Asser Procesrecht 11 Faillissement
Einde inhoudsopgave
Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/229:229 Vergunningen.
Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/229
229 Vergunningen.
Documentgegevens:
prof. mr. F.M.J. Verstijlen, datum 31-12-2024
- Datum
31-12-2024
- Auteur
prof. mr. F.M.J. Verstijlen
- JCDI
JCDI:BSD12579:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 april 2004, NJ 2004/331.
HR 16 mei 1997, NJ 1998/238, m.nt. M.W. Scheltema (Van Helden-Dircks e.a./Peters-Dircks).
HR 30 september 2022, NJ 2023/144, m.nt. F.M.J. Verstijlen (X/Berg Fourage en Kolkman q.q.).
Vgl. CBb 4 juli 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BB0119 (Lavi/Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Van Burg q.q.). Zie over deze materie uitgebreider E.F. Verheul, ‘De overgang van vergunningen en subsidies, NTBR 2023/17, met name p. 146-147.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook bij de overdracht van vergunningen speelt art. 35 lid 1 Fw een rol. Een complicerende factor is dat die overdracht niet alleen een privaatrechtelijke component heeft, maar ook een publiekrechtelijke. In Agin Holding/Libosan q.q. waren “visdocumenten” door M. bij onderhandse akte van 1 oktober 1993 “verkocht en overgedragen” aan Agin Holding.1 De documenten behelsden onder meer een vergunning om met het motorschip Gemma Jacoba te vissen op garnalen en in de twaalfmijlszone. Op 9 november 1993 werd een verzoek gedaan tot “overdracht” van een deel van de in de visdocumenten neergelegde rechten. Toen M. jaren later in staat van faillissement werd verklaard, was dit nog niet geschied en de curator droeg de visdocumenten over aan een derde. Agin Holding sprak daarop de curator aan. De vraag was of de visdocumenten ten tijde van de faillietverklaring tot de boedel behoorden.
Het antwoord van de Hoge Raad luidt bevestigend. Een eerder arrest uitleggend,2 richt hij zich op het geval dat het vergunningverlenende bestuursorgaan het beleid voert dat de tenaamstelling van de vergunning wordt aangepast aan wijzigingen in de privaatrechtelijke verhoudingen. Pas door de wijziging van de tenaamstelling wordt dan “de publiekrechtelijke rechtstoestand door het bestuursorgaan […] aangepast aan de inmiddels geldende privaatrechtelijke verhoudingen”. Onder verwijzing naar de strekking van art. 35 lid 1 Fw acht de Raad niet de wijziging in de privaatrechtelijke verhoudingen beslissend, maar of die op de faillissementsdatum door aanpassing van de tenaamstelling langs publiekrechtelijke weg is geëffectueerd.
De beslissing bevat wat begripsmatige puzzels – wat betekent het dat “de privaatrechtelijke verhoudingen” zijn gewijzigd, als de vergunning toch nog in het vermogen van de vervreemder valt? – maar duidelijk is dat als de vergunning op de dag van faillietverklaring nog op naam van de schuldenaar staat, zij door de curator te gelde kan worden gemaakt, althans in de gevallen die de Hoge Raad op het oog heeft.
Eenduidiger was de Hoge Raad in een op 30 september 2022 berecht geval over de overdracht van fosfaatrechten.3 De overdracht daarvan wordt niet beheerst door art. 3:84 BW, maar door art. 27 Meststoffenwet. De privaatrechtelijke verhoudingen doen er in die benadering van de Hoge Raad niet toe, maar het komt aan op de registratie van een kennisgeving van de overgang door de vervreemder en de verkrijger. Omdat die registratie in het berechte geval nog niet was geschied, vielen de fosfaatrechten nog in de boedel. Hoewel art. 3:84 BW met het daarin opgenomen leveringsvereiste niet van toepassing is, menen wij dat art. 35 lid 1 Fw dan wel het fixatiebeginsel waarvan het de neerslag is, aan een verkrijging in de weg staat als op of na de dag van faillietverklaring een kennisgeving of registratie plaatsvindt.4 In die zin besliste het College van Beroep voor het bedrijfsleven toen het accordeerde dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit weigerde de tenaamstelling na de faillietverklaring te wijzigen op basis van een voordien daterende kennisgeving van de overgang.5
Denkbaar is dat een publiekrechtelijke regeling aanknoopt bij “de privaatrechtelijke verhoudingen”, ook zonder dat de tenaamstelling is gewijzigd. Men dient dus steeds de desbetreffende publiekrechtelijke regeling in ogenschouw te nemen.