L. Jordens-Cotran, Nieuw Marokkaans Familierecht en Nederlands IPR (SDU: Den Haag 2007)
Hof 's-Hertogenbosch, 16-03-2023, nr. 200.295.190, 01
ECLI:NL:GHSHE:2023:878, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
16-03-2023
- Zaaknummer
200.295.190_01
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2023:878, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 16‑03‑2023; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHSHE:2022:4836, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 03‑02‑2022; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2023:1266, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Wetingang
art. 12 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [KEI-Rv]
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2023-0078
Uitspraak 16‑03‑2023
Inhoudsindicatie
De Marokkaanse genoegdoeningscompensatie, de Mout’aa’, die de man bij beëindiging van het huwelijk aan de vrouw moet betalen, is niet als een onderhoudsverplichting in de zin van artikel 1:157 BW te kwalificeren, gelet op het verschil in grondslag en doelstelling van deze financiële verplichtingen. Dat betekent dat het Hof zich bevoegd verklaart om het verzoek van de vrouw om partneralimentatie te beoordelen.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: 200.295.190/01
zaaknummer eerste aanleg: C/01/350244/ FA RK 19428_2
beschikking van de meervoudige kamer van 16 maart 2023
in de zaak in hoger beroep van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. S. Bouddount, voorheen mr. S.A. Ray te Rotterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats],
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.H. Kroon te Eindhoven.
8. De beschikking van 3 februari 2022
Bij die beschikking heeft het hof:
de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 23 maart 2021 vernietigd voor zover het de kinderalimentatie betreft,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie;
partijen in de gelegenheid gesteld om de in rov. 5.10. van die beschikking verlangde schriftelijke informatie te verstrekken en de beslissing op het verzoek omtrent de partneralimentatie voor het overige aangehouden.
9. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
9.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de volgende stukken:
van de zijde van de man:
- de bij V6-formulier van 31 maart 2022 overgelegde brief van 31 maart 2022;
- de bij V6-formulier van 6 mei 2022 overgelegde brief van 6 mei 2022;
- de bij V6-formulier van 17 juni 2022 overgelegde brief van 17 juni 2022;
van de zijde van de vrouw:
- de bij V6-formulier van 30 maart 2022 overgelegde brief van 30 maart 2022 met producties A tot en met E;
- de bij V6-formulier van 2 juni 2022 overgelegde brief met productie F.
9.2.
Op 5 juli 2022 is de man tevens in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 24 juni 2022, uitgesproken onder zaaknummer C/01/380808 / FA RK 22-1440. In die procedure is door de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen bedrag aan kinderalimentatie bepaald. De man heeft daarbij tevens een incidenteel verzoek ingediend tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bij voorraad uitvoerbaar verklaarde bestreden beschikking. Deze zaken zijn ter griffie van het hof geadministreerd onder zaaknummers 200.313.083/01 (de hoofdzaak) en 200.313.083/02 (het schorsingsverzoek). Op het schorsingsverzoek heeft het hof beslist bij beschikking van 22 september 2022; de werking van de beschikking is conform de overeenstemming van partijen gedeeltelijk geschorst.
9.2.1.
De (nieuwe) zaak met zaaknummer 200.313.083/01 betreft aldus de kinderalimentatie. De onderhavige zaak betreft thans alleen nog de partneralimentatie. Op verzoek van de man zal het hof deze zaken gevoegd behandelen. Wel zal in de zaken bij afzonderlijke beschikking worden beslist.
10. De verdere beoordeling
De partneralimentatie (zaaknummer 200.313.083/01)
Bevoegdheid
10.1.
Zoals het hof in de beschikking van 3 februari 2022 (in rov. 5.10) heeft overwogen, ligt ter beoordeling voor de vraag of de Marokkaanse genoegdoeningscompensatie en/of woonkostencompensatie en/of zorgkostencompensatie als (een) onderhoudsverplichting(en) in de zin van artikel 1:157 BW is/zijn te kwalificeren. Als dat zo is, dient het hof de Nederlandse rechter (ook) onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van het inleidende verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie.
10.1.1.
