Procestaal: Duits.
HvJ EU, 22-10-2015, nr. C-20/14
ECLI:EU:C:2015:714
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
22-10-2015
- Magistraten
A. Tizzano, F. Biltgen, A. Borg Barthet, E. Levits, M. Berger
- Zaaknummer
C-20/14
- Conclusie
P. Mengozzi
- Roepnaam
BGW Beratungs-Gesellschaft Wirtschaft/Bodo Scholz
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2015:714, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑10‑2015
ECLI:EU:C:2015:167, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑03‑2015
Uitspraak 22‑10‑2015
A. Tizzano, F. Biltgen, A. Borg Barthet, E. Levits, M. Berger
Partij(en)
In zaak C-20/14,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundespatentgericht (federaal octrooigerecht, Duitsland) bij beslissing van 25 april 2013, ingekomen bij het Hof op 17 januari 2014, in de procedure
BGW Beratungs-Gesellschaft Wirtschaft mbH, voorheen BGW Marketing- & Management-Service GmbH
tegen
Bodo Scholz,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, F. Biltgen, A. Borg Barthet (rapporteur), E. Levits en M. Berger, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun en F.W. Bulst als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 maart 2015,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 299, blz. 25).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BGW Beratungs-Gesellschaft Wirtschaft mbH, voorheen BGW Marketings- & Management-Service GmbH (hierna ‘BGW’), en B. Scholtz over het woordmerk BGW Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 3 van richtlijn 2008/95, met als opschrift ‘Gronden voor weigering of nietigheid’, bepaalt in lid 1, onder b) en c):
- ‘1.
Niet ingeschreven worden of, indien ingeschreven, nietig verklaard kunnen worden:
[…]
- b)
handelsmerken die elk onderscheidend vermogen missen;
- c)
merken die uitsluitend bestaan uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst of het tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten;
[…]’
4
Artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Aanvullende gronden van weigering of nietigheid betreffende strijd met oudere rechten’, bepaalt in lid 1, onder b):
- ‘1.
Een handelsmerk wordt niet geregistreerd of kan in geval van registratie nietig worden verklaard:
[…]
- b)
wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met een ander merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende de mogelijkheid van associatie met het oudere merk.’
Duits recht
5
§ 9, lid 1, van de merkenwet (Markengesetz) van 25 oktober 1994 (BGB1. I blz. 3082; 1995 I blz. 156; 1996 I, blz. 682) luidt:
‘Een ingeschreven merk kan nietig worden verklaard,
[…]
- 2.
wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met een aangevraagd of ingeschreven merk met een eerdere datum van voorrang en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende de mogelijkheid van associatie met het oudere merk […]’
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
6
Het woordmerk BGW Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft (hierna: ‘jonger merk’) is op 11 december 2006 onder nr. 306 33 835 ingeschreven bij het Duitse merken- en octrooibureau (Deutsches Patent- und Markenamt) met name voor waren en diensten van de klassen 16, 35, 41 en 43 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Deze waren en diensten zijn als volgt omschreven:
‘Klasse 16: Drukwerken;
Klasse 35: Reclame; beheer van commerciële zaken; zakelijke administratie; administratieve diensten; professionele advisering op zakelijk gebied; advisering voor bedrijfsorganisatie; advisering voor bedrijfsleiding; organisatie van tentoonstellingen en beurzen voor commerciële doeleinden en reclame; public relations;
Klasse 41: Opvoeding, opleiding, ontspanning; sportieve en culturele activiteiten; organisatie van tentoonstellingen voor culturele of educatieve doeleinden; diensten op het gebied van vrijetijdsbesteding; exploitatie van gezondheidsclubs; het organiseren en houden van colloquia; het organiseren en houden van conferenties, congressen en symposia; exploitatie van sportaccommodaties; verhuur van sportartikelen; gymnastiekonderwijs; het organiseren en houden van seminars, workshops, lezingen, gespreksronden en cursussen; advisering met betrekking tot vrijetijdsbesteding; het organiseren en houden van opleidings- en bijscholingsbijeenkomsten; informatiediensten voor gasten in kuuroorden over sportieve en culturele evenementen; advisering over kuren;
Klasse 43: Diensten met betrekking tot restauratie (het verstrekken van voedsel en dranken) en tijdelijke huisvesting van gasten; reservatie en bemiddeling bij accommodatie voor gasten, inzonderheid voor gasten van een kuuroord; bejaardentehuizen; vakantiekampen.’
7
BGW stelde oppositie in tegen deze inschrijving op basis van het hierna afgebeelde Duitse woord- en beeldmerk nr. 304 06 837 (hierna: ‘ouder merk’):

8
Het oudere merk is sinds 21 juli 2004 ingeschreven voor waren en diensten van de klassen 16, 35 en 41 in de zin van de Overeenkomst van Nice. Deze waren en diensten als volgt omschreven:
‘Klasse 16: Papier, karton en hieruit vervaardigde producten, voor zover niet begrepen in andere klassen; drukwerken; boekbinderswaren; foto's; schrijfbehoeften; kleefstoffen voor kantoor- en huishoudelijk gebruik; materiaal voor kunstenaars; penselen; schrijfmachines en kantoorartikelen (uitgezonderd meubels); leermiddelen en onderwijsmateriaal (uitgezonderd toestellen); verpakkingsmateriaal van plastic, voor zover niet begrepen in andere klassen;
Klasse 35: Reclame; beheer van commerciële zaken; zakelijke administratie; administratieve diensten;
Klasse 41: Opvoeding, opleiding, ontspanning; sportieve en culturele activiteiten; publicatie en uitgave van kranten, tijdschriften en boeken; uitgave van teksten; organisatie van beurzen en tentoonstellingen voor ontspannende, culturele en sportieve doeleinden; filmproductie, filmverhuur; verhuur van videocamera's, geluidsopnamen, televisie- en radiotoestellen; afstandsonderwijs; het organiseren en houden van conferenties, congressen en symposia; onlinepublicatie van elektronische boeken en tijdschriften; ontspanning via de radio; het organiseren en houden van seminars en workshops; vertaaldiensten; onderwijs en opvoeding; het organiseren en houden van colloquia; het schrijven van scenario's; videofilmproductie; organisatie van wedstrijden.’
9
Het Duitse merken- en octrooibureau heeft de door BGW ingestelde oppositie bij beslissing van 2 oktober 2009 gedeeltelijk toegewezen en het jongere merk gedeeltelijk nietig verklaard wegens het bestaan van verwarringsgevaar tussen de twee conflicterende merken. Na beroep van de houder van het jongere merk is deze beslissing ingetrokken bij beslissing van 9 januari 2012 op grond dat BGW geen rechtsinstandhoudend gebruik van haar merk had aangetoond.
10
BGW stelde bij het Bundespatentgericht (federaal octrooigerecht) beroep tot vernietiging van deze laatste beslissing in.
11
Deze rechterlijke instantie oordeelt op basis van de talrijke door BGW overgelegde bewijzen dat althans voor ‘drukwerken’ en voor de diensten ‘reclame’, ‘organisatie van seminars’ en ‘organisatie van wedstrijden’, rechtsinstandhoudend gebruik van het oudere merk is aangetoond; deze diensten worden voornamelijk verleend aan ondernemingen in de gezondheidssector, waaronder met name optiekzaken en audiciens. De rechterlijke instantie komt tot de conclusie dat de conflicterende merken betrekking hebben op dezelfde waren en op deel dezelfde en deels soortgelijke diensten.
