Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/8.7
8.7 Zijn enquêtekosten boedelschulden?
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS379448:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 juni 2005, JOR 2005/174 m.nt. Van Mierlo (Decidewise), r.o. 3.4. Zie ook HR 9 december 2005, NJ 2006/174; JOR 2006/3 (Landis), r.o. 3.2. De regel dat de onderzoekskosten in beginsel geen boedeschulden vormen, geldt ook indien de failliete vennootschap zelf een enquêteverzoek indient, zie Josephus Jitta, in: T&C 2015, art. 2:346 lid 3 BW, aant. 6 (online, laatst bijgewerkt op 15 februari 2015). Dit is mogelijk omdat de enquêtebevoegdheid van de curator die van het bestuur onverlet laat. Dat geldt mijns inziens ook voor de enquêtebevoegdheid van de raad van commissarissen onderscheidenlijk de niet uitvoerende bestuurders in een one-tier board. De failliete vennootschap blijft immers rechtsbevoegd en haar organen blijven de vennootschapsrechtelijke bevoegdheden behouden. Hiertoe behoort ook het vertegenwoordigen van de vennootschap bij het indienen van een enquêteverzoek.
Wessels (2013), § 7088.
Wessels (2013), § 7089 en § 7089a.
Wessels (2013), § 7093 e.v.
Wessels (2013), § 4436.
Timmerman in sub 2.11 van zijn conclusie voor HR 24 juni 2005, JOR 2005/174 m.nt. Van Mierlo (Decidewise).
Vgl. A-G Timmerman in sub 4.27 van zijn conclusie voor HR 4 november 2016, JOR 2017/1 m.nt. Spruitenburg (Staat der Nederlanden c.s./Vereniging van Effectenbezitters), die in voetnoot 66 de vraag opwerpt of het aspect van de enquêtekosten in de belangenafweging kan worden “opgelost” in die zin dat de OK een enquête beveelt onder de voorwaarde dat de verzoekende partijen de kosten dragen. Ook de A-G stelt vast dat een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt. Zie ook Assink/Slagter, deel 2(2013), p. 1692.
HR 18 november 2016, JOR 2017/30 m.nt. Hammerstein (Meavita), r.o. 3.5.2.
HR 24 juni 2005, JOR 2005/174, m.nt. Van Mierlo (Decidewise), r.o. 3.4.
Zo ook Broere (2017), p. 543.
Handelingen II 2011-2012, 32 887, nr. 71, p. 49.
Wessels (2013), § 7094.
De curator kan voor de voldoening van de onderzoekskosten bij ontoereikendheid van de boedel geen beroep doen op de Garantstelling Curatoren 2012. Zie Stcrt. 2012, d.d. 1 maart 2012, art. 2.
