Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/10.4.5.1
10.4.5.1 Inleiding
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS507190:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HESSELINK, blz. 393.
Zie VRIESENDORP (diss.), no. 119 en ASSER-HARTKAMP & SIEBURGH 6-111, no. 395; vgl. ook PG Boek 6, blz. 18.
Zie ook HR 11 november 1994 (Eerland/Gemeente Rotterdam), NJ 1995, 511, m.nt. R.E. JAPIKSE en de conclusie van A-G ASSER sub 3.12 e.v. bij dit arrest; zie omtrent de ambtshalve toepassing van art. 6:248 lid 2 BW ook H.J. SNIJDERS, `Remedies tegen algemene voorwaarden' in: T. HARTLIEF c.s. (red.), Coherente instrumenten in het contractenrecht, Deventer 2003, blz. 15-16; vgl. ook PG Boek 6, blz. 18.
Aldus SANDERS in zijn noot bij Rb. Haarlem 11 mei 1993, NJ 1995, 71 en TvA 1993, blz. 238; vgl. voor het beroep op art. 6:248 lid 2 BW in algemene zin HR 25 februari 2000 (Vervoersbond FNV/Frans Maas), NJ 2000, 471.
Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing voorzover toepassing in de gegeven omstandigheden volgens maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar is (art. 6:2 lid 2 BW en art. 6:248 lid 2 BW). Zulks geldt ook voor de overeenkomst tot arbitrage (art. 6:213 lid 1 BW jo. art. 6:216 BW). Wat in de gegeven omstandigheden in strijd komt met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, laat zich — ondanks de algemene gezichtspunten van art 3:12 BW — uit de aard van art. 6:248 lid 2 BW slechts op grond van casuïstiek uiteenzetten. Art. 3:12 BW luidt:
’Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken."
Vraag is welke als gevolg van de overeenkomst tot arbitrage geldende regel of regels op grond van art. 6:248 lid 2 BW buiten toepassing blijft of blijven. In de praktijk gaat het eigenlijk vooral om de regel dat de gewone rechter zich, bij een tijdig beroep op het bestaan van een (geldige) arbitrageovereenkomst, onbevoegd moet verklaren (art. 1022 lid 1 Rv). Men duidt dit ook wel aldus aan, dat het beroep op de overeenkomst tot arbitrage in strijd is met redelijkheid en billijkheid.1 Omgekeerd kan ook de regel dat het scheidsgerecht bevoegd is als partijen arbitrage zijn overeengekomen, in bepaalde omstandigheden in strijd komen met redelijkheid en billijkheid. Alsdan zal het scheidsgerecht zich onbevoegd verklaren (art. 1052 leden 1 en 2 Rv).
Opmerking verdient nog dat art. 6:248 lid 2 BW (ingevolge art. 25 Rv) ambtshalve moet worden toegepast.2 Wij moeten ons evenwel realiseren dat art. 6:248 lid 2 BW in beginsel slechts ambtshalve kan worden toegepast als de desbetreffende partij daartoe de nodige feiten en omstandigheden heeft gesteld.3
In de jurisprudentie terzake is een beroep op de arbitrageovereenkomst een aantal malen in strijd met redelijkheid en billijkheid geoordeeld. Beziet men de — overigens nog schaarse jurisprudentie — dan valt in elk geval te constateren dat strijd met redelijkheid en billijkheid bij een beroep op een overeenkomst tot arbitrage uiteenlopende casusposities kan betreffen. Ik zal thans ingaan op de zaken die zich hebben voorgedaan. Aan de orde komen het recht op toegang tot de rechter (10.4.5.2), de voorkoming van tegenstrijdige uitspraken (10.4.5.3) en de eis in conventie en reconventie (10.4.5.4). Uit de jurisprudentie blijkt dat een beroep op een overeenkomst tot arbitrage slechts bij uitzondering op grond van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing kunnen worden gelaten (zoals elk beroep op art. 6:248 lid 2 BW terughoudend wordt toegepast).4
Een beroep op redelijkheid en billijkheid zal met name uitkomst kunnen bieden als bestaande middelen tekortschieten. Soms zal een partij evenwel, indien de wet middelen openstelt op grond waarvan zij tegen ongerechtigheden kan opkomen, die middelen moeten aanwenden en zal terzake een beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid in het algemeen niet slagen. Zo wordt wel verdedigd dat het beroep op de overeenkomst tot arbitrage niet in strijd kan komen met redelijkheid en billijkheid op de grond dat arbiters niet onpartijdig zijn dan wel de wederpartij bij de benoeming van arbiters een bevoorrechte positie is toegekomen. Daartoe staan de middelen van wraking op grond van art. 1033 Rv respectievelijk van benoeming van arbiters vanwege de voorzieningenrechter van de rechtbank op grond van art. 1028 Rv open (zie daartoe 10.4.2.4 sub c — iii). Voor een beroep op redelijkheid en billijkheid bestaat in elk geval wel ruimte als het gaat om een arbitraal beding in algemene voorwaarden en ook de regeling inzake algemene voorwaarden van art. 6:231e.v BW kan worden toegepast (zie wederom 10.4.2.4 sub c — iii).
Ten slotte zal aan de werking van redelijkheid en billijkheid niet zoveel behoefte bestaan als met uitleg van de arbitrageovereenkomst bevredigende resultaten kunnen worden bereikt (zie 4.2.2). Ruimte voor een beroep op redelijkheid en billijkheid zal met name bestaan indien het omstandigheden betreft die zich hebben voorgedaan nadat de overeenkomst tot arbitrage is totstandgekomen.
Vooraf zij nog opgemerkt dat art. 6:248 lid 2 BW slechts kan bewerkstelligen dat een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel (wegens strijd met redelijkheid en billijkheid) niet van toepassing is.
De stelling van een partij (die zich in een bevoegdheidsincident ex art. 1022 lid 1 Rv op een overeenkomst tot arbitrage beroept) dat het verweer van de wederpartij (in dat bevoegdheidsincident) — welk verweer inhoudt dat bepaalde algemene voorwaarden, en het daarin opgenomen arbitraal beding, niet van toepassing zijn (op de grond dat partijen zulks niet zijn overeengekomen en de voorwaarden ook niet krachtens opgewekt vertrouwen van toepassing zijn) — wegens strijd met redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moet worden beschouwd, kan (op grond van art. 6:248 lid 2 BW) derhalve niet ertoe leiden dat de algemene voorwaarden (en dus ook het arbitraal beding) wel van toepassing worden.5