Bij de in rov. 9.1. genoemde stukken hebben partijen zich op verzoek van het hof schriftelijk uitgelaten over de volgende vragen:
I. wat is het doel, aard en de achterliggende gedachte van het recht op genoegdoeningscompensatie; waarin beoogt het te voorzien en hoe is dit geregeld;
II. op welke wijze wordt de genoegdoeningscompensatie berekend en welke factoren, componenten of omstandigheden zijn voor de berekening van de genoegdoeningscompensatie van belang;
III. in hoeverre wordt daarbij ook rekening gehouden met behoefte en draagkracht en zo ja, waaruit blijkt dat;
IV. wat is het doel en de aard van de woonkostencompensatie ten behoeve van de vrouw en de zorgkostencompensatie en hoe is dit geregeld;
V. op welke wijze worden de woonkosten- en zorgkostencompensatie berekend en welke factoren, componenten of omstandigheden zijn voor de berekening ervan van belang;
VI. hoe is de Marokkaanse rechter in zijn beslissing van 12 maart 2020 tot de vaststelling van de daar genoemde bedragen gekomen, met andere woorden hoe is concreet de rekensom geweest die heeft geleid tot het vastgestelde bedrag aan genoegdoeningscompensatie respectievelijk de bedragen aan woonkosten – en zorgkostencompensatie?
10.2.
Het hof overweegt als volgt.
Partijen hebben het hof uitvoerig geïnformeerd en hun standpunt gegeven over doel, aard en wijze van berekening van de door de Marokkaanse rechter vastgestelde genoegdoeningscompensatie, woonkostencompensatie en zorgkostencompensatie. Daaruit, en ook uit eigen onderzoek, leidt het hof af dat Marokko en Nederland elk een geheel eigen stelsel kennen van financiële verplichtingen na echtscheiding. De voornaamste verschillen tussen beide stelsels betreffen de grondslag en doelstelling van die verplichtingen.
10.2.1.
De grondslag voor de alimentatieverplichting als bedoeld in artikel 1:157 BW is de lotsverbondenheid tussen (gewezen) echtgenoten, door de Hoge Raad (HR 9 februari 2001, NJ 2001/216) als volgt omschreven:
“(…) dat de onderhoudsverplichting tussen (gewezen) echtgenoten haar rechtsgrond vindt in de levensgemeenschap zoals die door het huwelijk is geschapen welke gemeenschap in de onderhoudsplicht haar werking behoudt ook al wordt de huwelijksband geslaakt.(…) Het hangt vervolgens van de concrete omstandigheden waarin de echtelieden na de ontbinding van het huwelijk zijn komen te verkeren, af of ten laste van de ene echtgenoot aan de andere daadwerkelijk een onderhoudsbijdrage moet worden toegekend. Daarbij dienen behoefte en draagkracht, mede gerelateerd aan de omstandigheden tijdens het huwelijk, tot maatstaf.”
De doelstelling van de alimentatieverplichting op grond van artikel 1:157 BW is: te voorzien in de (huwelijksgerelateerde) behoefte van de ex-echtgenoot na echtscheiding.
De grondslag en doelstelling van de Marokkaanse mout’aa en overige financiële verplichtingen bij het einde van het huwelijk zijn anders. In deze zaak is het huwelijk van partijen op verzoek van de man door de Marokkaanse rechter ontbonden op de grond duurzame ontwrichting. Op grond van art. 97 van de Mudawanna (Mud) zijn in dat geval de financiële rechten van de vrouw in geval van verstoting (de artt. 83, 84 en 85 Mud.) van overeenkomstige toepassing.Van belang is met name art. 84 Mud, dat luidt als volgt (volgens uitgave Ars Aequi 2004 met vertaling van M.S. Berger):
Art. 84. Datgene waar de vrouw recht op heeft omvat: de uitgestelde bruidsgave indien van toepassing; het levensonderhoud gedurende de wachtperiode; en een schadeloosstelling voor de vaststelling waarvan de huwelijksperiode alsmede de financiële situatie van de echtgenoot in acht worden genomen, de redenen van de verstoting, en de mate van willekeur waarmee de echtgenoot deze heeft doen laten plaatsvinden.