12
Aangaande de overeenstemming van de merken is de verwijzende rechter van oordeel dat de totaalindruk van het oudere merk alleen wordt gedomineerd door de lettercombinatie ‘BGW’, aangezien het beeldbestanddeel deze combinatie slechts visueel in beeld brengt en fonetisch irrelevant is. Wat het jongere merk betreft, is de verwijzende rechter van oordeel dat de woordcombinatie ‘Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft’ beschrijvend is en onderscheidend vermogen mist, daar het er alleen op wijst dat de betrokken waren en diensten worden geleverd respectievelijk verricht door een landelijk actieve ondernemersvereniging uit de gezondheidssector zonder dat de commerciële herkomst van deze producten en diensten voorts nauwkeurig kan worden geïdentificeerd.
13
Volgens de verwijzende rechter wordt de totaalindruk van het jongere merk ook beheerst door de lettercombinatie ‘BGW’. Het Bundespatentgericht (federaal octrooigerecht) voegt er hoe dan ook aan toe dat deze woordcombinatie, los van de beoordeling ervan, minstens een zelfstandige onderscheidende plaats binnen het jongere merk inneemt in de zin van het arrest Medion (C-120/04, EU:C:2005:594). Het betrokken publiek zal dus bij waarneming van het jongere merk het oudere merk herkennen, met als enig verschil dat het — op zich nietszeggende — letterwoord ‘BGW’ thans door de (beschrijvende) toelichting ‘Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft’ wordt verduidelijkt.
14
Bijgevolg, aldus de verwijzende rechter, die verwijst naar het arrest AMS/BHIM — American Medical Systems (AMS Advanced Medical Services), (T-425/03, EU:T:2007:311), is er uit het oogpunt van het relevante publiek zonder enige twijfel sprake van verwarringsgevaar tussen de conflicterende merken voor de in punt 11 van het onderhavige arrest aangegeven waren en diensten.
15
Een uitspraak in die zin is volgens hem evenwel niet mogelijk wegens het standpunt van het Hof in het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147), waarin het Hof van oordeel was dat artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95 van toepassing is op een woordmerk dat wordt gevormd door nevenschikking van een beschrijvende woordcombinatie en een lettercombinatie die afzonderlijk beschouwd niet-beschrijvend is, wanneer deze lettercombinatie door het relevante publiek wordt waargenomen als de afkorting van deze woordcombinatie doordat deze lettercombinatie uit de beginletters van de woorden van de woordcombinatie bestaat, en het betrokken merk aldus in zijn geheel kan worden opgevat als een combinatie van beschrijvende benamingen of afkortingen, die bijgevolg elk onderscheidend vermogen mist. Voorts brengt de verwijzende rechter in herinnering dat het Hof in punt 38 van dat arrest heeft gepreciseerd dat de lettercombinatie die de beginletter van elk woord van de woordcombinatie herhaalt, slechts ondergeschikt is aan deze woordcombinatie.
16
Derhalve is het uitgesloten om aan een element van een samengesteld merk, in casu de als letterwoord begrepen lettercombinatie ‘BGW’ van het jongere merk, een dominerende of minstens zelfstandige onderscheidende plaats toe te kennen, wanneer dit element in dat merk slechts een ondergeschikte positie inneemt.
17
Dat het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147) absolute gronden voor weigering van inschrijving in de zin van artikel 3 van richtlijn 2008/95 betrof, rechtvaardigt volgens het Bundespatentgericht niet dat anders wordt geoordeeld in het hoofdgeding, waarin de in artikel 4, lid 1, onder b), van deze richtlijn bedoelde aanvullende grond voor weigering speelt, voor zover de waarneming door het publiek van een merk in beginsel niet mag afhangen van de vraag of het gaat om een grond voor weigering van inschrijving in de zin van artikel 3 of artikel 4 van richtlijn 2008/95.
18
Tegen deze achtergrond heeft het Bundespatentgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95 aldus worden uitgelegd dat in geval van dezelfde en soortgelijke waren en diensten gevaar voor verwarring bij het publiek kan worden aanvaard wanneer een lettercombinatie met onderscheidend vermogen en die het dominerende bestanddeel van het oudere woord- of beeldteken met een gemiddeld onderscheidend vermogen vormt, in het jongere woordteken van een derde zo wordt overgenomen dat aan deze lettercombinatie een beschrijvende woordcombinatie wordt toegevoegd die daarop betrekking heeft en die lettercombinatie als afkorting van de beschrijvende woorden verklaart?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
19
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95 aldus moet worden uitgelegd dat er in geval van dezelfde en soortgelijke waren en diensten bij het relevante publiek sprake kan zijn van gevaar voor verwarring van een ouder merk, bestaande uit een lettercombinatie met onderscheidend vermogen die het dominerende bestanddeel van dat merk met een gemiddeld onderscheidend vermogen vormt, met een jonger merk dat die lettercombinatie overneemt met toevoeging van een beschrijvende woordcombinatie die bestaat uit woorden waarvan de beginletters overeenkomen met de letters van de woorden van die combinatie, zodat zij door dat publiek wordt waargenomen als de afkorting van die woordcombinatie.
20
Daar de verwijzende rechter deze vraag stelt wegens de twijfel die bij hem is gerezen over de toepassing van het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147) bij de beoordeling van de overeenstemming van de conflicterende merken in het hoofdgeding, dienen dus in de eerste plaats de strekking en de relevantie van dat arrest te worden onderzocht.
21
De hoofdgedingen die hebben geleid tot het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147), betroffen twee woordmerken: het ene bestond uit het teken ‘Multi Markets Fund MMF’ voor een fonds dat op vele financiële markten investeerde, en het andere bestond uit het teken ‘NAI — Der Natur-Aktien-Index’ voor een beursindex van aandelen van milieuvriendelijke ondernemingen. De verwijzende rechter, die in die zaken de tekens ‘MMF’ en ‘NAI’, afzonderlijk genomen, niet beschrijvend in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95 achtte, vroeg het Hof of de gronden voor weigering in de zin van artikel 3, lid 1, onder b) en/of c), van deze richtlijn van toepassing waren op een woordmerk dat wordt gevormd door nevenschikking van een beschrijvende woordcombinatie en een op zichzelf niet-beschrijvende lettercombinatie, maar die de beginletters van elk van de woorden van deze woordcombinatie herhaalt.
22
Deze zaken vonden dus hun oorsprong in de vraag of een samengesteld merk, bestaande uit een woordcombinatie naast de afkorting ervan, kon worden ingeschreven gelet op artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95 en betroffen niet de beoordeling, zoals in casu, van mogelijk verwarringsgevaar in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van deze richtlijn tussen een ouder merk, bestaande uit een lettercombinatie, en een jonger merk, dat deze lettercombinatie overneemt met nevenschikking van een woordcombinatie,.
