gemotiveerd verweer gevoerd. Van het bedrag van € 1.008,- is daarom 50% toewijsbaar.
2.8
kosten van huishoudelijke hulp
Allianz bestrijdt de vordering op dit punt en voert aan dat iedere onderbouwing ontbreekt.
De rechtbank stelt voorop dat bij letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke partij aan de benadeelde moeten worden vergoed, wanneer deze door het letsel niet langer in staat is de deze werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen (ECLI:NL:HR:2008:BE9998).
Tegen de abstracte vorm van schadebegroting, zoals door [naam eiser] toegepast, heeft Allianz op zichzelf geen bezwaar gemaakt.
Voor vergoeding moet echter wel vaststaan dat er behoefte was aan huishoudelijke hulp en dat die hulp ook daadwerkelijk is verleend (ECLI:NL:GHAL:2015:2350).
Dat [naam eiser] beperkt was in de uitoefening van huishoudelijke taken blijkt met zoveel woorden uit de medische rapportage van 10 maart 2019 (productie 17 bij dagvaarding, pagina 2).
In de schadestaatspecificatie van [naam eiser] (productie 20 bij dagvaarding) staat slechts vermeld:
“26-4-2017 t/m 31-12-2017, 5 uur per week, 36 wkn x 5 x 9 1.620,00
2018, 48 wkn x 3 x 9,5 1.368,00”
Namens [naam eiser] is niets gesteld over zijn woonsituatie in de betreffende periode en over de toen al dan niet daadwerkelijk verleende hulp. De vordering tot betaling van een voorschot is bij gebreke van voldoende gegevens daarom niet toewijsbaar.
2.9
kosten van behandelingen die niet door een verzekeraar worden vergoed
Namens [naam eiser] is bij conclusie van repliek gesteld dat hij op grond van de Regeling Medische Zorg Asielzoekers aanspraak heeft gehad op kosteloze fysiotherapie en oefentherapie gedurende 12 maanden na ontslag uit het ziekenhuis. Daarna is, gelet op de aanhoudende klachten en beperkingen als gevolg van het letsel, aannemelijk dat er behoefte zal zijn aan aanvullende behandelingen door onder anderen een fysiotherapeut, aldus [naam eiser] .
Allianz heeft daarop bij dupliek niet meer gereageerd, zodat de rechtbank op zichzelf kan uitgaan van de noodzaak van aanvullende (fysiotherapeutische) behandelingen die niet op grond van voornoemde regeling worden vergoed.
Uit de hiervoor genoemde medische rapportage van 10 maart 2019 valt af te leiden dat voor [naam eiser] in de toekomst, in verband met een antegrade T2-pen in zijn schouder en een stent in zijn nierslagader, goede en verantwoorde medische zorg naar verwachting noodzakelijk zal blijven. Het medisch advies was toen voorts om de fysiotherapie voor minimaal een jaar te hervatten. Of dat is gebeurd, en zo ja, voor hoe lang, blijkt niet.
[naam eiser] heeft op voornoemde specificatie voor te verwachten behandelingen een stelpost
van € 5.000,- vermeld. Dat bedrag geeft geen houvast. Daarbij komt dat informatie over de huidige en toekomstige verblijfsstatus van [naam eiser] ontbreekt. De vordering kan daarom ook op dit punt niet worden toegewezen.
2.10
Aldus is toewijsbaar:
€ 8.063,02
€ 250,-
€ 75,-
€ 504,-
=======+
€ 8.892,02
2.11
uitvoerbaarheid bij voorraad
Tegen de uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring is geen verweer gevoerd. De veroordeling tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
2.12
proceskosten
Omdat [naam eiser] en Allianz over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld zal de rechtbank de proceskosten, ook die van het incident, compenseren.
De beslissing
De rechtbank:
verklaart voor recht dat Allianz jegens [naam eiser] voor vijftig procent aansprakelijk is voor de schade van [naam eiser] als gevolg van het ongeval dat [naam eiser] op 6 februari 2017 is overkomen;
veroordeelt Allianz aan [naam eiser] bij wijze van voorschot op de schadevergoeding te betalen een bedrag van € 8.892,02;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten, in die zin dat [naam eiser] en Allianz elk de eigen kosten dragen.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en uitgesproken op 13 januari 2021.
