Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.5.1
IX.3.5.1 De wezenskenmerken van een bestaande vordering; twee uitersten
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS358790:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
De figuur waarbij de verbintenis bestaat, maar de vordering nog niet, is onbestaanbaar. Evenmin kent ons recht de figuur waarbij er verbintenisrechtelijk wel reeds een vordering bestaat, maar goederenrechtelijk nog niet. Wellicht anders Meijers die in zijn noot onder HR 5 december 1913, W 9610 (1914), p. 2, in verband met een derdenbeding opmerkt: “Evenals bij sommige testamentaire lasten is het (…) zeer goed mogelijk dat er een verplichting bestaat zonder dat er iemand is, die het recht op de prestatie tot zijn vermogen kan rekenen”.
Zie HR 26 januari 2007, NJ 2007, 76 (Ontvanger/Kerseboom), r.o. 3.3.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nrs. 47 e.v. Vgl. reeds: Tieleman 1923, p. 90, die opmerkt dat het bestaan van een vordering kan worden aangenomen, indien het rechtsfeit is geschied waarin “later mogelijk een opeischbare schuld haar diepsten grond vindt”.
Hierbij zij opgemerkt dat een rechtshandeling die nietig is vanwege het ontbreken van een wettelijk vereiste op grond van art. 3:58 BW met terugwerkende kracht kan worden bekrachtigd doordat het ontbrekende vereiste alsnog wordt vervuld, zodat er achteraf bezien van meet af aan een geldige verbintenis tot stand is gekomen. Hetzelfde geldt voor de bekrachtiging van een door een onbevoegde verrichte rechtshandeling (art. 3:69 BW).
Zie hierna: § IX.3.5.6.1 over de vraag of een vordering uit de wet alleen dan ontstaat, indien alle in de wet genoemde vereisten zijn vervuld of dat sommige “vereisten” als opschortende voorwaarden kunnen worden beschouwd.
Zie voor wat betreft de cessie van een bestaande vordering op een schuldenaar waarvan de identiteit (vooralsnog) niet bekend is de regeling van art. 3:94 lid 2 BW, waarbij gedacht kan worden aan een schadevergoedingsvordering uit onrechtmatige daad gepleegd door een nog onbekende persoon.
Zie art. 6:161 BW met een nuancering in het tweede lid.
Evenmin is vereist dat ten tijde van het ontstaan van de verbintenis reeds vaststaat dat er uiteindelijk een geldbedrag verschuldigd is. Denk aan een vordering onder opschortende voorwaarde waarbij op een gegeven moment duidelijk is dat de voorwaarde niet meer in vervulling kan gaan. De vordering zal dan vervallen. Vgl. de voorwaardelijke regresvordering van de borg op de hoofdschuldenaar. Ook kan worden gedacht aan termijncontracten en andersoortige derivaten waarbij zogeheten ‘cash settlement’ plaatsvindt. In dat geval worden de onderliggende goederen niet geleverd, maar wordt de waarde daarvan vergoed.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 24 en uitvoerig: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nrs. 303 e.v.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nrs. 175 en 176; Den Tonkelaar 1994, p. 49 e.v. en HR 28 mei 1952, NJ 1953, 394, m.nt. PhANH. De arresten Staal Bankiers/Ambags q.q., Dubbeld/Laman en mogelijk ook Frima/Blankers, lijken vooral in dit licht beoordeeld te moeten worden. Steeds was het ontstaan van de vordering afhankelijk van een wilsverklaring of een handeling van de (curator van de) schuldenaar. Vgl. Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 81 en Mijnssen 1992, p. 61. Zie over de ‘potestatieve’ voorwaarde ook: nr. 888.
Zoals hierna aan de orde zal komen, kan anders volgen uit de bedoeling van partijen, de aard van de overeenkomst of de wet, zie nr. 893.
Daarbij kan worden onderscheiden tussen vaste en onvaste tijdsbepalingen. In geval van een vaste tijdsbepaling staat vast wanneer de toekomstige gebeurtenis plaatsvindt (bv. koopprijs te betalen op 1 maart); in geval van een onvaste tijdsbepaling is zeker dat de gebeurtenis zal plaatsvinden, maar niet op welk moment (bv. bedrag te betalen in geval van overlijden van X). Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nrs. 243 en 245.
Zie HR 26 maart 1982, NJ 1982, 615, m.nt. WMK.
Zie HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G.
881. Indien er een verbintenis is, is er een vordering. Een vordering is de actief zijde van een verbintenis. Een verbintenis wordt meestal omschreven als een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee (of meer) personen, krachtens welke de een (de schuldenaar) gehouden is een bepaalde prestatie te verrichten en krachtens welke de ander (de schuldeiser) tot die prestatie gerechtigd is.1 Als er een verbintenis bestaat, staat daarmee tevens vast, zowel vanuit verbintenisrechtelijk als vanuit goederenrechtelijk oogpunt, dat er een bestaande vordering is.2 De vraag of een vordering een bestaande vordering is, hangt derhalve af van de vraag of er een verbintenis bestaat tussen de schuldenaar en de schuldeiser. De vraag of een vordering bestaat, is aldus een vraag van verbintenissenrecht.3 In twee gevallen is het meestal duidelijk of er een verbintenis bestaat.