23
Ten eerste streven de absolute gronden voor weigering van inschrijving in de zin van artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95 en de relatieve gronden voor weigering in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van deze richtlijn verschillende doelstellingen na en strekken zij tot bescherming van verschillende belangen.
24
Het aan artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95 ten grondslag liggende algemeen belang bestaat erin te verzekeren dat tekens die een of meer kenmerken beschrijven van de waren of diensten waarvoor inschrijving als merk is aangevraagd, door alle marktdeelnemers die dergelijke waren of diensten aanbieden, vrij kunnen worden gebruikt (arrest Strigl en Securvita, C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
Het begrip algemeen belang dat ten grondslag ligt aan artikel 3, lid 1, onder b), van deze richtlijn, valt samen met de wezenlijke functie van het merk, die daarin is gelegen dat aan de consument of de eindverbruiker met betrekking tot de door het merk aangeduide waren of diensten de identiteit van de oorsprong wordt gewaarborgd zodat hij deze zonder gevaar voor verwarring met waren of diensten van andere herkomst kan onderscheiden (zie arrest Eurohypo/BHIM, C-304/06 P, EU:C:2008:261, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
Artikel 4, lid 1, onder b), van de richtlijn strekt daarentegen tot bescherming van de individuele belangen van de houders van oudere merken die in conflict komen met het aangevraagde teken, en waarborgt dus de functie van aanduiding van herkomst van het merk in geval van verwarringsgevaar (zie in die zin arrest Medion, C-120/04, EU:C:2005:594, punten 24 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
De perceptie door het relevante publiek van een teken mag, zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt, weliswaar niet afhangen van de betrokken weigeringsgrond, maar het voor die perceptie te hanteren perspectief varieert naargelang wordt beoordeeld of een teken beschrijvend is dan wel of verwarringsgevaar bestaat.
28
Zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie opmerkte, gaat de aandacht bij de beoordeling of een teken beschrijvend is, uit naar de mentale processen die kunnen leiden tot het leggen van verbanden tussen het teken of de verschillende onderdelen ervan en de betrokken waren en/of diensten, terwijl het onderzoek, bij de beoordeling van het verwarringsgevaar, veeleer betrekking heeft op de processen van memorisatie, herkenning en oproeping van het teken alsook op associatiemechanismen.
29
Ten tweede merkte het Hof in punt 32 van het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147) op dat de drie hoofdletters in elk van de tekens, ‘MMF’ respectievelijk ‘NAI’, de beginletters weergaven van de woorden van de woordcombinaties waarmee ze in nevenschikking staan en dat de woordcombinatie en de lettercombinatie er dus tot strekken in beide gevallen elkaars betekenis te verduidelijken en hun onderling verband te benadrukken. Beide lettercombinaties zijn dus bedacht om de perceptie door het relevante publiek van de woordcombinatie te versterken door het gebruik en het memoriseren ervan te vergemakkelijken.
30
Dienaangaande preciseerde het Hof in de punten 37 en 38 van datzelfde arrest dat de betrokken lettercombinaties, indien zij door het relevante publiek werden opgevat als afkortingen van de woordcombinaties waarmee zij in nevenschikking stonden, niet zwaarder konden wegen dan de som van alle bestanddelen van het merk in zijn geheel, zelfs wanneer zij in se als onderscheidend konden werden beschouwd. Dergelijke lettercombinaties waren daarentegen volgens het Hof slechts ‘ondergeschikt’ aan de woordcombinaties waaraan zij waren nevengeschikt.
31
Uit de rechtsoverwegingen van het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147) volgt dat naargelang van de perceptie van het relevante publiek van de onderlinge afhankelijkheid van de verschillende bestanddelen van het teken alsook van de perceptie van het totaalbeeld ervan per geval moet worden beoordeeld of een teken, bestaande uit een lettercombinatie, nevengeschikt aan een woordcombinatie, krachtens artikel 3 lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95 niet kan worden ingeschreven.
32
Bijgevolg moet de overweging in punt 38 van dat arrest, die de verwijzende rechter aanhaalt, dat de lettercombinatie die de beginletter van de woorden van de woordcombinatie herhaalt, slechts ondergeschikt is aan deze woordcombinatie, in die zin worden gelezen en kan zij niet worden uitgelegd als de uitdrukking van een regel van algemene beoordeling van de ondergeschiktheid van een lettercombinatie die de beginletter van elk woord van de woordcombinatie waaraan zij nevengeschikt is, herhaalt.
33
Deze overweging preciseert met het oog op de toepassing van de weigeringsgronden van artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95 immers slechts dat een lettercombinatie, ook al is zij op zichzelf onderscheidend, beschrijvend kan zijn wanneer zij is overgenomen in een samengesteld merk, waarin zij is gecombineerd met een beschrijvende hoofduitdrukking, waarvan zij wordt waargenomen als de afkorting, hetgeen per geval moet worden vastgesteld.
34
Uit het voorgaande volgt dat, gelet op de verschillende juridische context van de zaken die hebben geleid tot het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147) alsook op de daaraan te geven strekking, de vaststellingen van dat arrest niet kunnen worden toegepast op het hoofdgeding teneinde te beoordelen of de twee conflicterende merken overeenstemmen.
35
In de tweede plaats dient volgens vaste rechtspraak de globale beoordeling van het verwarringsgevaar, wat de visuele, fonetische of begripsmatige overeenstemming van de conflicterende merken betreft, te berusten op de totaalindruk die door de betrokken merken wordt opgeroepen, waarbij in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met de onderscheidende en dominerende bestanddelen ervan. De perceptie van de merken die de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten heeft, speelt een beslissende rol bij de globale beoordeling van dit gevaar. Daarbij neemt de gemiddelde consument een merk gewoonlijk waar als een geheel en let hij niet op de verschillende details ervan (arrest Bimbo/BHIM, C-591/12 P, EU:C:2014:305, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Bij de beoordeling van de overeenstemming van twee merken mag niet slechts één bestanddeel van een samengesteld merk in beschouwing worden betrokken en worden vergeleken met een ander merk. Bij een dergelijke vergelijking dienen de betrokken merken juist elk in hun geheel te worden onderzocht (arresten BHIM/Shaker, C-334/05 P, EU:C:2007:333, punt 41, en Aceites del Sur-Coosur/Koipe, C-498/07 P, EU:C:2009:503, punt 61).
37
In bepaalde omstandigheden kan de totaalindruk die een samengesteld merk bij het relevante publiek nalaat, weliswaar door een of meerdere bestanddelen ervan worden gedomineerd, maar de overeenstemming kan alleen op basis van het dominerende bestanddeel worden beoordeeld, wanneer alle andere bestanddelen van het merk te verwaarlozen zijn (arresten BHIM/Shaker, C-334/05 P, EU:C:2007:333, punten 41 en 42, en Nestlé/BHIM, C-193/06 P, EU:C:2007:539, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Dienaangaande preciseerde het Hof dat bij de beoordeling van de overeenstemming van de conflicterende merken rekening moet worden gehouden met het gemeenschappelijke bestanddeel ervan, al kan het niet worden geacht het totaalbeeld te overheersen, voor zover het op zichzelf het oudere merk vormt en autonoom onderscheidend blijft in het met name uit dit bestanddeel samengestelde merk, waarvan de inschrijving wordt aangevraagd. Ingeval een gemeenschappelijk bestanddeel in het samengestelde teken zelfstandig onderscheidend blijft, kan het door dat teken gegeven totaalbeeld het publiek namelijk ertoe leiden te denken dat de betrokken waren of diensten op zijn minst van economisch verbonden ondernemingen komen, in welk geval van verwarringsgevaar moet worden uitgegaan (arrest Medion, C-120/04, EU:C:2005:594, punten 30 en 36, en beschikking ecoblue/BHIM en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C-23/09 P, EU:C:2010:35, punt 45).