2632
Uitspraak 27‑05‑2020
Inhoudsindicatie
Vordering voetganger tot vaststelling aansprakelijkheid eigenaar motorvoertuig en voorschot schadevergoeding. Verkeersongeval tussen bus en voetganger. Aanrijding voetganger binnen de bebouwde kom, in de nacht en midden op rijbaan. Poging suïcide en alcoholgebruik voetganger? Overschrijding maximumsnelheid door buschauffeur. Beroep op overmacht buschauffeur en op aan opzet grenzende roekeloosheid slagen niet. Eigen schuld voetganger, 50%-regel. Begroting schade die bij voorschot wordt gevorderd, partijen kunnen zich uitlaten over begroting algehele schade in deze procedure.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
Zittingsplaats Rotterdam
zaaknummer / rolnummer: C/10/578392 / HA ZA 19-665
Vonnis van 27 mei 2020
in de zaak van
[naam eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
advocaat mr. M.W. Fakiri te 's-Gravenhage,
tegen
naamloze vennootschap
ALLIANZ BENELUX N.V. ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZ,
gevestigd te Brussel,
gedaagde,
advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.
Partijen zullen hierna [naam eiser] en Allianz genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit :
- -
de dagvaarding met producties;
- -
de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;
- -
de conclusie van antwoord in het incident;
- -
conclusie van antwoord in het incident;
- -
vonnis van de kantonrechter te Rotterdam, waarbij de kantonrechter zich onbevoegd heeft verklaard de zaak te behandelen en te beslissen onder verwijzing van de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rol van de handelskamer van de rechtbank Rotterdam;
- -
de conclusie van antwoord tevens incidentele vordering tot afgifte ex artikel 843a Rv en/of artikel 22 Rv met producties;
- -
conclusie van antwoord in het incident met productie;
- -
akte intrekking incidentele vordering tevens houdende akte overlegging nadere productie;
- -
de conclusie van repliek met producties;
- -
de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Op 6 februari 2017 rond 01.12 uur heeft tussen [naam eiser] als voetganger en een autobus bestuurd door [naam chauffeur] een verkeersongeval plaats gevonden in het dorp Horn (gemeente Leudal) op de Rijksweg, ter hoogte van huisnummer [huisnummer] .
2.2
De plaats van de aanrijding is gelegen binnen de bebouwde kom van Horn.
2.3
De rijbaan is ter plekke van het ongeval in twee helften gescheiden door middel van een dubbele doorgetrokken streep. Aan beide zijden van de rijbaan bevindt zich een groenstrook met bomen. Naast de groenstrook ligt aan beide zijden een fietspad.
2.4
Op het voornoemde tijdstip is [naam chauffeur] rond of op de middenas van de rijbaan, met de linker voorzijde van de autobus, tegen [naam eiser] aangereden.
2.5
[naam eiser] heeft als gevolg van de aanrijding letsel opgelopen.
2.6
Naast letsel heeft [naam eiser] schade geleden door onkosten in verband met medische zorg en herstel en vermogensschade, die bestaat uit kosten van rechtsbijstand en vaststelling van aansprakelijkheid en toedracht van de aanrijding alsmede van vaststelling van de hoogte van de schade.
3. Het geschil
3.1.
[naam eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- a.
voor recht zal verklaren dat Allianz jegens [naam eiser] voor 100% aansprakelijk is voor het ongeval dat [naam eiser] op 6 februari 2007 is overkomen;
- b.
subsidiair de omvang van de aansprakelijkheid van Allianz jegens [naam eiser] te bepalen;
- c.
Allianz te veroordelen tot betaling van € 24.896 aan [naam eiser] binnen twee dagen na het te wijzen vonnis als voorschot op de schade;
- d.
Allianz te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.
[naam eiser] doet daarbij een beroep op in de in artikel 185 Wegenverkeerswet (hierna: WVW) opgenomen wettelijke verplichting voor de eigenaar of houder van een motorvoertuig om de schade die is ontstaan door een ongeval met dat voertuig te vergoeden. [naam chauffeur] was ten tijde van het ongeval in dienst van [naam bedrijf] die zich bij Allianz had verzekerd tegen de risico’s van deze wettelijke aansprakelijkheid voor motorvoertuigen. Op grond van artikel 6 WAM spreekt [naam eiser] verzekeraar Allianz rechtstreeks aan.
3.3.
Allianz verweert zich primair tegen de aansprakelijkheid met een beroep op overmacht aan de zijde van [naam chauffeur] , subsidiair met een beroep op aan opzet grenzende roekeloosheid van [naam eiser] waardoor de door [naam eiser] geleden schade geheel voor zijn eigen rekening en risico komt. Meer subsidiair doet Allianz een beroep op eigen schuld van [naam eiser] (artikel 6: 101 BW) waardoor 50% van de door hem geleden schade voor zijn rekening en risico komt. Allianz betwist verder de omvang van de gestelde schade aan de kant van [naam eiser] .
