Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/57.1
57.1 Inleiding
mr. C.W.C.A. Bruggeman, mr. T.J. Poppema, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. C.W.C.A. Bruggeman, mr. T.J. Poppema
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Thans op grond van de Participatiewet, vóór 1 januari 2015 op grond van de Wet werk en bijstand.
Denk bij ‘bestuursorgaan’ aan een college van burgemeester en wethouders, een dagelijks bestuur van een publiekrechtelijke samenwerkingsverband (op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen) of de Sociale verzekeringsbank (hierna: het bijstandverlenend orgaan).
Ook wel enigszins eufemistisch geduid als de ‘vereenvoudigde afdoening’ van een aanvraag.
Zie in algemene zin over de toepassing van artikel 4:5 van de Awb: R. Stijnen, ‘Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht – Het buiten behandeling stellen van de aanvraag’, JBplus 2002/4, p. 90-103.
Deze bundel is samengesteld ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vanzelfsprekend ziet de Awb dus op het gehele bestuursrecht, waarvan deze bundel ook blijk geeft. Niettemin zijn er Awb-gerelateerde thema’s die vooral in één bepaald materieel domein tot uiting komen. Als dat specifieke domein dan ook nog eens veel burgers raakt en voorts – in het verlengde daarvan – voor de juridische praktijk van groot belang is, dan is er alle reden om dat thema te behandelen, ondanks de mate van specificiteit. Zo’n thema is naar onze mening de buitenbehandelingstelling van een bijstandsaanvraag op grond van de Participatiewet.
Bestuursorganen zijn voor een zorgvuldige voorbereiding van veel beslissingen op aanvragen in meer of minder sterke mate afhankelijk van de door de aanvrager aan te leveren informatie. Die gegevensverkrijging wordt uitgewerkt in hoofdstuk 4 van de Awb. Als pogingen tot verkrijging van de noodzakelijke informatie onvoldoende resultaat opleveren, biedt artikel 4:5 van de Awb een ontsnappingsroute. Het bestuursorgaan dat vindt dat er onvoldoende informatie is verstrekt om een goede beslissing te kunnen nemen, kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Anders gezegd, het bestuursorgaan kan besluiten om geen inhoudelijke beslissing te nemen op de aanvraag. Een dergelijk besluit wijkt af van een afwijzing, omdat er bij de afwijzing van een aanvraag een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden en bij de buitenbehandelingstelling niet. In beide gevallen staat de aanvrager met lege handen, maar de consequenties voor de aanvrager verschillen. Een afwijzing kan in bezwaar en beroep materieel nog worden gecorrigeerd, een buitenbehandelingstelling niet. Daarover later meer.
Bij aanvragen om bijstand ter voorziening in de kosten van levensonderhoud1 wordt vaak een grote verscheidenheid aan stukken opgevraagd door het bestuursorgaan.2 Als een klein deel van daarvan niet wordt ingeleverd, dan is het schering en inslag dat dit leidt tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag3 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.4 Met een licht gevoel voor dramatiek zou dan ook gesteld kunnen worden dat deze bepaling bij gemeentelijke sociale diensten het populairste artikel uit de hele Awb is. Om te kunnen vaststellen of iemand recht heeft op bijstand, is het veelal inderdaad noodzakelijk dat de aanvrager de gemeente voorziet van informatie over (met name) zijn financiële situatie. De hoofdvraag in het wettelijke stelsel – kan iemand nog zelf in het onderhoud voorzien?5 – mag op basis van een steeds verder uitdijend jurisprudentieel stelsel worden geoperationaliseerd via allerlei deelvragen omtrent de financiële positie (vragen over geldstromen, bankrekeningen, giften/schenkingen, bijdragen in natura, enz.) Dat is begrijpelijk, maar is de hoofdvraag daardoor in de loop van de tijd niet verdrongen? En, misschien nog belangrijker: wordt hier met enige redelijkheid mee omgegaan? Volgens ons wringt juist daar nogal eens de schoen. Bij gebrek aan overlegging van één of enkele opgevraagde stukken volgt namelijk nogal snel een buitenbehandelingstelling. Dat is een vergaande reactie, nu het gaat om de verkrijging van een inkomen om mee in het levensonderhoud te kunnen voorzien. De bijstand is immers het sluitstuk van de sociale zekerheid.
Dat leidt ons tot de vraag of artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb wellicht te lichtzinnig wordt ingezet in het bijstandsdomein? En zo ja: wat kan daaraan worden gedaan? Concreet gaat het om de volgende deelvragen:
Zetten bestuursorganen de bevoegdheid van artikel 4:5, eerste lid, aanhef onder c, van de Awb te gemakkelijk in?
Zo ja, is de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: Raad) misschien te soepel voor bestuursorganen?
Zo ja, kan een wetswijziging daarin een nuttige stap zijn ter verbetering zijn?