39
Het Hof heeft evenwel ook gepreciseerd dat een bestanddeel van een samengesteld teken een dergelijke zelfstandige onderscheidende plaats niet behoudt indien dit bestanddeel met het andere bestanddeel of de andere bestanddelen van het teken tezamen genomen, een eenheid vormt met een andere betekenis dan die van bedoelde bestanddelen afzonderlijk beschouwd (arrest Bimbo/BHIM, C-591/12 P, EU:C:2014:305, punt 25).
40
Ook dient er, zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie, aan te worden herinnerd dat in beginsel zelfs een element met een gering onderscheidend vermogen de totaalindruk van een samengesteld merk kan domineren of binnen dat merk een zelfstandige onderscheidende plaats kan hebben in de zin van het arrest Medion (C 120/04, EU:C:2005:594) wanneer het, met name wegens de positie ervan in het teken of wegens de omvang ervan, onmiddellijk wordt waargenomen door de consument en bij deze in herinnering blijft.
41
In casu staat het aan de verwijzende rechter om door middel van met name een analyse van de bestanddelen van het jongere merk en van hun relatieve gewicht in de perceptie van het relevante publiek vast te stellen welke totaalindruk het teken waarvan om inschrijving wordt verzocht, bij dat publiek oproept, en om vervolgens, rekening houdend met die totaalindruk en alle relevante factoren van het concrete geval, te beoordelen of sprake is van verwarringsgevaar (arrest Bimbo/BHIM, C-591/12 P, EU:C:2014:305, punt 34).
42
Dat het jongere merk bestaat uit een teken dat de lettercombinatie overneemt die het enige woordbestanddeel van het oudere merk vormt, en een woordcombinatie waarvan de beginletters overeenkomen met de woorden van deze combinatie, kan op zich alleen evenwel niet uitsluiten dat sprake is van gevaar voor verwarring met dat oudere merk.
43
Derhalve zal de verwijzende rechter in de omstandigheden van het hoofdgeding onder andere moeten onderzoeken of het relevante publiek zodanige banden tussen de lettercombinatie en de woordcombinatie kan leggen, met name de mogelijkheid dat de eerste als een afkorting van de tweede wordt waargenomen, dat deze combinatie door het relevante publiek zelfstandig kan worden waargenomen en gememoriseerd in het jongere merk. Zo ook zal hij in voorkomend geval moeten beoordelen of de elementen van het jongere merk, samen genomen, een onderscheiden logische eenheid vormen met een andere betekenis dan de betekenis van deze elementen, afzonderlijk beschouwd.
44
Mitsdien dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95 aldus moet worden uitgelegd dat er in geval van dezelfde en soortgelijke waren en diensten bij het relevante publiek sprake kan zijn van gevaar voor verwarring van een ouder merk, bestaande uit een lettercombinatie met onderscheidend vermogen, die het dominerende bestanddeel van dat merk met een gemiddeld onderscheidend vermogen vormt, met een jonger merk dat die lettercombinatie overneemt met toevoeging van een beschrijvende woordcombinatie die bestaat uit woorden waarvan de beginletters overeenkomen met de letters van de woorden van die combinatie, zodat zij door dat publiek wordt waargenomen als de afkorting van die woordcombinatie.
Kosten
45
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat er in geval van dezelfde en soortgelijke waren en diensten bij het relevante publiek sprake kan zijn van gevaar voor verwarring van een ouder merk, bestaande uit een lettercombinatie met onderscheidend vermogen, die het dominerende bestanddeel van dat merk met een gemiddeld onderscheidend vermogen vormt, met een jonger merk dat die lettercombinatie overneemt met toevoeging van een beschrijvende woordcombinatie die bestaat uit woorden waarvan de beginletters overeenkomen met de letters van de woorden van die combinatie, zodat zij door dat publiek wordt waargenomen als de afkorting van die woordcombinatie.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑10‑2015
Conclusie 12‑03‑2015
P. Mengozzi
Partij(en)
Zaak C-20/141.
BGW Beratungs-Gesellschaft Wirtschaft mbH, voorheen BGW Marketing- & Management-Service GmbH
tegen
Bodo Scholz
[verzoek van het Bundespatentgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG2. en is ingediend in het kader van een geding over de afwijzing van de oppositie die BGW Beratungs-Gesellschaft Wirtschaft mbH, voorheen BGW Marketing- & Management-Service GmbH (hierna: ‘BGW’), had ingesteld tegen de inschrijving door het Deutsche Patent- und Markenamt (Duits octrooi- en merkenbureau; hierna: ‘DPMA’) van het woordmerk ‘BGW Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft’.
I — Toepasselijke bepalingen
2.
Richtlijn 2008/95, die op 28 november 2008 in werking is getreden, heeft richtlijn 89/104/EEG3. gecodificeerd.
3.
Artikel 3 van richtlijn 2008/95, ‘Gronden voor weigering of nietigheid’, bepaalt in lid 1, onder b) en c):
- ‘1.
Niet ingeschreven worden of, indien ingeschreven, nietig verklaard kunnen worden:
[…]
- b)
merken die elk onderscheidend vermogen missen;
- c)
merken die uitsluitend bestaan uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst of het tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten;
[…]’
4.
Artikel 4 van richtlijn 2008/95, met als opschrift ‘Aanvullende gronden van weigering of nietigheid betreffende strijd met oudere rechten’, bepaalt in lid 1, onder a) en b):
- ‘1.
Een merk wordt niet ingeschreven of kan, indien ingeschreven, worden nietig verklaard:
- a)
wanneer het gelijk is aan een ouder merk en wanneer de waren of diensten waarvoor het merk is aangevraagd of ingeschreven, dezelfde zijn als de waren of diensten waarvoor het oudere merk is ingeschreven;
- b)
wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met een ander merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende de mogelijkheid van associatie met het oudere merk.’
II — Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procesverloop voor het Hof
5.
De feiten van het hoofdgeding, zoals deze blijken uit de verwijzingsbeslissing, kunnen worden samengevat als volgt.
6.
Op 11 december 2006 is het woordmerk ‘BGW Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft’ (hierna: ‘jonger merk’) ingeschreven in het register van het DPMA voor waren van de klassen 16, 35, 41 en 43 in de zin van de Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken van 15 juni 1957, zoals herzien en gewijzigd4.. Tegen deze inschrijving is oppositie ingesteld op basis van het volgende Duitse woord- en beeldmerk:

dat sinds 21 juli 2004 voor waren en diensten van de klassen 16, 35 en 41 in de zin van genoemde Overeenkomst van Nice is ingeschreven (hierna: ‘ouder merk’)5..