3.4
[naam eiser] betwist de feiten die Allianz aanvoert ter onderbouwing van haar verweren en concludeert dat de verweren niet zullen kunnen slagen.
3.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Artikel 185 WVW bepaalt dat [naam bedrijf] als eigenaar van de autobus die reed op de weg en betrokken is geraakt bij een verkeersongeval, verplicht is om de schade die daardoor wordt toegebracht aan [naam eiser] als voetganger te vergoeden. Tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht aan de zijde van de bestuurder van het motorvoertuig, [naam chauffeur] .
4.2
De stelplicht en de bewijslast van de causaliteit tussen het ongeval en de schade en van de hoogte van de schade liggen op grond van artikel 150 Rv bij [naam eiser] . Die van de feiten en omstandigheden op grond waarvan overmacht moet worden aangenomen liggen bij [naam bedrijf] .
4.3
Op grond van de vaststaande feiten, het ontstaan van een aanrijding tussen autobus en voetganger, is de aansprakelijkheid van Allianz op grond van artikel 185 WVW in beginsel gegeven. Dat [naam eiser] schade heeft geleden staat ook genoegzaam vast. De hoogte van de schade is nog onderwerp van debat en zal door de rechtbank moeten worden begroot. Maar omdat een geslaagd verweer van overmacht tot gevolg heeft dat [naam bedrijf] van die aansprakelijkheid wordt bevrijd en zij dan geen verplichting heeft om enige schade van [naam eiser] te vergoeden zal de rechtbank dit verweer van overmacht als eerste beoordelen. Deze volgorde draagt bij aan een efficiënte procesgang.
Het verweer van overmacht aan de zijde van [naam chauffeur]
4.4
Voor een geslaagd beroep van [naam bedrijf] op overmacht is nodig dat het aannemelijk is dat aan [naam chauffeur] van zijn verkeersgedrag, voor zover dat verband houdt met de aanrijding, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij zijn eventuele fouten van [naam eiser] alleen dan van belang, indien die fouten voor [naam chauffeur] zo onwaarschijnlijk waren dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. ((HR 22 mei 1992, NJ 1992, 527, ECLI:NL:HR:1992:ZC0616; HR 16 februari 1996, NJ 1996, 393, ECLI:NL:HR:1996:ZC1991; HR 4 oktober 1996, NJ 1997, 147, m.nt. CJHB, ECLI:NL:HR:1996:ZC2155).
4.5
Allianz concludeert dat het ongeval is veroorzaakt door [naam eiser] die op de weg heeft gelopen zonder dat daar een oversteekplaats is. Omdat hij dat ’s nachts in het donker en gehuld in donkere kleding deed bestond er voor [naam chauffeur] geen mogelijkheid meer om daarop te anticiperen. Bovendien had [naam eiser] alcohol genuttigd en zijn er sterke aanwijzingen dat [naam eiser] de aanrijding met opzet heeft veroorzaakt in een poging zichzelf van het leven te beroven.
4.6
[naam eiser] stelt daartegenover dat [naam chauffeur] [naam eiser] had kunnen waarnemen op een afstand van 20 tot 30 meter voor de plek waarop de aanrijding heeft plaatsgevonden en dat hij de autobus tijdig tot stilstand had kunnen brengen althans met een uitwijkmanoeuvre de aanrijding had kunnen voorkomen. [naam chauffeur] heeft sneller gereden dan wettelijk ter plaatse was toegestaan en hij had los daarvan zijn snelheid moeten matigen en heeft ten onrechte geen grootlicht gevoerd. [naam eiser] stelt dat zijn verkeersgedrag voor [naam chauffeur] niet zo onverwacht kan zijn geweest dat hij met die oversteek geen rekening had behoeven te houden.
4.6
De rechtbank staat daarmee voor de vraag of [naam eiser] verkeersfouten heeft gemaakt en of die fouten voor [naam chauffeur] zo onverwacht waren dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die fouten geen rekening had hoeven houden. Daarbij moet ook worden beoordeeld of [naam chauffeur] ook zelf verkeersfouten heeft gemaakt die hem rechtens (dat betekent: in juridisch opzicht) kunnen worden verweten.