In genoemde wetseditie van de Mudawanna wordt bij art. 84 Mud. opgemerkt:
De schadeloosstelling is een eenmalige uitkering die de man in bepaalde gevallen van verstoting en echtscheiding aan de vrouw verschuldigd is. De bepalingen in de oude wetstekst, en met name na de wijziging van 1993, waren niet eenduidig over wanneer de schadeloosstelling verschuldigd was en hoe de omvang ervan vastgesteld diende te worden (Jordens-Cotran, 2000: 179-182). Ook de nieuwe wet verschaft hierover geen uitsluitsel. In de Marokkaanse rechtspraktijk blijkt met name het motief van belang te zijn dat de man voor de scheiding heeft: naarmate het motief minder valide is, is het bedrag van de schadeloosstelling hoger (Rutten, 2003: 223-24)….
Het hof constateert dat in de bovengenoemde wettelijke bepalingen de behoefte of behoeftigheid van de vrouw niet wordt genoemd als relevante omstandigheid.De genoegdoeningscompensatie is, daarover zijn partijen het eens, in ieder geval oorspronkelijk, bedoeld als smartengeld en schadeloosstelling na verstoting door de man. Dat die oorspronkelijke betekenis in de loop der jaren aan een ontwikkeling onderhevig is geweest waardoor de genoegdoeningscompensatie ‘steeds meer te vergelijken is met een alimentatie aan de vrouw na echtscheiding’ zoals de man heeft aangevoerd, moge zo zijn, maar maakt niet dat de compensatiegedachte daarbij uit beeld is geraakt. Ook volgens de Mudawanna 2004 wordt bij de berekening van de schadeloosstelling (naast de duur van de huwelijksperiode en de financiële situatie van de man) steeds de schuldvraag betrokken. Het feit dat de man of de vrouw een echtscheiding wil bereiken ondanks het ontbreken van iedere aanwijsbare schuld van de andere echtgenoot, heeft invloed op de omvang van de mout’aa (Jordens-Cotran1., a.w. p. 737). Art. 84 Mud. bepaalt expliciet dat de reden van de verstoting (lees voor het onderhavige geval: het verzoek tot echtscheiding wegens duurzame ontwrichting) en de mate van willekeur waarmee de man deze heeft doen plaatsvinden in acht worden genomen. Volgens de onweersproken stelling van de vrouw heeft een vrouw die schuld heeft aan de huwelijksontbinding geen recht op schadeloosstelling.
10.2.2.
De doelstelling van de alimentatieverplichting op grond van artikel 1:157 BW is zoals in 10.2.1. geconstateerd: te voorzien in de (huwelijksgerelateerde) behoefte van de ex-echtgenoot na echtscheiding. Die behoefte is daarom de eerste maatstaf bij de vaststelling van partneralimentatie. Zonder behoefte geen recht op partneralimentatie. Dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van betekenis is bij de toekenning van de genoegdoeningscompensatie naar Marokkaans recht, is het hof niet dan wel onvoldoende gebleken. Het hof kan dit niet zonder meer afleiden uit het gegeven dat volgens de door de man aangehaalde Guide pratique de sociale positie van de vrouw een rol dient te spelen bij de berekening van de genoegdoeningscompensatie. Een toelichting daarop heeft de man niet gegeven. In de Guide pratique wordt op dit punt enkel gesproken over de financiële situatie van de man2.. Zijn stelling dat de behoefte van de vrouw een rol speelt bij de berekening van de genoegdoeningscompensatie heeft de man ook overigens niet, althans onvoldoende onderbouwd. Daarentegen heeft de vrouw onweersproken aangevoerd dat ook een rijke vrouw die veel meer inkomen en vermogen heeft dan haar man, aanspraak kan maken op genoegdoeningscompensatie, waaruit is af te leiden dat als doelstelling niet het voorzien in de behoefte van de vrouw, maar dat de compensatiegedachte leidend is.
10.2.3.
Het hof komt derhalve tot de conclusie dat de Marokkaanse genoegdoeningscompensatie niet op een lijn gesteld kan worden met de partneralimentatie in de zin van art. 1:157 BW.
10.2.4.