7.
Bij beslissing van 2 oktober 2009 heeft de merkenafdeling voor klasse 44 van het DPMA, na te hebben vastgesteld dat tussen de conflicterende merken gevaar voor verwarring bestond, het jongere merk gedeeltelijk nietig verklaard en de oppositie afgewezen voor het overige. Op beroep van de houder van het jongere merk heeft de merkenafdeling voor klasse 44 van het DPMA die beslissing bij beslissing van 9 januari 2012 ingetrokken op grond dat geen rechtsinstandhoudend gebruik van het oudere merk was bewezen.
8.
Tegen die beslissing van 9 januari 2012 heeft BGW bij het Bundespatentgericht beroep tot vernietiging ingesteld.
9.
Het Bundespatentgericht oordeelt op basis van de hem door BGW overgelegde bewijzen dat, althans voor ‘drukwerken’ en voor de diensten ‘reclame’, ‘organisatie van seminars’ en ‘organisatie van wedstrijden’, rechtsinstandhoudend gebruik van het oudere merk is aangetoond, aangezien deze diensten voornamelijk worden verleend aan ondernemingen in de gezondheidssector, waaronder met name optiekzaken en audiciens. Het Bundespatentgericht kwam tot de conclusie dat de conflicterende merken betrekking hadden op dezelfde waren — drukwerken — en op deels dezelfde en deels soortgelijke diensten.
10.
Aangaande de overeenstemming van de conflicterende merken is de verwijzende rechter van oordeel dat de totaalindruk van het oudere merk alleen wordt gedomineerd door de lettercombinatie ‘BGW’, aangezien het beeldelement van dat merk visueel onbelangrijk en fonetisch totaal irrelevant is. Ook de totaalindruk van het jongere merk wordt gedomineerd door diezelfde lettercombinatie. De verwijzende rechter oordeelt, onder verwijzing naar rechtspraak van het Bundesgerichtshof, dat de woordcombinatie ‘Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft’ (‘Federaal verbond van de Duitse gezondheidssector’) in het jongere merk beschrijvend is en elk onderscheidend vermogen mist. Volgens de verwijzende rechter geeft die woordcombinatie namelijk enkel aan dat de betrokken waren en diensten door een in het hele land actief verbond van ondernemingen in de gezondheidssector worden geleverd en verstrekt, zonder dat daarbij een nauwkeurige vaststelling van de commerciële herkomst van die waren en diensten mogelijk is. Het Bundespatentgericht is in elk geval van oordeel dat, los van de wijze waarop voormelde woordcombinatie moet worden beoordeeld, moet worden erkend dat de lettercombinatie ‘BGW’ binnen het jongere merk minstens een zelfstandige onderscheidende plaats in de zin van het arrest Medion (C-120/04, EU:C:2005:594) inneemt. Wanneer het relevante publiek dit merk waarneemt op de markt, zal het dan ook het oudere merk herkennen, aangezien het enige verschil daarin bestaat dat het — op zich nietszeggende — letterwoord ‘BGW’ thans door de (beschrijvende) toelichting ‘Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft’ wordt verduidelijkt.
11.
In deze omstandigheden komt de verwijzende rechter, onder verwijzing naar het arrest AMS/BHIM — American Medical Systems (AMS Advanced Medical Services)(T-425/03, EU:T:2007:311), tot de conclusie dat er uit het oogpunt van het relevante publiek zonder enige twijfel sprake is van verwarringsgevaar tussen de conflicterende merken voor de in punt 9 van de onderhavige conclusie aangegeven waren en diensten.
12.
De verwijzende rechter meent dat een uitspraak in die zin echter onmogelijk is ten gevolge van het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147), waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een woordmerk dat wordt gevormd door nevenschikking van een beschrijvende woordcombinatie en een lettercombinatie die afzonderlijk beschouwd niet-beschrijvend is, wanneer deze lettercombinatie door het relevante publiek wordt waargenomen als de afkorting van deze woordcombinatie doordat deze lettercombinatie uit de beginletters van de woorden van de woordcombinatie bestaat, en het betrokken merk aldus in zijn geheel kan worden opgevat als een combinatie van beschrijvende benamingen of afkortingen. Voorts brengt het Bundespatentgericht in herinnering dat in punt 38 van dat arrest is gepreciseerd dat de lettercombinatie die de beginletter van elk woord van de woordcombinatie herhaalt, daarentegen slechts ondergeschikt is aan deze woordcombinatie. Volgens de verwijzende rechter is het uitgesloten om aan een element van een samengesteld merk, in casu de als letterwoord begrepen lettercombinatie ‘BGW’ van het jongere merk, een dominerende of minstens zelfstandige onderscheidende plaats toe te kennen, wanneer dit element in dat merk slechts een ondergeschikte positie inneemt.
13.
De omstandigheid dat het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147) betrekking had op de weigeringsgronden van artikel 3 van richtlijn 2008/95, rechtvaardigt volgens het Bundespatentgericht geen andere beoordeling in het hoofdgeding, waarin het evenwel gaat om de aanvullende weigeringsgrond van artikel 4, lid 1, onder b), van die richtlijn. Volgens het Bundespatentgericht zou dit enkel anders zijn wanneer bij de beoordeling van de totaalindruk van het jongere merk rekening zou mogen worden gehouden met de omstandigheid dat het oudere merk daadwerkelijk op de markt wordt gebruikt, hetgeen het Hof echter met name in de arresten Calvin Klein Trademark Trust/BHIM (C-254/09 P, EU:C:2010:488, punten 53 et 58) en Ferrero/BHIM (C-552/09 P, EU:C:2011:177, punt 58) heeft uitgesloten.
14.
In deze omstandigheden heeft het Bundespatentgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vraag:
‘Moet artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG aldus worden uitgelegd dat in geval van dezelfde en soortgelijke waren en diensten gevaar voor verwarring bij het publiek kan worden aanvaard wanneer een lettercombinatie met onderscheidend vermogen, die het oudere woord- of beeldteken met een gemiddeld onderscheidend vermogen vormt, in het jongere woordteken van een derde zo wordt overgenomen dat aan deze lettercombinatie een beschrijvende woordcombinatie wordt toegevoegd die daarop betrekking heeft en die lettercombinatie als afkorting van de beschrijvende woorden verklaart?’
15.
Enkel de Europese Commissie en de Republiek Polen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Op basis van grotendeels overeenstemmende argumenten geven zij in overweging om de prejudiciële vraag bevestigend te beantwoorden.
III — Beoordeling
16.
Aangezien de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen welke gevolgen moeten worden verbonden aan het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147) om de overeenstemming van de conflicterende merken in het hoofdgeding te beoordelen, dient allereerst kort te worden herinnerd aan de inhoud van dat arrest (ondertitel A), alvorens de strekking van dat arrest en de relevantie ervan voor de beslechting van het hoofdgeding te beoordelen (ondertitel B). Vervolgens zal ik herinneren aan de criteria op basis waarvan de overeenstemming van de conflicterende merken moet worden beoordeeld om in voorkomend geval verwarringsgevaar in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95 vast te stellen (ondertitel C).
A — Arrest Strigl en Securvita
17.