4.7
Over de oorzaak van de aanrijding zijn beide partijen zijn het in zoverre met elkaar eens dat [naam eiser] op of tegen de middenas van de weg aan is aangereden (hierna ook: de botsplaats). [naam eiser] moet zich daarom tegen of op de middenas van de weg hebben bevonden op het moment van de aanrijding. Dat volgt ook uit de diverse door partijen in het geding gebrachte sporenonderzoeken en rapportages van MVOA1.en OAN2.. Het rapport van MVOA is door Allianz in het geding gebracht. Het rapport van OAN dat door [naam eiser] in het geding is gebracht bevat een verificatie van de bevindingen door MVOA, en deze bevindingen worden door OAN in grote lijn onderschreven. Gelet daarop gaat de rechtbank uit van de juistheid van de bevindingen in beide rapportages voor zover die met elkaar in overeenstemming zijn.
4.8
Verder zijn partijen het met elkaar eens dat [naam chauffeur] voorafgaand aan de aanrijding [naam eiser] niet heeft opgemerkt. [naam chauffeur] heeft dat zelf verklaard en zijn verklaring is in lijn met de sporenonderzoeken. [naam chauffeur] heeft voorafgaand aan de aanrijding dan ook niet geremd of een uitwijkmanoeuvre uitgevoerd.
4.9
De rechtbank kan uit de processtukken niet met voldoende zekerheid concluderen wat het verkeersgedrag van [naam eiser] direct voorafgaand aan de aanrijding is geweest. [naam eiser] heeft verklaard zich dat niet te kunnen herinneren. De enige vaststelling die op grond van de processtukken kan worden gedaan is dat [naam eiser] zich op het moment van de aanrijding op de middenas van de weg moet hebben bevonden. Uit het waarom en met welk doel [naam eiser] daar was is evenmin af te leiden wat het verkeersgedrag van hem is geweest, nu het waarom en doel onbekend zijn. Partijen geven elk een andere verklaring die de verklaring van de ander uitsluit. [naam eiser] stelt dat hij de weg heeft willen oversteken (of dat van links naar recht was of andersom stelt hij niet). Allianz stelt daartegenover dat [naam eiser] alcohol had genuttigd en acht het aannemelijk dat [naam eiser] plotseling voor de autobus is gesprongen teneinde te proberen een einde aan zijn leven te maken.
4.10
De weg was ter plekke onvoldoende verlicht vanwege het uitvallen van de dichtstbijzijnde lantaarnpaal3.. Verder moet worden vast gesteld dat [naam eiser] was gehuld in donkere kleding4.. [naam eiser] heeft zich midden op de voor voertuigen bestemde rijbaan begeven en heeft kennelijk geen of onvoldoende acht geslagen op de vanuit de richting Roermond komende autobus, mogelijk omdat de autobus hem van achteren heeft benaderd. Dat is zeer onvoorzichtig verkeersgedrag.
4.11
Geen van de door partijen gestelde scenario’s over het verkeersgedrag van [naam eiser] wordt voldoende aannemelijk gemaakt.
4.12
Over het scenario van [naam eiser] overweegt de rechtbank het volgende: [naam eiser] heeft verklaard5.dat hij die nacht om 00.20 uur per trein is aangekomen op het station Roermond en dat hij vanaf het station is gaan lopen richting het Asielzoekerscentrum Baexem (AZC) , waar hij op dat moment verbleef. Namens [naam eiser] wordt in deze procedure gesteld dat hij ter plaatse van de aanrijding de weg heeft willen oversteken op weg van het station Roermond naar zijn verblijfplaats in het AZC verderop, maar dat is een veronderstelling want [naam eiser] heeft zelf immers verklaard6.zich niet te kunnen herinneren hoe het ongeval heeft kunnen gebeuren. Bewijsstukken van een oversteek of de intentie daartoe ontbreken.
4.13
Over het scenario van Allianz overweegt de rechtbank het volgende: haar stelling over de poging tot suïcide steunt op een verklaring per email van een medewerker van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de contactpersoon van [naam eiser] , aan het Bureau Veiligheid van het COA7., met de melding dat deze contactpersoon had vernomen dat [naam eiser] eerder in augustus 2016 tijdens een zogenaamd rechten en plichtengesprek een ‘suïcide uitspraak’ (“als ik niet geholpen kan worden, dan spring ik van de vierde verdieping en maak ik een eind aan mijn leven”) had gedaan.