Het Marokkaanse recht kent naast de genoegdoeningscompensatie nog de woonkosten- en zorgkostencompensatie. De verplichting tot het betalen van een woonkostencompensatie bestaat enkel gedurende de wachtperiode. De woonkostencompensatie gedurende de wachtperiode van drie maanden, de idda, is gerelateerd aan een eventuele zwangerschap van de vrouw en is daarmee qua doelstelling en tijdsduur dermate specifiek dat die niet als een onderhoudsverplichting in de zin van
art. 1: 157 BW kan worden aangemerkt. De zorgkostencompensatie betreft een voorziening voor de kinderen en is reeds om die reden niet als een vorm van partneralimentatie aan te merken.
10.3.
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de Marokkaanse genoegdoeningscompensatie en/of woonkostencompensatie en/of zorgkostencompensatie niet als (een) onderhoudsverplichting(en) in de zin van artikel 1:157 BW is/zijn te kwalificeren. De uitspraak van de Marokkaanse rechter staat daarom niet in de weg aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om partneralimentatie naar Nederlands recht vast te stellen. Anders dan de man in zijn beroepschrift aanvoert, hoeft dit oordeel niet te betekenen dat hij wordt benadeeld omdat hij nu op ‘twee fronten’ moet betalen. Immers de reeds door de Marokkaanse rechter vastgestelde verplichtingen kunnen bij de vaststelling van de partneralimentatie, zowel bij de bepaling van de (aanvullende) behoefte van de vrouw als bij de bepaling van de draagkracht van de man, (mede) in aanmerking worden genomen.
10.4.
Het hof merkt nog op dat de verhouding tussen partneralimentatie in de zin van artikel 1:157 BW en de genoegdoeningscompensatie en woonkostencompensatie eerder al aan de orde is geweest in de conclusie van AG Vlas van 27 mei 2016 (ECLI:NL:PHR:2012:BV6684, voetnoten weggelaten):
‘Kennelijk heeft het hof bij het begrip partneralimentatie het oog gehad op een periodieke onderhoudsbijdrage zoals in de Nederlandse wet in art. 1:157 BW is opgenomen. Zie in dit verband ook art. 1:402 lid 2 BW, waarin is bepaald dat de rechter bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage tevens bepaalt of de bijdrage wekelijks, maandelijks of driemaandelijks moet worden voldaan. Dat een onderhoudsbijdrage in uitzonderlijke gevallen ook een som ineens kan zijn, doet aan het beginsel van de periodiciteit van onderhoudsbijdragen niet af. Het hof heeft de door de Marokkaanse rechter aan de vrouw toegekende schadeloosstelling (‘Mout’aa’) en de woonkostenvergoeding voor de wachtperiode derhalve niet gekwalificeerd als alimentatie. Hoewel in de literatuur ook wordt bepleit de ‘Mout’aa’ als alimentatie te kwalificeren, valt de door het hof gekozen benadering te billijken.’
Bij beschikking van 9 september 2016 heeft de Hoge Raad daarop overeenkomstig artikel 81 RO geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Gelet op dit oordeel van de Hoge Raad en gelet op al hetgeen in deze procedure ter kennis van het hof is gekomen, ziet het hof geen aanleiding om nu anders te oordelen.
10.5.
Dit alles leidt ertoe dat het hof als Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het (incidentele) verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie.Voor de verdere behandeling zal het hof een nieuwe mondelinge behandeling bepalen, waarbij tevens de kinderalimentatie in de zaak met zaaknummer 200.313.083/01 zal worden besproken.Partijen worden in de gelegenheid gesteld om hun verhinderdata op te geven en verzocht om uiterlijk vier weken voor de mondelinge behandeling hun inkomens- en vermogensgegevens over de jaren 2020 tot en met 2022 (inclusief belastingaangiften en aanslagen) alsmede overige relevante informatie over de periode daarna, en een draagkrachtberekening over te leggen, waarna zij tot uiterlijk veertien dagen voor de mondelinge behandeling desgewenst nog op elkaars stukken kunnen reageren.
11. De beslissing
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep:
verklaart de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw in incidenteel appel tot vaststelling van partneralimentatie;
bepaalt een mondelinge behandeling op een nader door het hof te bepalen dag en tijdstip, waarop:
- het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie wordt behandeld,
- evenals het hoger beroep van de man in de zaak met zaaknummer 200.313.083/01betreffende de kinderalimentatie, zoals genoemd in rechtsoverweging 9.2;
stelt partijen in de gelegenheid uiterlijk binnen twee weken na heden aan de griffie van dit hof verhinderdata op te geven voor de maanden april, mei en juni 2023;
verzoekt partijen om uiterlijk vier weken voor de mondelinge behandeling hun inkomens- en vermogensgegevens en een draagkrachtberekening over te leggen, waarna zij tot uiterlijk veertien dagen voor de mondelinge behandeling desgewenst nog op elkaars stukken kunnen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.C.E. Ackermans-Wijn en E.A.M. Scheij en is op 16 maart 2023 uitgesproken in het openbaar door J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑03‑2023
Guide pratique du code de la famille, pagina 72/73
Uitspraak 03‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Art. 12 Rv en toepassing van HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank). Nu de Marokkaanse beslissing inzake de door de man te betalen kinderalimentatie in Nederland kan worden erkend en ten uitvoer kan worden gelegd, is de Nederlandse rechter onbevoegd kennis te nemen van het inleidende verzoek van de vrouw aangaande de kinderalimentatie.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.295.190/01
zaaknummer rechtbank : C/01/350244/ FA RK 19428_2
beschikking van de meervoudige kamer van 3 februari 2022
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. S. Bouddount, voorheen mr. S.A. Ray te Rotterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.H. Kroon te Eindhoven.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 23 maart 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
De man is op 3 juni 2021 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.
2.2.
De vrouw heeft op 19 juli 2021 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3.
De man heeft op 30 augustus 2021 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de man:
- een journaalbericht van 14 juni 2021 met producties;
- een journaalbericht van 27 juli 2021 met producties;
- een journaalbericht 9 september 2021 met producties 9 t/m 18;
- een journaalbericht 10 september 2021 met producties 19 en 20;
- een journaalbericht 20 september 2021 met bijlage;
- een journaalbericht 20 september 2021 met productie 21,
van de zijde van de vrouw:
- een journaalbericht van 8 september 2021 met producties V t/m XIV;
- een journaalbericht 15 september 2021 met de vertaling van de als productie VI overgelegde stukken.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 20 september 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door zijn toenmalige advocaat mr. Ray, de vrouw bijgestaan door haar advocaat, mr. Kroon. Ook is namens de man mr. S. Bouddount en namens de vrouw mr. El Hannouche verschenen, beiden gespecialiseerd in het Marokkaanse familierecht.
De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.
3. De feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
Partijen zijn op 30 december 2012 in Marokko met elkaar gehuwd op basis van de Koran en de soena.
3.3.
Partijen zijn op 28 mei 2013 te [plaats] met elkaar gehuwd.
3.4.
Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
- -
[minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ;
- -
[minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ;
- -
[minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ,
(hierna ook: de kinderen).
3.5.
Partijen hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.
3.6.
De man heeft op 19 augustus 2019 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank te Marrakesh, Marokko.
3.7.
De vrouw heeft op 5 september 2019 een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. Hiermee is deze procedure ingeleid.
3.8.
De rechtbank te Marrakesh, Marokko, Sector Familierecht, heeft bij beschikking van 12 maart 2020 de echtscheiding uitgesproken van het op 30 december 2012 in Marokko gesloten huwelijk tussen partijen. Bij die beschikking heeft de Marokkaanse rechter voorts, uitvoerbaar bij voorraad bepaald, dat de man aan de vrouw moet voldoen:
- een genoegdoeningscompensatie van 100.000,-- dirham (omgerekend naar de huidige koers is dit circa € 10.000,--);
- een woonkostencompensatie van 5.000,-- dirham (circa € 500,--);
- als kinderalimentatie: 2.000,-- dirham per kind per maand (circa € 200,--);
- een woonkostencompensatie van 400,-- dirham per kind per maand (circa € 40,--);
- een zorgkostencompensatie van 100,-- dirham per kind per maand (circa € 10,--).
De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gegaan (in Marokko). Aldaar heeft zij in hoger beroep, samengevat, verzocht haar rechten te verhogen ‘naar het passend niveau van het werkelijke inkomen van de [man]’ (prod. 16 van de zijde van de vrouw).
3.9.
Bij (tussen)beschikking van 26 juni 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het op 28 mei 2013 in Nederland gesloten huwelijk tussen partijen nietig is.
3.10.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de Marokkaanse beschikking van 12 maart 2020 in Nederland wordt erkend (het hof begrijpt:) voor zover het de echtscheiding betreft.
4. De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang en uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man met ingang van de datum van de bestreden beschikking aan de vrouw moet betalen:
- tot verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) € 557,79 per kind per maand;
- als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) € 1.200,-- per maand tot 21 juli 2021 en € 2.600,-- per maand vanaf 21 juli 2021.
4.2.
De grieven van de man zien op de bevoegdheid van de Nederlandse rechter (grieven 1 en 2) en zijn draagkracht (grief 3).
De man verzoekt te bepalen dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om te oordelen over de kinder- en partneralimentatie.
In het geval het hof zich bevoegd acht om te oordelen over de kinder- en partneralimentatie, verzoekt de man te bepalen dat hij aan de vrouw een bedrag van € 345,-- moet voldoen als bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen en geen draagkracht heeft om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw.
4.2.1.
Het incidenteel verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking is afgesplitst en ter griffie van het hof geadministreerd onder zaaknummer 200.295.190/02. Op dit verzoek heeft het hof bij beschikking van 9 september 2021 afwijzend beslist.
4.3.
De grieven van de vrouw zien op de behoefte van de kinderen, haar (aanvullende) behoefte en de draagkracht van de man.
De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de kinderalimentatie en de partneralimentatie betreft en, opnieuw rechtdoende, de man te veroordelen om bij te dragen:
- -
in de kosten van verzorging van de minderjarige kinderen met € 1.095,-- per maand voor [minderjarige 1] , € 1.095,-- per maand voor [minderjarige 2] en € 1.565,-- per maand voor [minderjarige 3] ;
- -
in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met € 7.052,-- per maand.
4.4.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
5. De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Het hof dient zijn rechtsmacht ten aanzien van de nevenvoorzieningen afzonderlijk te beoordelen (HR 12 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:31). De verzoeken van de vrouw betreffen onderhoudsverplichtingen als bedoeld in artikel 1 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008, hierna Ali-vo), welke verordening een universeel toepassingsgebied kent. Omdat zowel de man, als verweerder, als de vrouw als verzoekster, hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd van de verzoeken kennis te nemen (artikel 3 sub a en b Ali-vo).
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6684).
Erkenning Marokkaanse beslissingen
5.2.
De man verzoekt te bepalen dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om te oordelen over de kinder- en partneralimentatie omdat de rechtbank te Marrakesh hierover al – uitvoerbaar bij voorraad – heeft beslist bij de echtscheidingsbeschikking van 12 maart 2020 en de vrouw bovendien van deze beschikking in hoger beroep is gegaan.
5.3.
Op grond van artikel 12 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan, indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling aanhouden totdat daarin door eerst bedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. Deze regeling beoogt te voorkomen dat er gelijktijdig twee procedures tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp wordt gevoerd.
Of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken van de vrouw is dus ervan afhankelijk of i) de Marokkaanse beslissingen voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar zijn en ii) hetzelfde onderwerp betreffen als waarover de Marokkaanse rechter reeds heeft beslist.
Tussen Nederland en Marokko geldt geen verdrag of verordening waarin de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen is geregeld. De Alimentatieverordening is alleen van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen afkomstig uit een lidstaat van de Europese Unie en dus niet op beslissingen uit Marokko. De erkenning van de Marokkaanse beslissingen in Nederland wordt daarom beheerst door het Nederlandse commune internationaal privaatrecht, te weten artikel 431 Rv.
5.4.
In zijn arrest van 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank), heeft de Hoge Raad de voorwaarden voor de erkenning van buitenlandse beslissingen naar commuun internationaal privaatrecht volgens artikel 431 Rv uiteengezet:
‘3.6.4 In een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.’
5.5.
Het hof is van oordeel dat aan de voorwaarden voor erkenning van de Marokkaanse alimentatiebeslissingen is voldaan. Het hof overweegt daartoe als volgt.
(i) Is de Marokkaanse rechter naar internationale maatstaven bevoegd?
De bevoegdheidsgronden die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar zijn, zijn kenbaar uit internationale verdragen, zoals de Alimentatieverordening. Gekeken naar de bevoegdheidsgronden van de Alimentatieverordening (hoewel hier niet van toepassing bevat deze wel algemeen erkende uitgangspunten waaraan een universele gelding kan worden toegekend), komt de Marokkaanse rechter rechtsmacht toe, omdat de onderhoudsverplichtingen een nevenvoorziening zijn bij echtscheiding en de vrouw in de procedure is verschenen zonder de bevoegdheid van de Marokkaanse rechter te betwisten.
(ii) Voldoet de Marokkaanse procedure aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging?
Uit de Marokkaanse beschikking blijkt dat de vrouw is opgeroepen, dat zij in de procedure is vertegenwoordigd door een advocaat en dat deze het standpunt van de vrouw naar voren heeft gebracht. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat de rechtspleging in Marokko met onvoldoende waarborgen was/is omkleed.
(iii) Is de erkenning van de Marokkaanse beslissingen in strijd met de Nederlandse openbare orde?
Niet gebleken is dat de erkenning van de Marokkaanse beslissingen op het punt van de alimentatie in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Ingevolge artikel 10:6 BW is van strijd met de openbare orde pas sprake indien het buitenlandse rechtsfeit in strijd is met materieelrechtelijke beginselen van juridische, sociale en morele aard, die in onze rechtsgemeenschap voor fundamenteel worden gehouden. Het enkele feit dat het in het buitenland toegepaste recht afwijkt van of niet identiek is aan het Nederlandse recht betekent niet dat sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde. Hetgeen van de zijde van de vrouw is aangevoerd, namelijk dat naar Marokkaans recht alleen de man (en dus niet de vrouw) een onderhoudsverplichting kan worden opgelegd, raakt niet aan de beslissing van de Marokkaanse rechter, omdat het hier enkel gaat om de alimentatieverplichting van de man.
(iv) Zijn de Marokkaanse beslissingen onverenigbaar met een eerdere tussen partijen gegeven alimentatiebeslissing?
Van strijdigheid met een eerdere alimentatiebeslissing tussen partijen kan geen sprake zijn omdat de alimentatie voor het eerst onderdeel was van een procedure tussen partijen.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat de Marokkaanse beslissingen vatbaar zijn voor erkenning in Nederland. Dit betekent dat de vrouw een vordering ex artikel 431 lid 2 Rv kan instellen om een in Nederland vatbare titel te verwerven. Toewijzing van die vordering stuit niet af op het feit dat van deze beslissingen (in Marokko) hoger beroep is ingesteld. De Marokkaanse beslissingen zijn immers uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Omdat de waardering van de voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging ten aanzien van de beslissingen in hoger beroep niet anders zal zijn als hiervoor weergegeven – gebleken is dat ook in hoger beroep beide partijen zijn opgeroepen en de vrouw heeft verklaard dat zij zich in hoger beroep zal laten vertegenwoordigen door haar advocaat – zullen ook deze beslissingen te zijner tijd in Nederland kunnen worden erkend en ten uitvoer gelegd door het voeren van een artikel 431 lid 2 Rv procedure.
5.7.
De vraag die vervolgens voorligt is of de beslissingen van de rechtbank te Marrakesh de kinder- en partneralimentatie betreffen. Immers indien dat het geval is, is de Nederlandse rechter onbevoegd kennis te nemen van de inleidende verzoeken dan de vrouw.
De kinderalimentatie
5.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Marokkaanse rechter een beslissing over de kinderalimentatie heeft genomen. Nu die Marokkaanse beslissing in Nederland kan worden erkend en ten uitvoer kan worden gelegd, is de Nederlandse rechter onbevoegd kennis te nemen van het inleidende verzoek van de vrouw aangaande de kinderalimentatie. Gesteld noch gebleken is dat het verzoek van de vrouw als een wijzigingsverzoek is aan te merken. Het hof zal de bestreden beschikking daarom vernietigen voor zover het de kinderalimentatie betreft en de Nederlandse rechter onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het inleidende verzoek van de vrouw tot vaststelling van de kinderalimentatie.