In de gevoegde zaken die hebben geleid tot het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147), heeft het Bundespatentgericht — met twee verzoeken om een prejudiciële beslissing, die waren ingediend in het kader van twee procedures die betrekking hadden op de inschrijving als woordmerk van het teken ‘Multi Markets Fund MMF’, enerzijds, en op een verzoek tot nietigverklaring van het woordmerk ‘NAI — Der Natur-Aktien-Index’ anderzijds — het Hof gevraagd of de weigeringsgronden van artikel 3, lid 1, onder b) en/of c), van richtlijn 2008/95 ook gelden voor een woordmerk dat wordt gevormd door nevenschikking van een beschrijvende woordcombinatie en een lettercombinatie die afzonderlijk beschouwd niet-beschrijvend is maar bestaat uit de beginletters van de woorden van die woordcombinatie.
18.
In dat arrest heeft het Hof op basis van de vaststellingen van de verwijzende rechter allereerst erop gewezen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tekens bestonden uit, enerzijds, een woordcombinatie die in de handel diende tot aanduiding van ‘een soort diensten alsmede van bepaalde kenmerken van deze diensten’, die moest worden beschouwd als beschrijving van de kenmerken van de aangeboden diensten in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95, en, anderzijds, een lettercombinatie die afzonderlijk beschouwd niet beschrijvend is in de zin van die bepaling, aangezien zij in se ‘geen enkel kenmerk van de betrokken diensten [kan] aanduiden’.6.
19.
Vervolgens heeft het Hof — na in de punten 30 en 31 van genoemd arrest te hebben herinnerd aan de doelstellingen van de weigeringsgronden van artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95 — de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde tekens in hun geheel beoordeeld. In deze context heeft het Hof erop gewezen dat de drie hoofdletters in elk van die tekens, ‘MMF’ en ‘NAI’, overeenkwamen met de beginletters van de woordcombinaties waarmee zij in nevenschikking stonden en dat ‘[d]e woordcombinatie en de lettercombinatie […] in beide gevallen [ertoe strekten] elkaars betekenis te verduidelijken en hun onderling verband te benadrukken’ en beide lettercombinaties ‘dus [waren] bedacht om de perceptie door het publiek van de woordcombinatie te versterken door het gebruik en het memoriseren ervan te vergemakkelijken’, waarbij het in dit verband irrelevant was dat de lettercombinatie op de woordcombinatie volgde dan wel daaraan voorafging.7.
20.
Tot slot heeft het Hof gepreciseerd dat indien de litigieuze lettercombinaties door het relevante publiek worden opgevat als afkortingen van de woordcombinaties waarmee zij in nevenschikking staan, ‘deze lettercombinaties […] niet zwaarder [konden] wegen dan de som van alle elementen van het merk in zijn geheel, zelfs wanneer zij in se als onderscheidend [konden] worden beschouwd’. Dergelijke lettercombinaties zijn volgens het Hof, dat dienaangaande verwijst naar punt 56 van de conclusie van de advocaat-generaal8., integendeel slechts ‘ondergeschikt’ aan de woordcombinaties waarmee zij in nevenschikking staan9..
B — Strekking en relevantie voor de beslechting van het hoofdgeding van het arrest Strigl en Securvita
21.
De verwijzende rechter is van oordeel dat hij bij de beoordeling van de overeenstemming van de litigieuze merken de beginselen moet toepassen die het Hof in het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147) heeft uiteengezet. Deze vaststelling baseert hij op twee premissen, te weten dat het jongere merk in zijn geheel beschouwd beschrijvend is en dat de beoordeling van de bij het relevante publiek opgeroepen totaalindruk niet kan veranderen naargelang het gaat om de vaststelling van een absolute of een relatieve (‘aanvullende’ volgens de bewoordingen van richtlijn 2008/95) weigeringsgrond.
22.
Zonder vraagtekens te plaatsen bij de geldigheid van die premissen, wens ik toch de volgende preciseringen aan te brengen.
1. Premisse dat het jongere merk beschrijvend is
23.
Het Hof en het Gerecht hebben de criteria om te beoordelen of er sprake is van de weigeringsgrond van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95 of van de identieke weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/200910., van oudsher in hun rechtspraak geformuleerd tegen de achtergrond van het aan die weigeringsgrond ten grondslag liggende algemeen belang om te beletten dat de in genoemde bepalingen bedoelde tekens of benamingen op grond van de inschrijving ervan als merk aan één enkele onderneming worden voorbehouden11.. Zo is overwogen dat het beschrijvende karakter van een teken slechts kan worden beoordeeld uitgaande van de betrokken waren of diensten en op basis van de perceptie van een doelpubliek, dat bestaat uit de consument van deze waren of diensten12.. Ook is gepreciseerd dat genoemde bepalingen zien op tekens en benamingen die in het normale gebruik uit het oogpunt van het doelpubliek kunnen dienen ter aanduiding, hetzij rechtstreeks, hetzij door vermelding van een van de essentiële eigenschappen ervan, van de waar of dienst waarvoor de inschrijving is aangevraagd13. en dat een teken onder het in die bepalingen vervatte verbod valt wanneer het een voldoende rechtstreeks en concreet verband met de betrokken waren of diensten heeft dat het relevante publiek in staat stelt hierin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van de categorie van de betrokken waren en diensten, of van één van de kenmerken ervan, te zien14.. Hoewel de rechter van de Europese Unie die criteria vaak strikt heeft toegepast15., kan inschrijving van een teken slechts worden geweigerd wanneer redelijkerwijs te verwachten valt dat de betrokken kringen dit teken daadwerkelijk zullen herkennen als een beschrijving van één van de ‘kenmerken’ van de waren of diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, te weten ‘een door de betrokken kringen gemakkelijk herkenbare eigenschap’ ervan16..
24.
In hoeverre is aan de hierboven toegelichte criteria voldaan voor de in het jongere merk vervatte woordcombinatie ‘Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft’? Gelet op de beschrijving van de waren en diensten waarvoor het merk is ingeschreven17., blijken die waren en diensten slechts gedeeltelijk te vallen onder de gezondheidssector — die overigens doorgaans in de ruime zin van ‘fitness’ wordt opgevat18. — of slechts gedeeltelijk specifiek bestemd voor die sector, zodat de vraag kan worden gesteld of de betrokken woordcombinatie in die waren en diensten, zoals de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak vereist, ‘een voldoende rechtstreeks en concreet verband’ heeft dat het relevante publiek in staat stelt hierin ‘onmiddellijk en zonder verder nadenken’ een beschrijving van de categorie van die waren en diensten, of van één van de kenmerken ervan, ‘te zien’.
25.
Zoals ik in punt 10 van de onderhavige conclusie heb uiteengezet, komt het Bundespatentgericht tot de conclusie dat het element ‘Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft’ in het jongere merk beschrijvend is, en zulks op basis van de overweging dat woordcombinaties die enkel aangeven dat de betrokken waren en diensten door een in een bepaalde sector actieve marktdeelnemer (in het geval van het jongere merk, een verbond van ondernemingen in de gezondheidssector) worden geleverd en verstrekt, uit hun aardbeschrijvend zijn. Deze conclusie — die overigens eerder op een veralgemening dan op een concreet onderzoek lijkt te zijn gebaseerd — moet, in de logica van de redenering van de verwijzende rechter, echter niet worden opgevat als een verwijzing naar alle door het jongere merk aangeduide waren en diensten zoals vermeld in de beschrijving die in voetnoot 4 van de onderhavige conclusie is weergegeven, maar als een verwijzing die beperkt is tot de waren en diensten waarvoor de in casu conflicterende merken daadwerkelijk met elkaar in aanraking kunnen komen op de markt, zoals omschreven door de verwijzende rechter, te weten ‘drukwerken’ en diensten van ‘reclame’, ‘organisatie van seminars’ en ‘organisatie van wedstrijden’‘voor ondernemingen in de gezondheidssector, waaronder met name optiekzaken en audiciens’.
26.
De vraag kan dan ook worden gesteld of het jongere merk, evenals de merken die aan de orde waren in de hoofdgedingen die hebben geleid tot het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147), valt onder de weigerings- of nietigheidsgrond van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95, zoals het Hof deze in dat arrest heeft uitgelegd en toegepast. Een ontkennend antwoord op die vraag zou op zich weliswaar niet kunnen uitsluiten dat de vaststellingen van het Hof in het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147), relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding, maar zou pleiten tegen een volledige identieke beoordeling van de hoofdgedingen die hebben geleid tot dat arrest en het bij de verwijzende rechter aanhangige hoofdgeding.
2. Premisse dat de beoordeling van de bij het relevante publiek gewekte totaalindruk van een merk niet kan veranderen naargelang het gaat om de vaststelling van een absolute of een relatieve weigeringsgrond
27.
Het is vaste rechtspraak dat zowel het beschrijvende en onderscheidende karakter van een teken als het bestaan van verwarringsgevaar tussen tekens op basis van dezelfde parameters, te weten de betrokken waren en/of diensten en de perceptie van het relevante publiek, moeten worden beoordeeld.19. Bovendien moet in beide gevallen bij de beoordeling van samengestelde tekens rekening worden gehouden met de erdoor gewekte totaalindruk.20. Het bestaan van absolute en relatieve weigeringsgronden in de zin van de artikelen 3, lid 1, onder b) en c) en 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95 (alsook de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 207/2009) moet dus op basis van gemeenschappelijke elementen worden beoordeeld.
28.
Evenwel zij in de eerste plaats benadrukt dat die bepalingen verschillende doelstellingen nastreven en onderscheiden belangen beogen te beschermen. Aldus heeft het Hof met betrekking tot artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95 [en artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009] gepreciseerd dat het aan die bepaling ten grondslag liggende algemeen belang erin bestaat te verzekeren dat tekens die een of meer kenmerken beschrijven van de waren of diensten waarvoor inschrijving als merk is aangevraagd, door alle marktdeelnemers die dergelijke waren of diensten aanbieden, vrij kunnen worden gebruikt.21. Het begrip ‘algemeen belang’ dat aan artikel 3, lid 1, onder b), van die richtlijn [en aan artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009] ten grondslag ligt, valt echter samen met de wezenlijke functie van het merk, die daarin is gelegen dat aan de consument of de eindverbruiker de identiteit van de oorsprong van de door het merk aangeduide waren of diensten wordt gewaarborgd zodat hij deze zonder gevaar voor verwarring met waren of diensten van andere herkomst kan onderscheiden.22. De relatieve weigeringsgronden van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/95 [en van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 207/2009] zien op gevallen waarin het teken niet nieuw is wegens gevaar voor verwarring met oudere merken. Hoewel een duidelijk verband bestaat tussen die weigeringsgronden en de herkomstaanduidende functie van het merk23., strekken zij in wezen tot bescherming van de individuele belangen van de houders van de oudere merken die conflicteren met het aangevraagde teken, hetgeen met name blijkt uit het feit dat zij enkel na oppositie worden onderzocht, terwijl de absolute weigeringsgronden ambtshalve worden onderzocht.24.
29.
In de tweede plaats moet worden benadrukt dat de perceptie door het relevante publiek van een teken — zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt — weliswaar niet mag afhangen van de in aanmerking genomen weigeringsgrond, maar het voor die perceptie te hanteren perspectief wel kan verschillen naargelang het beschrijvende karakter van een teken dan wel het bestaan van verwarringsgevaar tussen beide tekens moet worden beoordeeld. Terwijl de aandacht in het eerste geval uitgaat naar de mentale processen die kunnen leiden tot het leggen van verbanden tussen het teken of de verschillende onderdelen ervan en de betrokken waren en/of diensten, heeft het onderzoek in het tweede geval veeleer betrekking op de processen van memorisatie, herkenning en oproeping van het teken, alsook op associatiemechanismen.25. Voor samengestelde tekens impliceert dat onderzoek dat moet worden nagegaan in hoeverre de diverse onderdelen van het teken onmiddellijk de aandacht van het publiek trekken en de totaalindruk van dat publiek oproepen, en aldus die mentale processen en mechanismen beïnvloeden.
30.
De twee voormelde perspectieven staan uiteraard niet volledig los van elkaar. Zo is het vaste rechtspraak dat het publiek over het algemeen een beschrijvend bestanddeel van een samengesteld merk niet als het onderscheidende en dominerende bestanddeel van de door dit merk gewekte totaalindruk aanmerkt.26. Zij behouden echter hun autonomie. Zo heeft het Gerecht, in afwijking van de zonet in herinnering gebrachte regel, evenwel gepreciseerd dat ‘het geringe onderscheidend vermogen van een bestanddeel van een samengesteld merk27. niet noodzakelijkerwijs [impliceert] dat dit geen dominerend bestanddeel kan vormen wanneer het, met name wegens de positie ervan in het teken of wegens de omvang ervan, onmiddellijk wordt waargenomen door de consument en bij deze in herinnering blijft’28..
3. Strekking van het arrest Strigl en Securvita
31.
Uit de overwegingen van het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147) blijkt dat het niet-inschrijfbare karakter, in de zin van artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95, van een teken dat wordt gevormd door een nevenschikking van een lettercombinatie en een woordcombinatie per geval moet worden beoordeeld, en zulks niet op basis van vooraf vastgestelde objectieve criteria maar vanuit de perceptie door het relevante publiek van de onderlinge samenhang tussen de diverse elementen van het teken en van het teken in zijn geheel. Zo baseert het Hof zich in de punten 32 en 34 van het arrest op een aantal argumenten die zijn ontleend aan de empirische analyse van de betrokken tekens, teneinde vast te stellen of er in de diverse onderdelen van die tekens sprake is van een verband dat van invloed kan zijn op de perceptie van die tekens door het relevante publiek alsook op het mentale proces dat kan leiden tot memorisatie daarvan. Dat arrest biedt dus geen ruimte voor enig automatisme maar verwijst daarentegen naar de toepassing van de perceptieregels.29.
32.