4.14
Daarnaast verklaren medewerkers van het COA op 7 februari 2017 (de dag na het ongeval) aan de politie te Weert8.over deze melding. Verder dat zij van medebewoners hebben gehoord dat [naam eiser] een negatief besluit omtrent zijn asielaanvraag had ontvangen en dat dit mogelijk invloed heeft gehad op zijn mentale gesteldheid. [naam eiser] toont aan dat hij pas na het ongeval bij brief van 17 februari 2017 de beschikking van de staatssecretaris van veiligheid en justitie heeft ontvangen waarin de aanvraag van [naam eiser] om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen. Maar daar staat tegenover dat blijkens die beschikking de staatssecretaris al op 13 januari 2017 een voornemen in gelijke zin heeft uitgebracht waarop [naam eiser] via zijn advocaat een zienswijze heeft ingediend.
4.15
In een COA “Schadeaangifteformulier mbt tot Wettelijke aansprakelijkheidsverzekering asielzoekers”9.is door medewerkers van het COA aangegeven: “ bewoner is voor de bus gesprongen”, en: “aanrijding/suïcidepoging”.
4.16
Verder wijst Allianz erop dat [naam eiser] eerder op de avond tussen het station Roermond en de plaats van aanrijding aangehouden is geweest door de lokale politie en dat de aanleiding daartoe was dat [naam eiser] van de brug had willen springen. Maar de verklaringen van de politie10.(dat er wel een melding was gedaan maar dat niemand was aangetroffen) en die van [naam eiser] zelf11.(dat de politie, die met twee auto’s was verschenen, hem staande had gehouden maar dat hij na legitimatie weer verder mocht) spreken elkaar tegen. Dat er contact is geweest tussen [naam eiser] en de politie eerder in de nacht staat gelet op de verklaring van [naam eiser] wel vast. Van dat contact heeft de politie wel een mutatieformulier opgesteld, maar dat heeft zij niet willen afgeven12..
4.16
Onderzoeker Kooijman heeft in opdracht van Allianz in zijn rapport13.geconcludeerd: “Voor de beweringen dat [naam eiser] zich van het leven heeft willen beroven, heb ik geen daadwerkelijk bewijs kunnen achterhalen, waardoor dit gerucht ontzenuwd zou kunnen worden c.q. aangetoond zou kunnen worden dat dit gerucht op ware feiten is gebaseerd”.
4.17
Onderzoeker Meeuwissen heeft in opdracht van Allianz geschreven14.dat de positie van [naam eiser] (kort) voor de botsing niet duidelijk is.
4.18
Op grond van het bovenstaande overweegt de rechtbank dat het weliswaar niet uit te sluiten is maar evenmin op grond van de wel vaststaande feiten onvoldoende aannemelijk gemaakt is dat [naam eiser] plotseling de weg heeft betreden en/of daarbij het oogmerk heeft gehad daarmee een einde aan zijn leven te willen maken.
4.19
Voor het gebruik van alcohol door [naam eiser] ontbreekt enig bewijs.
4.20
De rechtbank moet in deze stand van het geding zich dan ook beperken tot de vaststelling dat [naam eiser] zich op het moment van de aanrijding op of tegen de middenas van de weg heeft bevonden.
4.21
Met het rapport van OAN (productie 24 [naam eiser] , pag 5) onderbouwt [naam eiser] zijn stelling dat hij op het moment waarop hij zich midden op de rijbaan bevond en gegeven de donkere kleding die hij droeg ten tijde van de aanrijding en gegeven de omstandigheid dat de weg ter plaatse onvoldoende verlicht was, toch op een afstand van 30 tot 45 meter zichtbaar moet zijn geweest voor [naam chauffeur] . Allianz heeft deze conclusie uit het rapport van OAN in haar conclusie van dupliek niet weersproken.
4.22
Met die vaststelling zou [naam chauffeur] [naam eiser] grofweg 3 seconden voorafgaand aan de aanrijding hebben kunnen opmerken en ofwel hebben kunnen afremmen ofwel een uitwijkmanoeuvre hebben kunnen inzetten. Of de aanrijding daarmee voorkomen zou zijn blijft onzeker, maar daarmee zou de kans op het voorkomen van de aanrijding en het beperken van de gevolgen ervan groter zijn geweest.
4.23
Gegeven het feit dat [naam chauffeur] de aanwezigheid van [naam eiser] op de rijbaan niet heeft opgemerkt en niet aannemelijk heeft kunnen maken dat het onopgemerkt blijven te wijten is aan het verkeersgedrag van [naam eiser] moet de conclusie zijn dat [naam chauffeur] er niet in slaagt om de verwijtbaarheid daarvan in juridisch opzicht te verschuiven naar [naam eiser] .