882. Een vordering bestaat zeker niet, indien de essentialia van een verbintenis (nog) niet aanwezig zijn. Het bestaan van een verbintenis kan niet worden aangenomen, indien niet is voldaan aan een aantal eisen dat betrekking heeft op het wezen van een verbintenis: de essentialia van de verbintenis.
Op de eerste plaats geldt dat een verbintenis een ontstaansbron of grondslag moet hebben. Een verbintenis zonder grondslag is onbestaanbaar (vgl. art. 6:1 BW).4 Dit betekent dat vorderingen die voortvloeien uit rechtshandeling, zoals een overeenkomst, alleen kunnen ontstaan, indien de rechtshandeling geldig tot stand gekomen is.5 Vorderingen uit nog te sluiten overeenkomsten zijn daarom per definitie toekomstige vorderingen. Voor vorderingen uit de wet geldt dat het rechtsfeit moet zijn voorgevallen waaraan de wet het ontstaan van een verbintenis koppelt (het verbintenisscheppende rechtsfeit).6
Op de tweede plaats is voor het bestaan van een verbintenis vereist dat zij een schuldenaar en een schuldeiser heeft (de zogeheten subjecten van de verbintenis). De schuldenaar of de schuldeiser kan een individueel bepaalde, een door een hoedanigheid bepaalde of een vervangbaar gestelde persoon zijn.7 Hoewel dat meestal wel het geval zal zijn, is niet vereist dat de identiteit van de schuldenaar of de schuldeiser bekend is; wel moet vaststaan dat er een schuldenaar en een schuldeiser is, waarvan de identiteit eventueel achteraf kan worden vastgesteld.8 De hoedanigheden van schuldenaar en schuldeiser mogen niet in een persoon verenigd zijn.9
Op de derde plaats is vereist dat de prestatie die krachtens de verbintenis moet worden verricht, het voorwerp van de verbintenis, voldoende bepaalbaar is (vgl. art. 6:227 BW). Het moet voldoende duidelijk zijn welke prestatie de schuldenaar dient te verrichten. Het voorwerp hoeft echter niet tot in alle bijzonderheden te zijn bepaald; bepaalbaarheid van de verbintenis volstaat.10 Zo is voor het ontstaan van een geldverbintenis niet vereist dat de hoogte van het verschuldigde bedrag al van meet af aan vaststaat. De hoogte van het verschuldigde bedrag kan later nog wijzigen of pas later (eventueel op het moment van opeisbaarheid) worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van een door partijen vastgestelde berekeningswijze of eventueel zelfs aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid (vgl. art. 7:4 BW).11
Op de vierde plaats dient het voorwerp van de verbintenis geoorloofd te zijn. Er mag geen sprake zijn van strijd met de wet, de openbare orde of de goede zeden (art. 3:40 BW).12
Tot slot is een wezenskenmerk van een verbintenis dat de schuldenaar zich jegens de schuldeiser bindt. Indien de verplichting afhankelijk is van de enkele wil of van een daarmee gelijk te stellen handeling of gedraging van de schuldenaar, ontstaat er geen verbintenis. Een dergelijke ‘potestatieve’ voorwaarde is in strijd met het wezen van een verbintenis. De schuldenaar verbindt zich dan immers (nog) niet tot het verrichten van een prestatie.13
De hiervoor genoemde eisen zijn ‘ontstaansvereisten’ voor een vordering. Als aan een van deze vereisten niet is voldaan, kan er geen verbintenis en dus geen vordering bestaan; de vordering is dan een toekomstige.
883. Een vordering bestaat meestal wel, indien de essentialia van een verbintenisaanwezig zijn en bovendien vaststaat dat de schuldenaar een prestatie moetverrichten. Het andere geval waarin er (een grote mate van) duidelijkheid bestaat, betreft de situatie dat de hiervoor genoemde essentialia van een verbintenis aanwezig zijn en bovendien vaststaat dat de schuldenaar nu of in de toekomst een bepaalde prestatie moet verrichten. Alsdan betreft de verplichting van de schuldenaar in de regel14 een bestaande verbintenis waarmee ook een bestaande vordering van de schuldeneiser correspondeert. Het is immers zeker dat de schuldenaar werkelijk een prestatie verschuldigd is die door de schuldeiser gevorderd kan worden. Direct opeisbare vorderingen en vorderingen waarvan de opeisbaarheid slechts afhankelijk is van het verstrijken van tijd, zijn zodoende bestaande vorderingen. In het laatste geval is er sprake van een vordering onder tijdsbepaling. Daarbij gaat het om een bestaande verbintenis waarvan alleen de uitvoering is uitgesteld tot zich een toekomstige gebeurtenis voordoet die zeker zal plaatsvinden, zodat van meet af aan duidelijk is dat de schuldenaar in de toekomst moet presteren.15 Een dergelijke verbintenis kan ook betrekking hebben op periodieke betalingen. Het voorgaande verklaart waarom blijkens de arresten SOS/ABN16 en WUH/Emmerig q.q.17 vorderingen onder opschortende tijdsbepaling of tot terstond vaststaande periodieke betaling door de Hoge Raad als bestaande vorderingen worden aangemerkt.