Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/4.1.1
4.1.1 Octrooirecht
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS464027:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de woorden van Lyon-Caen tijdens het internationale industriële-eigendomscongres te Parijs in 1878: 'C'est dans l'intérêt de l'industrie nationale qu'il faut accorder une protection aux inventeurs, afm de les attirer en plus grand nombre dans le pays.' (in: Comptes rendus Congrès 1878, p. 135). Zie ook Osterrieth & Axster 1903, p. 33; Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 8.
Zie Ladas 1975, p. 6 (vgl. ook de aldaar genoemde Venetiaanse regeling van 1474). Over de geschiedenis van het octrooirecht, zie ook Huydecoper & Van Nispen 2002, p. 66 e.v.; Gerzon 1986, p. 1 e.v.; Drucker 1924, p. 1 e.v.
Comptes rendus Congrès 1878, p. 721 (toelichting van het uitvoerend comité van de Permanente Internationale Commissie van het internationale congres van 1878 bij zijn voorontwerp voor een internationale unie voor de bescherming van industriële eigendom); Osterrieth & Axster 1903, p. 33; Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 7-8; Ladas 1975, p. 27. Zie voorts bijvoorbeeld de overzichten in Pataille & Huguet 1865; Klostermann 1876; Recueil général (propriété industrielle). Een duidelijk voorbeeld is te vinden in art. 27 en 28 van de Franse octrooiwet van 5 juli 1844 (Pataille & Huguet 1865, p. 25; zie alinea 338 hierna). Uiteraard treft men hier en daar wel ergens een afwijkende regeling aan, zoals bijvoorbeeld in de Pruisische regeling van 14 oktober 1815, zie daarover Pataille & Huguet 1865, p. 291. De latere Duitse octrooiwet van 25 mei 1877 ging daarentegen uit van nationale behandeling (Grothe 1877, p. 70-71; Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 8). Anno 1878 stelde Lyon-Caen tijdens het internationale industriële-eigendomscongres te Parijs vast dat voor het octrooirecht in alle landen het beginsel van nationale behandeling onvoorwaardelijk gold (Comptes rendus Congrès 1878, p. 134).
Het materiële octrooirecht bevatte doorgaans niet veel vreemdelingenrechtelijke discriminatie. Gebruikelijk was wel de eis dat vreemdelingen, voor zover zij in den vreemde woonden, een nationale octrooigemachtigde moesten aanwijzen, opdat een lokaal aanspreekpunt voorhanden was. Zie Ladas 1975, p. 33. Voorts werd meestal een materiële-reciprociteitsuitzondering gemaakt voor de beschermingsduur, zie alinea 338 hierna.
Zie nader Ladas 1975, p. 20-28.
Ladas 1975, p. 22-23 en p. 26.
Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 8; Ladas 1975, p. 25-27. Deze verplichting diende om de nationale economie en werkgelegenheid te bevorderen. In dat licht moet ook het verbod (in art. 32 lid 3 van de Franse octrooiwet van 5 juli 1844, zie Pataille & Huguet 1865, p. 25-26) worden gezien om goederen te importeren die in den vreemde zijn geproduceerd met toepassing van de uitvinding, zulks op straffe van verval van het octrooirecht (vgl. art. 5A lid 1 van het huidige Verdrag van Parijs).
Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 8.
In sommige landen betrof de uitzondering niet alleen de beschermingsduur, maar ook de geldigheid van octrooi. Zie Bozérian 1877, p. 217-219; Ladas 1975, p. 27-28.
Vgl. Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 12.
Zie ook noot 16 van dit hoofdstuk 4.
Zie par. 2.1.