4.24
Partijen zijn het er in deze procedure daarnaast ook over eens dat [naam chauffeur] de maximumsnelheid op het moment van de aanrijding had overschreden. Allianz heeft door J.L.M. Meeuwissen NIVREre (Meeuwissen Verkeers Ongevallen Analyse) een onderzoek laten uitvoeren naar de snelheid van de autobus kort voor en tijdens de aanrijding. In dit rapport van 29 mei 201915.concludeert de onderzoeker: “bij het naderen van de autobus aldus op 18 seconden voor de stilstand (…), wordt er met en snelheid van net geen 60 km/h gereden. Dan loopt de snelheid iets op tot rond de 60 km/h en daalt de snelheid vervolgens weer naar een waarde tot ± 56 km/h; dat is kort voor c.q. ter hoogte van de botsplaats (…). Kortom de snelheid van de autobus heeft kort voor en tijdens de botsing rond de 56 km/h gelegen”. Deze conclusie wordt onderschreven door de onderzoeker die in opdracht van [naam eiser] de snelheid heeft onderzocht, ing. E.J.G. Wissen (Ongevallen Analyse Nederland). In zijn rapport van 16 oktober 201916.staat: “Uit de digitale tachograafdata volgt een rijsnelheid van de autobus ten tijde van de aanrijding van ongeveer 57 km/u.” Tenslotte heeft [naam chauffeur] bij het verhoor kort na het ongeval verklaard17.: “ (…) Nadat ik de rotonde aan de Rijksweg rechtdoor was gereden, reed ik op ongeveer 300 meter van het bedrijf, toen ik ineens een klap hoorde. De snelheid die ik op dat moment reed weet ik niet exact, maar schat ik in op zo’n 50 á 55 kilometer per uur”.
4.25
Omdat [naam chauffeur] daarmee de wettelijke maximumsnelheid die gold op de botsplaas heeft overschreden heeft Allianz heeft ook in zoverre niet aannemelijk kunnen maken dat [naam chauffeur] in juridisch opzicht, dat wil zeggen gelet op de risicoverdeling volgens de stand van het huidige recht, geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de aanrijding.
4.26
Evenmin heeft Allianz aannemelijk kunnen maken dat de aanrijding ook zou hebben plaats gevonden indien [naam chauffeur] [naam eiser] wel zou hebben opgemerkt zodra [naam eiser] in zijn zicht moet zijn gekomen en [naam chauffeur] wel binnen de maximaal toegestane snelheid zou zijn gebleven.
4.27
Het verweer van overmacht slaagt vooralsnog dus niet.
4.28
Allianz heeft in haar conclusie van dupliek haar standpunt omtrent een suïcidepoging door [naam eiser] nader geformuleerd in de stelling dat het ‘niet onaannemelijk’ is dat [naam eiser] suïcidale neigingen had ten tijde van het ongeval. Voor zover Allianz (daarmee) wenst te onderbouwen dat [naam eiser] onverwacht en van buiten het gezichtsveld van [naam chauffeur] voor de bus is gesprongen zal de rechtbank Allianz in de gelegenheid stellen haar stelling te bewijzen. Indien zij slaagt in het bewijs dat zal de beroep op overmacht alsnog slagen.
4.29
Voor het geval Allianz af ziet van het leveren van bewijs dan wel het geleverde bewijs als onvoldoende zal worden beoordeeld en het beroep op overmacht niet wordt gehonoreerd, gaat de rechtbank alvast in op de subsidiaire verweren van Allianz.
Het verweer dat [naam eiser] zich met aan opzet grenzende roekeloosheid heeft gedragen
4.30
Het verweer moet worden getoetst aan de zogenaamde 50% regel die in de jurisprudentie (vanaf HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526,) is aanvaard en die, in deze zaak, op neer komt op het volgende: indien overmacht van [naam chauffeur] niet aannemelijk is gemaakt, maar er wel een fout van [naam eiser] is, eist de billijkheid dat bij de verdeling van de schade over de betrokkenen ten minste 50% van de schade ten laste van de eigenaar van de autobus [naam bedrijf] wordt gebracht wegens de verwezenlijking van het daaraan verbonden gevaar. Deze regel is gegrond op de billijkheid als bedoeld in art. 6:101 lid 1 BW en geldt specifiek voor de aansprakelijkheid van het motorrijtuig jegens ‘kwetsbare’ verkeersdeelnemers. Deze regel gaat niet op in het geval van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van [naam eiser] als voetganger. Die uitzondering rust op de gedachte dat er in dat geval geen grond meer bestaat om de schade — ongeacht de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen — billijkheidshalve ten minste voor 50% ten laste van het motorrijtuig te brengen. Want bij opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van [naam eiser] zijn zijn eigen gedragingen in voor het overgrote deel bepalend voor het ontstaan van het ongeval, zodat de billijkheid in dat geval niet eist dat de beschermende 50%-regel ten gunste van [naam eiser] als voetganger geldt. In dat geval blijft de verdeling van de schade over het motorrijtuig en het slachtoffer dan ook onderworpen aan de gewone regels van art. 6:101 BW. Dat laatste is dan ook het meer subsidiaire verweer van Allianz.