Art. 2:350 lid 3 BW bepaalt dat de rechtspersoon de onderzoekskosten betaalt en dat de OK kan bepalen dat de rechtspersoon voor de betaling van die kosten zekerheid moet stellen. Sinds de uitspraak van de Hoge Raad in de Decidewise-zaak is duidelijk dat wanneer een enquêtegerechtigde (een andere dan de curator) een enquêteverzoek indient bij een failliete rechtspersoon de onderzoekskosten geen verplichte boedelschuld vormen.1 Boedelschulden ontstaan uit de wet of door een handeling van de curator.2 Art. 2:350 lid 3 BW bepaalt weliswaar dat de rechtspersoon de kosten van het onderzoek betaalt, maar dit is geen boedelschuld uit de wet.3 Evenmin is het een boedelschuld die herleid kan worden tot een toedoen van de curator.4 Het is een – in de woorden van Wessels – post-faillissementsschuld die door de curator niet in aanmerking behoeft te worden genomen.5
De curator kan aldus zelf, onder toezicht van de rechter-commissaris, beslissen of en in hoeverre hij in het kader van zijn kerntaak de middelen uit de boedel wil aanwenden voor de onderzoekskosten. Is hij daartoe niet bereid dan zal geen onderzoek kunnen plaatsvinden, althans niet op kosten van de rechtspersoon. Dat op deze wijze een doorkruising van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de OK kan plaatsvinden, is mijns inziens niet onoverkoombaar. Nadat een vennootschap failliet is verklaard, is de primaire functie van een enquête niet langer de sanering en het herstel van de gezonde verhoudingen binnen de vennootschap. Na faillissement ligt het belang van een enquête vooral bij de opening van zaken en de vaststelling wie verantwoordelijkheid is voor het mogelijk blijkend wanbeleid. Een enquête heeft na faillissement derhalve niet langer primair een reorganisatorisch karakter maar een inquisitoir karakter. Waar vooral de vennootschap baat heeft bij een enquête met een reorganisatorisch karakter, zullen de enquêteverzoekers in faillissementssituaties vooral eigen belangen op het oog hebben. In geval van faillissement is er aldus sprake van een – in de woorden van Timmerman – accentverschuiving in de functie van het enquêterecht.6 Dat enquêteverzoekers na faillissement van de vennootschap niet kunnen afdwingen dat een onderzoek door failliete boedel wordt gefinancierd, lijkt mij dan ook acceptabel. Als de onderzoekskosten wel verplicht een boedelschuld vormen dan komen deze kosten steeds ten laste van de schuldeisers van de failliete vennootschap. Het zou mij vreemd voorkomen dat schuldeisers de kosten van een enquête moeten dragen, wanneer zij deze niet zelf hebben verzocht. De belangen die de curator behoort te behartigen, vallen immers niet noodzakelijkerwijs samen met de belangen van diegenen die bevoegd zijn een verzoek als bedoeld in art. 2:345 BW te doen.
Is de curator niet bereid de onderzoekskosten voor rekening van de boedel te brengen, dan is financiering door de enquêteverzoekers het alternatief. Zij zullen zich daartoe vrijwillig bereid moeten verklaren omdat art. 2:350 lid 3 BW niet voorziet in de mogelijkheid een ander dan de rechtspersoon in de kosten te veroordelen.7 De verzoekers kunnen die kosten later eventueel verhalen op degenen die verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid met een beroep op een redelijke uitleg van art. 2:354 BW.8 Daarnaast kan de curator ingevolge art. 69 Fw door de rechter-commissaris op verzoek van de schuldeisers(commissie) worden bevolen een boedelbijdrage beschikbaar te stellen.9 De rechter-commissaris zal slechts overgaan tot een dergelijk bevel wanneer het belang van de boedel hierbij gebaat is, dat wil zeggen wanneer de te verwachten baten groter zullen zijn dan de te verwachten kosten. Naar mijn verwachting zal de rechter-commissaris niet snel overgaan tot een dergelijk bevel gelet op de vaak hoge kosten van een onderzoek.10
De regel dat de onderzoekskosten geen verplichte boedelschuld vormen, leidt echter uitzondering als de curator het enquêteverzoek zelf indient. Ik laat de minsister aan het woord:
“Dan kom ik nu bij de amendementen van de heer Van der Steur. In onderdeel II van het amendement op stuk nr. 8 staat dat de kosten van het onderzoek boedelschuld zijn als het onderzoek plaatsvindt op verzoek van de curator. Ik vind dat echt overbodig en niet passend in het BW. Die regel volgt gewoon uit de Faillissementswet. Als dit onderdeel in de wet komt, nemen wij dit twee keer in een wet op.”11
Die constatering lijkt mij terecht. Wanneer de curator een enquêteverzoek indient, kan de verplichting tot het betalen van de kosten van het onderzoek worden herleid tot een handeling van de curator.12 In dat geval komen de onderzoekskosten voor rekening van de boedel; een door hem zelf gewenst onderzoek zou anders immers niet van de grond komen.13