Het oudste octrooirechtelijke verdrag lijkt pas van 3 december 1876 te zijn: het verdrag tussen Oostenrijk/ Hongarije en Liechtenstein, welk verdrag overigens van gering belang was; tekst in Recueil des traités (propriété industrielle) 1904, p. 135 en p. 707. Ook in de relatie Oostenrijk/Hongarije en Duitsland was sprake van octrooirechtelijke regelingen; Ladas 1975, p. 45-46 en p. 53 maakt melding van een verdrag van 23 mei 1881, waarin reeds sprake was van een prioriteitsrecht (Ladas 1930, p. 57 en p. 67; Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 12), Renault vermeldt een verdrag van 16 december 1878 tussen deze landen (Recueil des traités (propriété industrielle) 1904, p. 14), dat werd hernieuwd op 6 december 1891 (Recueil des traités (propriété industrielle) 1904, p. 87). Voorts maken Pelletier & Vidal-Naquet 1902, p. 4-5 nog melding van een (handels)verdrag tussen Frankrijk en Mexico van 27 november 1886 met een bepaling over (onder meer) octrooirecht, zie Recueil des traités (propriété industrielle) 1904, p. 192. Zie voorts het Duits-Zwitserse verdrag van 13 april 1892 in Recueil général (propriété industrielle), Tome W, 1901, p. 671.
Dat vertrekpunt lag bovendien in de nationale wetten, en niet op een verdragsrechtelijk plan.
336. Onvoorwaardelijke nationale behandeling. In het octrooirecht was de overheersende gedachte dat het belang van de nationale industrie het best is gediend wanneer óók aan vreemde uitvinders bescherming wordt verleend, opdat zoveel mogelijk kennis wordt aangetrokken waarmee de nationale industrie kan worden gevoed.1 Dat levert immers (technische) vooruitgang en werkgelegenheid op. Vanuit die gedachte is nationale behandeling in het octrooirecht daarom van meet af aan het uitgangspunt geweest. Octrooien werden óók aan vreemdelingen verleend, en de pre-Savigniaanse nationale octrooiwetten waren, zonder voorwaarde van reciprociteit, in de regel gelijkelijk óók op vreemdelingen toepasselijk. Dat gold reeds voor een van de eerste moderne octrooiwetten, het Engelse `Statute of Monopolies' van 1623.2 En dat uitgangspunt gold ook in vrijwel alle andere landen met een octrooiwet: het was ofwel uitdrukkelijk vastgelegd in de wet, ofwel ontwikkeld in de jurisprudentie.3 Anders dan in het auteursrecht was in het octrooirecht dus geen sprake van een discriminerende afbakening van het toepassingsbereik van de nationale wet, of van een beperking van de rechtsbevoegdheid van vreemdelingen. Een toestand van rechteloosheid c.q. een rechtsvacuüm deed zich hier niet voor. Alom gold eenzijdig en onvoorwaardelijk het beginsel van nationale behandeling.
337. Materieelrechtelijke valkuilen. Toch was de positie van de vreemde uitvinder niet rooskleurig. Zeker, hij trof in de regel geen vreemdelingenrechtelijke of conflictenrechtelijke valkuilen op zijn pad: hij was rechtsbevoegd, en de formeel-en materieelterritoriaal toepasselijke octrooiwet was gelijkelijk te zijnen aanzien toepasselijk.4 De valkuilen waarin zijn bescherming wegviel, lagen niet zozeer op het vlak van de rechtsbevoegdheid of het conflictenrecht, maar eerder op materieelrechtelijk vlak. Het materiële octrooirecht, zoals dat gelijkelijk ook voor nationale uitvinders gold, kende een aantal vereisten die in de praktijk voor vreemde uitvinders nadelig uitpakten.5 Dat gold bijvoorbeeld voor de vele, per land verschillende strenge formaliteiten, alsook voor de hoge kosten en instandhoudingstaksen. Ook zeer nadelig was de eis dat de uitvinding nieuw moest zijn: het indienen van een octrooiaanvrage in het ene land kon in het andere land al nieuwheidsschadelijk zijn.6 Een prioriteitsrecht bestond nog niet. Fnuikend was vaak ook de verplichting om de uitvinding te exploiteren op het nationale territoir, zulks op straffe van verval van het octrooi. Die verplichting vormde een struikelblok voor vreemde uitvinders omdat vaak binnen een zeer korte periode aan die verplichting moest worden voldaan, en het voor vreemdelingen vrijwel onhaalbaar was om in die periode een dergelijke industrie op touw te zetten — zeker als het om meerdere landen ging.7 Gezegd werd wel dat deze valkuil in werkelijkheid was aangelegd om — nu de kennis eenmaal was binnengehaald — het octrooi van de vreemdeling zo snel mogelijk onderuit te kunnen trekken opdat de uitvinding gratis kon worden geëxploiteerd door de nationale industrie.8
338. Materiële-reciprociteitsuitzondering. Wie het, ondanks alle belemmeringen, gelukt was om in een of meerdere landen een octrooi voor zijn uitvinding te verkrijgen, zag zich ten slotte in vrijwel elk land nog geconfronteerd met een materiële-reciprociteitsuitzondering op het beginsel van nationale behandeling. Deze uitzondering had betrekking op octrooien voor uitvindingen waarvoor elders ook al een octrooi was verleend (dit werden soms ook wel 'octrooien van invoer' (`brevets d'importation') genoemd). De materiële-reciprociteitsuitzondering hield in dat de beschermingsduur van zo'n octrooi de beschermingsduur van het eerdere, vreemde octrooi niet overschrijdt.9 Op dat punt werd de bescherming door het toepasselijke materiële recht dus bijgesteld naar een inferieur niveau van een vreemde wet. Daarmee werd een uitzondering gemaakt op de vreemdelingenrechtelijke component van het beginsel van nationale behandeling, het non-discriminatiebeginsel. Vreemde uitvindingen (dat wil zeggen: reeds in den vreemde geoctrooieerde uitvindingen) worden immers achtergesteld. Zo bijvoorbeeld artikel 29 van de Franse octrooiwet van 1844:
"27. Les étrangers pourront obtenir, en France, des brevets d'invention.
28. Les formalités et conditions déterminées par la présente loi seront applicables aux brevets demandés ou délivrés en exécution de l'article précédent.
29. L'auteur d'une invention ou découverte déjà brevetée à l'étranger pourra obtenir un brevet en France. Mais la durée de ce brevet ne pourra excéder celle des brevets antérieurement pris à l'étranger." 10
339. Bilaterale verdragen. Het uitgangspunt in de nationale octrooiwetten was evenwel, als gezegd, het beginsel van nationale behandeling, dat eenzijdig en zonder voorwaarden werd afgekondigd. Dit uitgangspunt was algemeen aanvaard. Dat lijkt ook de reden te zijn waarom in de negentiende eeuw vrijwel geen bilaterale octrooirechtelijke verdragen zijn gesloten: de toestand van rechteloosheid deed zich niet voor, nationale behandeling was overal al gegarandeerd, zodat de behoefte aan verdragen ontbrak.11 Natuurlijk was het mogelijk geweest om verdragen te sluiten om materieelrechtelijke valkuilen te dichten, bijvoorbeeld door de invoering van een prioriteitsrecht. Maar die stap, die een aanpassing van het interne octrooirecht zou vergen, werd waarschijnlijk een brug te ver gevonden.12 Voor zover bekend zijn er slechts enkele octrooirechtelijke verdragen in de negentiende eeuw gesloten — terwijl in die tijd in de auteursrechtelijke hoek (en ook in de merkenrechtelijke hoek) een uitgebreid web van internationale regelingen werd gesponnen.13 Bovendien zijn deze octrooirechtelijke regelingen van relatief late datum.14
340. Ontwikkelingsstadia. In het octrooirecht maakte het beginsel van nationale behandeling dus een iets andere ontwikkeling door dan in het auteursrecht: het hiervoor in par. 3.4.4 geschetste eerste stadium in de ontwikkelingsgang van het beginsel van nationale behandeling deed zich in het octrooirecht niet voor. De negentiende-eeuwse nationale octrooiwetten kenden immers al van meet af aan een eenzijdig en onvoorwaardelijk beginsel van nationale behandeling. In het octrooirecht lag het vertrekpunt in het tweede stadium, het stadium van het onvoorwaardelijke beginsel van nationale behandeling met materiële-reciprociteitsuitzonderingen — waarbij doorgaans zelfs maar één zo'n uitzondering werd gemaakt (namelijk voor de beschermingsduur).15