4.31
Voor slagen van het verweer, dat het verkeersgedrag van [naam eiser] moet worden aangemerkt als aan opzet grenzende roekeloosheid, is bewustheid van het gevaar bij [naam eiser] vereist. De stelplicht en bewijslast ter zake van de aan opzet grenzende roekeloosheid en de bewustheid daarvan rusten op Allianz; op grond van de jurisprudentie (HR 30 maart 2017, ECLI:NL:HR:2007:AZ7863) kan Allianz voor het bewijs van die bewustheid volstaan met het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit die bewustheid bij [naam eiser] moet worden afgeleid.
4.32
Allianz slaagt daarin vooralsnog niet. Zoals eerder overwogen is onvoldoende komen vast te staan wat het verkeersgedrag van [naam eiser] voorafgaand aan de aanrijding is geweest. Het staat vast dat [naam eiser] zich op het midden van de rijbaan moet hebben bevonden op het moment van de aanrijding. Dat feit sluit bijvoorbeeld niet uit dat [naam eiser] de weg van de rechterzijde haaks heeft willen oversteken naar de linkerzijde. Dat zou weliswaar zeer onvoorzichtig zijn maar is onvoldoende om aan te nemen dat [naam eiser] daarmee bewust het risico op een aanrijding voor lief heeft genomen.
4.33
Het scenario dat [naam eiser] niet haaks maar diagonaal is overgestoken, of welbewust op de weg is blijven lopen of blijven staan is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat geldt ook voor het scenario dat [naam eiser] met opzet voor de bus is gesprongen. Van alcoholgebruik door [naam eiser] is niet gebleken.
4.34
Uit de wel vaststaande feiten en omstandigheden, namelijk dat [naam eiser] in de nacht in overwegend donkere kleding binnen de bebouwde kom zich heeft begeven op de weg, op een plek waar geen voetgangers- of fietsoversteekplaats was en de weg onvoldoende was verlicht en kennelijk de autobus niet heeft opgemerkt is af te leiden dat [naam eiser] in vergaande mate onvoorzichtig is geweest maar niet zonder meer dat hij opzet bij de aanrijding heeft gehad of aan opzet grenzend roekeloos is geweest.
4.35
Aan nadere bewijslevering omtrent het verkeersgedrag van [naam eiser] wordt in het kader van dit verweer niet toegekomen nu Allianz geen feiten heeft aangevoerd op grond waarvan een ander oordeel moet worden gegeven. Indien Allianz slaagt in het bewijs dat [naam eiser] zich met opzet althans onverwacht voor de autobus heeft geworpen slaagt het verweer van overmacht en behoeven de andere verweren, waaronder die van de aan opzet grenzende roekeloosheid, geen nadere beoordeling.
4.36
Dit betekent dat het verweer dat [naam eiser] de schade geheel zelf zal dienen te dragen wordt verworpen.
Het verweer van eigen schuld (artikel 6:101 BW)
4.37
Nu het verweer ten aanzien van de aan opzet grenzende roekeloosheid wordt verworpen komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het verweer dat [naam eiser] 50% van de geleden schade zelf dient te dragen.
4.38
De rechtbank stelt vast dat [naam eiser] in de gegeven feiten en omstandigheden [naam eiser] een beduidend groter aandeel heeft gehad in het ontstaan van de aanrijding dan [naam chauffeur] .
4.39
[naam eiser] heeft zich immers op de weg begeven op een plek waar de weg onvoldoende was verlicht terwijl hij zelf gehuld was in donkere kleding. Kennelijk heeft hij ofwel niet uitgekeken naar de naderende autobus ofwel heeft hij onvoldoende voortvarend de rijbaan verlaten. Dit op een tijdstip waarop bestuurders van motorvoertuigen verminderd aandacht zullen hebben voor overstekende voetgangers, zelfs binnen de bebouwde kom. Dat is zeer onvoorzichtig verkeersgedrag.
