Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/9.4.1
9.4.1 Inleiding
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS379902:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 7juni 1991 (Bankmanager), NJ 1991, 708, daarop voortbouwend bijv. HR 16 april 1993, NJ 1993, 367, waarin de Hoge Raad rechtsverwerking duidelijk afgrenst van afstand van recht, en HR 24 april 1998, NJ 1998, 62. Een uitgebreide beschrijving van (oudere) rechtspraak is te vinden in Houwing 1968-1972, p. 393-480. Zie voorts Schoordijk 1991; Tjittes 1992 en Valk 1993.
HR 29 september 1995 (Van den Bos/Provincial), NJ 1996, 89. Zie voorts bijv. HR 29 november 1996, NJ 1997, 153 en HR 30 mei 1997, NJ 1997, 544.
Zie daarover ook supra, par. 83.5.4 en 83.5.5.
HR 18 september 1992, NJ 1993, 48 (HER).
Dit rechtsmiddel, geregeld in de art. 263-272 (oud) Rv is bij de herziening van het procesrecht in 2002 geschrapt.
Zie ook HR 5 september 2003 (Bosch/Janssens en Janzen), NJ 2004, 489.
HR 1 juli 1993, NJ 1993, 671.
Bijv. HR 6 april 1979 (Reuvers/Gem. Zwolle), NJ 1980, 34 (CJHB); HR 13 mei 1983, NJ 1983, 714; HR 16 november 1990, NJ 1992, 84 en HR 11 april 1986, NJ 1987, 433 (WHH).
Bijv. HR 18 juni 1982, NJ 1983, 599 en HR 11 mei 1984, NJ 1984, 584.
Over rechtsverwerking in het burgerlijk procesrecht ook Lindijer 2003b.
531. Niet zelden vertoont de beperkende werking van de eisen van een goede procesorde ten aanzien van de uitoefening van processuele bevoegdheden door partijen een zekere verwantschap met de beperkende werking die ten aanzien van vermogensrechten en daaraan ontleende bevoegdheden uitgaat van het leerstuk rechtsverwerking. De Hoge Raad spreekt - in vermogensrechtelijke context - van rechtsverwerking, indien het geldend maken van een recht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met de wijze waarop de gerechtigde zich eerder heeft gedragen.1 Daarvoor is vereist, aldus de Hoge Raad, dat zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij van de gerechtigde het vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de wederpartij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in het geval dat de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Enkel tijdsverloop is onvoldoende voor het aannemen van rechtsverwerking.2
Gewekt vertrouwen en onredelijke benadeling of bezwaring van de positie van de wederpartij door eigen gedragingen in de procedure blijken ook een rol te spelen bij de vaststelling van hetgeen een goede procesorde in een concreet geval eist.3
In dit verband kan bijvoorbeeld worden gewezen op het arrest Van Eijck/Van Beresteyn en Teugeman.4 Teugeman sprak verzekeraar Van Eijck aan tot uitkering van een schadebedrag wegens brand. De procureur van Van Eijck, Van Beresteyn, erkende in de procedure dat het uitgebrande pand bij Van Eijck was verzekerd. Van Eijck beriep zich echter op grond van art. 251 K op de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst. De Rechtbank wees de vordering van Teugeman desalniettemin toe. Daarop ging Van Eijck in hoger beroep. Tevens startte hij tegen Van Beresteyn en Teugeman een desaveu-procedure5, omdat Van Beresteyn niet bevoegd was geweest te erkennen dat het pand bij haar was verzekerd. Die erkenning diende derhalve te worden beschouwd als niet gedaan. Teugeman verzette zich tegen toewijzing van de vordering, omdat Van Eijck volgens haar van meet af aan op de hoogte was van de gewraakte erkenning. Dat verweer vond gehoor bij zowel rechtbank en hof, waarbij het hof zich baseerde op een goede procesorde. Op daartegen gerichte klachten in cassatie sprak de Hoge Raad uit dat het hof geen rechtsregel had geschonden 'door te oordelen dat het Van Eijck in de gegeven omstandigheden niet vrijstond om eerst af te wachten of haar beroep op art. 251 K zou slagen en pas nadat dit verweer bij het eindvonnis in eerste aanleg was verworpen, er een beroep op te doen dat de voormelde erkenning zonder haar volmacht was tot stand gekomen teneinde alsnog te kunnen aanvoeren dat zij niet de verzekeraar van voormelde objecten was.' Ook het oordeel dat een dergelijk verweer, volgens een goede procesorde, zo mogelijk voor een beroep op art. 251 K onder ogen moet kunnen worden gezien, gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.6
Een ander voorbeeld biedt de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Pinckaers/Pinckaers.7 In het hoger beroep van deze zaak had appellante zich beroepen op de eigen niet-ontvankelijkheid in de vordering die zij vijf jaar eerder had ingesteld, nu het proces-verbaal van zwarigheden waarop zij die vordering grondde, niet zou voldoen aan de wettelijke vereisten. Gevolg daarvan zou zijn dat alle deelgenoten in de nalatenschap opnieuw bij de notaris hun standpunt ten aanzien van de verdeling ervan kenbaar dienden te maken. Eiseres had echter al die jaren niet van haar bezwaren tegen het proces-verbaal doen blijken, maar juist op basis van dat proces-verbaal lustig tegen de overige deelgenoten voortgeprocedeerd. Dit liet volgens de Hoge Raad geen andere conclusie toe dan dat het beroep van Pinckaers op de eigen niet-ontvankelijkheid in strijd kwam met de eisen van een goede procesorde en dat het hof daaraan terecht was voorbijgegaan.
Naast bovengenoemde arresten, zou men gevallen van rechtsverwerking of althans daaraan verwante gevallen kunnen herkennen in uitspraken waarin de rechter oordeelt dat (de eisen van een goede procesorde meebrengen dat) een partij, gelet op het stadium waarin de procedure zich bevindt en/of gelet op de belangen van haar wederpartij, niet alsnog nieuwe feiten kan stellen8 of nieuwe stukken kan indienen.9
Het is de vraag of het in gevallen als bovengenoemde zinvol is te spreken van een processuele vorm van rechtsverwerking, gegrond op de eisen van een goede procesorde.10 Ten einde die vraag te beantwoorden, zal in het navolgende worden onderzocht of de processuele context, in het bijzonder de aard van processuele rechtsverhoudingen en daarin uitgeoefende bevoegdheden, zich daartegen verzet.