Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/4.4.4:4.4.4 Twee imprévision-situaties geschetst
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/4.4.4
4.4.4 Twee imprévision-situaties geschetst
Documentgegevens:
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS583834:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zolang partijen, na met een tot aanpassing van het contract nopende onvoorziene omstandigheid te zijn geconfronteerd, zich jegens elkaar conform de eisen van redelijkheid en billijkheid (blijven) gedragen en in afdoende mate rekening met elkaars gerechtvaardigde belangen (blijven) houden, is er voor het objectieve recht geen noodzaak tot ingrijpen en blijven de aanpassingsmechanismen van art. 6:248 BW buiten toepassing. Dit wordt eerst anders indien één van beide partijen zich niet of niet langer (voldoende) constructief opstelt, bijv. door zonder deugdelijke grond te weigeren een redelijk aanpassings- of wijzigingsvoorstel te doen en/of te aanvaarden. Alsdan kan het objectieve recht al naar gelang de omstandigheden van het geval verschillende (en dus niet steeds dezelfde) oplossingen aanwijzen, welke soms kunnen bestaan uit aanvulling (art. 6:248 lid 1 BW) van een in het licht van de omstandigheden te algemene contractuele regel, ofwel uit (een al dan niet gedeeltelijke) beperking (art. 6:248 lid 2 BW) daarvan ofwel uit een combinatie van beide. Ik licht dit toe aan de hand van een tweetal denkelijk veel voorkomende imprévisionsituaties. Achtereenvolgens worden besproken de situatie dat de beknelde partij zich niet of niet langer (voldoende) constructief opstelt en de situatie dat haar wederpartij een in het licht van de situatie onvoldoende constructieve houding aanneemt.
Allereerst de situatie dat de beknelde partij zich niet of niet langer (voldoende) constructief opstelt. Alsdan kan de aanvullende redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 1 BW onder omstandigheden een onderhandelingsplicht op deze partij leggen, met name indien ook de wederpartij een gerechtvaardigd belang heeft bij een snelle afwikkeling van de problematiek buiten rechte. Schending van deze door redelijkheid en billijkheid op de beknelde gelegde onderhandelingsplicht zal in de regel tot gevolg hebben dat niet langer van onaanvaardbaarheid in de zin van art. 6:248 lid 2 BW kan worden gesproken en evenmin nog langer kan worden gezegd dat ongewijzigde uitvoering van het overeengekomene naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid "niet mag worden verwacht" (art. 6:258 BW).1 Bovendien kan worden betoogd dat alsdan de onvoorziene omstandigheden (alsnog) moeten worden geacht krachtens de in lid 2 van art. 6:258 BW genoemde (handels)verkeersopvattingen voor rekening van de beknelde partij te komen.
Stelt de wederpartij van de beknelde zich niet (of niet langer) voldoende constructief op, dan kan de aanvullende redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 1 BW onder omstandigheden eveneens een onderhandelingsplicht op deze partij leggen, met name indien de beknelde een gerechtvaardigd belang heeft bij een snelle afwikkeling van de problematiek buiten rechte. Schending van deze door redelijkheid en billijkheid op de wederpartij van de beknelde gelegde onderhandelingsplicht zal er niet zelden toe leiden dat, evenals het geval was in het arrest VvE/CSM, de overeenkomst door de beknelde op de voet van art. 6:248 lid 1 BW kan worden opgezegd dan wel een nakomingsvordering van de wederpartij kan worden afgeweerd op de voet van art. 6:248 lid 2 BW.2 Een en ander kan zo nodig in rechte middels declaratoir vonnis door de rechter worden vastgesteld. Bieden beide artikelleden in verband met de te grote complexiteit van de aangelegenheid in het gegeven geval geen soelaas, dan is de weg vrij voor aanpassing of ontbinding in rechte op de voet van art. 6:258 BW.