4.40
[naam chauffeur] heeft als professioneel bestuurder van een autobus op de plek van de aanrijding te hard gereden en, in de gegeven situatie dat [naam eiser] geacht moet worden zich op de middenas van de weg moet hebben bevonden, de voetganger niet tijdig opgemerkt.
4.41
In de geven feiten en omstandigheden zou een verdeling van de aansprakelijkheid van 20% voor rekening van [naam bedrijf] en 80% voor rekening van [naam eiser] billijk zijn. Daarmee bestaat er geen aanleiding om af te wijken van de 50%-regel. In het geval het verweer van overmacht niet alsnog zal slagen zal Allianz veroordeeld worden om 50% van de door [naam eiser] geleden, door het ongeval veroorzaakte, schade te vergoeden.
Vordering voorschot schade
4.42
De beoordeling van het gevorderde voorschot op schadevergoeding zal worden gedaan na akte uitwisseling en het eventuele verdere debat omtrent het verweer van overmacht.
4.43
Indien een beslissing moet worden genomen over het voorschot op schadevergoeding wenst de rechtbank nader te worden voorgelicht omtrent de begroting van de schade. De rechtbank wenst met name te vernemen of partijen in staat te zijn ter begroting van de aan [naam eiser] te vergoeden schade de rechtbank inmiddels volledig te informeren. In het bevestigende geval zal de rechtbank de schade in beginsel zelf kunnen begroten, conform artikel 612 en verder Rv. Een aanpassing van de eis aan de kant van [naam eiser] lijkt dan opportuun.
4.44
De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol voor het nemen van een akte uitlaten partijen. De rechtbank kan het zich ook voorstellen dat partijen tezamen buiten rechte afspraken maken omtrent voort procederen over bijvoorbeeld de begroting van de schade. In dat geval volstaat een gezamenlijke akte.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
draagt Allianz op te bewijzen feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden vast gesteld dat [naam eiser] direct voorafgaand aan de aanrijding onverwacht en van buiten het gezichtsveld van [naam chauffeur] voor de bus is gesprongen;
5.2
bepaalt dat Allianz zich op de rolzitting van 24 juni 2020 kan uitlaten over de vraag of en zo ja, hoe zij het bewijs wil leveren;
5.3
bepaalt dat, als de Allianz bewijs wil leveren door middel van schriftelijke stukken, de rechtbank de zaak zal aanhouden en zal verwijzen naar de rol van 5 augustus 2020 voor het nemen van een akte overlegging producties;
5.4
bepaalt dat Allianz, als zij bewijs door getuigen wil leveren, op de rolzitting van 24 juni 2020 de naam en woonplaats van de te horen getuigen zal opgeven met de verhinderdata van haarzelf, haar advocaat en de getuigen en van de tegenpartij, waarna een dag voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld;
5.5
bepaalt dat, als een getuigenverhoor wordt gehouden, beide partijen daarbij aanwezig moeten zijn om eventueel aansluitend aan het verhoor de zaak te bespreken en om te bekijken of een schikking mogelijk is;
5.6
bepaalt dat, wanneer Allianz op de rolzitting van 24 juni 2020 zal verklaren af te zien van bewijslevering, de zaak zal worden verwezen naar de rol van 5 augustus 2020 voor akte uitlaten aan de zijde van [naam eiser] omtrent het overwogene in 4.43;
5.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C. van Steenderen-Koornneef op 27 mei 2020.18.
42248
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑05‑2020
productie 24 [naam eiser]
productie 24 [naam eiser] : conclusie rapport OAN, pagina 5 en productie 2 Allianz, rapport MVOA pagina 17
T.a.p. en productie 22 [naam eiser]
productie 15 [naam eiser] , gesprek met de onderzoeker van Allianz, Hans Kooijman, van 20 juli 2017
productie 15 [naam eiser] , t.a.p.
productie 21 [naam eiser]
productie 13 [naam eiser]
productie 13 [naam eiser]
productie 14 [naam eiser]
productie 14 [naam eiser]
Productie 15 [naam eiser] , brief onderzoeker Kooijman (Allianz) aan Allianz
Productie 15 [naam eiser]
productie 2 Allianz, rapport van MVOA pag. 16
productie 2 Allianz, op pagina 14
productie 24 [naam eiser]
productie 16 [naam eiser] , ambtsedig proces-verbaal politie te Weert van verhoor [naam chauffeur] 6 februari 2007 02.15 uur
type:coll: