Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.4.3.3
14.4.3.3 Parallelle toepassing art. 47 e.v. is meest waarschijnlijk
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499575:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Met dit begrip heb ik ook hierna enkel het oog op he zwijgrecht van art. 5:10a Awb en niet (ook) op het EVRM-zwijgrecht (laat staan het strafrechtelijk zwijgrecht in art. 29 Sv).
Dit geldt temeer nu deze bevoegdheden strikt doelgebonden zijn. Zie onder meer A-G Keijzer, conclusie bij HR 6 november 2001, NJ 2002, 189, pt 21 e.v. en Knigge en Kwakman 2001, p. 295. Het ontbreken van een uitdrukkelijke wettelijke grondslag, roept overigens de vraag op of art. 7, lid 1 EVRM belet dat niet-medewerking aan het boeteonderzoek wordt bestraft. Daarin is onder meer vastgelegd dat niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde.
Ik teken hierbij aan dat, behoudens feitelijke dreiging, mishandeling et cetera, voor de nemo tenetur-problematiek enkel van belang is dat sprake is van zelfbelasting uit hoofde van een (afdwingbare) verplichting. Op welke precieze grondslag die verplichting steunt, is niet van belang.
Anders dan gold voor art. 67j (oud) AWR, verwijst de sinds 1 juli 2009 geldende tekst van art. 5:10a Awb (= boeterechtelijk zwijgrecht1) niet naar art. 47 e.v. AWR. Dit roept de vraag op of vragen over de betrokkenheid bij een beboetbaar feit ook na deze vervanging van het fiscaal zwijgrecht op art. 47 AWR steunen, of dat die bevoegdheid inmiddels moet worden afgeleid uit de formulering van art. 5:10a Awb (a contrario) respectievelijk afdeling 5.2 Awb. Uit het wetgevingsproces en de jurisprudentie volgt niet dat een wijziging is beoogd. Zodoende staat tot op heden strikt genomen niet vast dat er een wettelijke grondslag voor specifiek het fiscaal boeteonderzoek is, laat staan wat die grondslag is (art. 47 e.v. AWR, afdeling 5.2 Awb dan wel art. 5:10a Awb (specifiek voor boetevragen)).
Het ontbreken van een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor het boeteonderzoek in belastingzaken is opmerkelijk.2 Althans, wanneer wordt aangenomen dat er een verschil is tussen toezichts- en boeteonderzoek. Mogelijk maakt de wetgever geen onderscheid tussen toezichts- en boeteonderzoek en is de wettelijke grondslag steeds art. 47 e.v. AWR.3 Omdat ik dit het meest waarschijnlijk acht, zal ik daar in het vervolg vanuit gaan. Wel kies ik ervoor om in het vervolg een theoretisch (of beter: woordelijk) onderscheid te (blijven) maken tussen het toezichts- en boeteonderzoek. Al was het maar omdat het de theorievorming verduidelijkt.