De partneralimentatie
5.9.
Partijen zijn het niet eens over de vraag of de Marokkaanse rechter ook reeds een beslissing over de partneralimentatie heeft genomen. De man betoogt dat dit wel het geval is en dat hij ernstig benadeeld zou worden als hij op ‘twee fronten’ zou moeten betalen. De vrouw betoogt dat er in Marokko geen beslissing over de partneralimentatie is genomen omdat het Marokkaanse recht ‘geen partneralimentatie kent zoals bedoeld in artikel 1:157 BW’. Volgens haar is de door de Marokkaanse rechter opgelegde genoegdoeningscompensatie geen partneralimentatie, maar een eenmalig bedrag van, omgerekend € 11.250,-- dat in geen enkele verhouding staat tot het bedrag dat zij in de onderhavige zaak (in Nederland) aan partneralimentatie heeft verzocht. Het opgelegde bedrag heeft zij bovendien al moeten aanwenden om de kosten van de procedure in Marokko te betalen.
Over de aard van de ook door de Marokkaanse rechter vastgestelde woonkosten- en zorgkostencompensatie hebben partijen zich niet uitgelaten.
5.10.
Ter beoordeling ligt derhalve voor de vraag of de Marokkaanse genoegdoeningscompensatie en/of woonkostencompensatie en/of zorgkostencompensatie als (een) onderhoudsverplichting(en) jegens de vrouw is te kwalificeren. Als dat zo is, dient het hof de Nederlandse rechter ook ten aanzien van het inleidende verzoek om partneralimentatie onbevoegd te verklaren.
Ter beantwoording van die vraag heeft het hof behoefte aan nadere informatie over de aard en wijze van berekening van de genoegdoeningscompensatie en tevens over de aard en wijze ven berekening van de woonkostencompensatie en de zorgkostencompensatie. Partijen dienen zich daarom schriftelijk en gemotiveerd uit te laten over de volgende vragen:
I. wat is het doel, aard en de achterliggende gedachte van het recht op genoegdoeningscompensatie; waarin beoogt het te voorzien en hoe is dit geregeld;
II. op welke wijze wordt de genoegdoeningscompensatie berekend en welke factoren, componenten of omstandigheden zijn voor de berekening van de genoegdoeningscompensatie van belang;
III. in hoeverre wordt daarbij ook rekening gehouden met behoefte en draagkracht en zo ja, waaruit blijkt dat;
IV. wat is het doel en de aard van de woonkostencompensatie ten behoeve van de vrouw en de zorgkostencompensatie en hoe is dit geregeld;
V. op welke wijze worden de woonkosten- en zorgkostencompensatie berekend en welke factoren, componenten of omstandigheden zijn voor de berekening ervan van belang;
VI. hoe is de Marokkaanse rechter in zijn beslissing van 12 maart 2020 tot de vaststelling van de daar genoemde bedragen gekomen, met andere woorden hoe is concreet de rekensom geweest die heeft geleid tot het vastgestelde bedrag aan genoegdoeningscompensatie respectievelijk de bedragen aan woonkosten – en zorgkostencompensatie?
5.11.
Nadat partijen zich hebben uitgelaten, zullen zij in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk op elkaars standpunten te reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6. De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.
7. De beslissing
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 23 maart 2021, voor zover het de kinderalimentatie betreft;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om kennis te nemen van het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie;
stelt partijen in de gelegenheid om binnen 4 weken na heden de in rov. 5.10. verlangde schriftelijke informatie te verstrekken;
stelt partijen vervolgens in de gelegenheid om binnen 4 weken daarna op elkaars stukken te reageren;
houdt iedere verdere beslissing omtrent de partneralimentatie aan tot PRO FORMA 31 maart 2022.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.C.E. Ackermans-Wijn en E.A.M. Scheij en is op 3 februari 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.