Ik ben van mening dat de door de verwijzende rechter aangehaalde overweging van punt 38 van dat arrest, volgens welke ‘de lettercombinatie die de beginletter van elk woord van de woordcombinatie herhaalt, daarentegen slechts ondergeschikt [is] aan deze woordcombinatie’, ook in die zin moet worden gelezen. Deze overweging geeft helemaal geen algemene beoordelingsregel weer, maar preciseert enkel, voor de toepassing van de weigeringsgronden van artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95, dat een lettercombinatie, ook al is deze afzonderlijk beschouwd niet-beschrijvend, beschrijvend kan worden wanneer zij binnen een samengesteld merk wordt gecombineerd met een beschrijvende woordcombinatie waarvan zij als de afkorting wordt waargenomen, hetgeen per geval moet worden beoordeeld.
33.
Voorts moet die overweging, rekening houdende met de context ervan, aldus worden opgevat dat zij tot doel heeft uit te sluiten dat, wanneer er sprake is van een onderling verband, zoals omschreven in de punten 32 tot en met 35 van het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147), tussen de betrokken lettercombinaties en de woordcombinaties waarmee zij in nevenschikking staan, het onderscheidend vermogen van die lettercombinaties, afzonderlijk beschouwd, gevolgen kan hebben voor alle betrokken tekens door aan die tekens, ofschoon de woordcombinaties beschrijvend zijn, een globaal onderscheidend vermogen te verlenen. De verwijzing naar het ‘ondergeschikte karakter’ van de betrokken lettercombinaties moet dus niet worden opgevat als een beoordeling van het vermogen van die elementen van een samengesteld merk om de aandacht van het relevante publiek te trekken en deel uit te maken van het proces van memorisatie en oproeping van het teken.
4. Conclusie betreffende de relevantie van het arrest Strigl en Securvita voor de beslechting van het hoofdgeding
34.
Gelet op de verschillende feitelijke en juridische context van de zaken die hebben geleid tot het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147), en op het wezenlijk empirische karakter van de overwegingen van dat arrest, en de aan dat arrest te geven strekking, lijken de daarin geformuleerde vaststellingen niet automatisch op het hoofdgeding te kunnen worden overgedragen. De vergelijking van de conflicterende tekens in die zaak en de beoordeling van het verwarringsgevaar moeten bijgevolg worden verricht op basis van de gewoonlijk ter zake toegepaste criteria, die hierna kort in herinnering worden gebracht.
C — Criteria voor de beoordeling van het verwarringsgevaar van de litigieuze merken
35.
Het gevaar voor verwarring vormt de specifieke grondslag voor de door het ingeschreven merk verleende bescherming, met name tegen het gebruik door derden van tekens die niet gelijk zijn. Het Hof heeft deze voorwaarde omschreven als het gevaar dat het publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of, in voorkomend geval, van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn.30.
36.
Volgens overweging 11 van richtlijn 2008/95 is de beoordeling van dat gevaar ‘[afhankelijk] van vele factoren […] en met name van de bekendheid van het merk op de markt, van de vraag in hoeverre een associatie mogelijk is met het gebruikte of ingeschreven teken, van de mate van overeenstemming tussen het merk en het teken en van de [aangeduide] waren of diensten’. Het gevaar voor verwarring dient dus globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval.31.
37.
Om de mate van overeenstemming tussen de betrokken merken te beoordelen, moet de graad van visuele, auditieve en begripsmatige overeenstemming ervan worden bepaald alsook in voorkomend geval het aan deze verschillende elementen te hechten belang, rekening houdende met de categorie van de betrokken waren of diensten en de omstandigheden waaronder zij in de handel worden gebracht.32.
38.
De visuele, auditieve en begripsmatige overeenstemming tussen de betrokken tekens moet globaal worden beoordeeld, waarbij de perceptie van de merken die de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten heeft, een beslissende rol speelt.33. Dienaangaande heeft de rechtspraak gepreciseerd dat de gemiddelde consument een merk gewoonlijk als een geheel waarneemt en niet let op de verschillende details ervan.34. Aldus moet die globale beoordeling berusten op de totaalindruk die door de conflicterende merken wordt opgeroepen, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de onderscheidende en dominerende bestanddelen ervan.35. Het Hof heeft met name geoordeeld dat bij de beoordeling van de overeenstemming tussen twee merken niet slechts één bestanddeel van een samengesteld merk in de beschouwing mag worden betrokken en worden vergeleken met een ander merk, maar dat bij de vergelijking de betrokken merken elk in hun geheel moeten worden onderzocht.36.
39.
Hoewel de totaalindruk die een samengesteld merk bij het relevante publiek oproept in bepaalde omstandigheden door een of meerdere bestanddelen ervan kan worden gedomineerd, kan de beoordeling van de overeenstemming alleen tot het dominerende bestanddeel worden beperkt wanneer alle andere bestanddelen van het merk te verwaarlozen zijn.37. In dit verband heeft het Hof eveneens, op basis van het door de verwijzende rechter aangehaalde arrest Medion (C-120/04, EU:C:2005:594), gepreciseerd dat zelfs wanneer het niet als dominerend bestanddeel kan worden bezien, het element van een samengesteld merk in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de overeenstemming van dat merk met een ouder merk, voor zover het op zich het oudere merk vormt en een zelfstandige onderscheidende plaats behoudt in het samengestelde merk. Wanneer een gemeenschappelijk element een zelfstandige onderscheidende plaats behoudt in het samengestelde merk, kan de door dat teken gewekte totaalindruk immers het publiek doen geloven dat de betrokken waren of diensten minstens van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn, en is er dus sprake van verwarringsgevaar.38. Het Hof heeft eveneens gepreciseerd dat een element van een samengesteld teken die zelfstandige onderscheidende plaats niet behoudt wanneer dat element samen met het andere element of de andere elementen van het teken, in hun geheel beschouwd, een eenheid vormt die een andere betekenis heeft dan die elementen afzonderlijk hebben.39.
40.
Tot slot breng ik in herinnering dat in beginsel zelfs een element met een gering onderscheidend vermogen de totaalindruk van een samengesteld merk kan domineren of binnen dat merk een zelfstandige onderscheidende plaats kan hebben in de zin van de Medion-rechtspraak (C-120/04, EU:C:2005:594) wanneer het, met name wegens de positie ervan in het teken of wegens de omvang ervan, ‘onmiddellijk wordt waargenomen door de consument en bij deze in herinnering blijft’40..
41.
De verwijzende rechter dient op basis van de hierboven uiteengezette beginselen te beoordelen of de conflicterende merken overeenstemmen en of er eventueel sprake is van verwarringsgevaar.
42.
Het staat met name aan die rechterlijke instantie om een beoordeling te verrichten van de diverse bestanddelen van het jongere merk, van hun relatieve gewicht in dit merk en van hun onderlinge wisselwerking, om via synthese de door dit merk opgeroepen totaalindruk die het relevante publiek kan bijblijven, vast te stellen. Bij een dergelijke beoordeling moet de rechterlijke instantie, in de omstandigheden van het hoofdgeding, waarin het jongere merk bestaat uit een teken dat de lettercombinatie herhaalt die het enige woordelement is van het oudere merk en uit een woordcombinatie, onder meer rekening houden met de respectieve plaats van de lettercombinatie en de woordcombinatie in het teken41. alsook met de lengte42. en het eventueel beschrijvende karakter43. van die woordcombinatie, het verband dat het relevante publiek kan leggen tussen de lettercombinatie en de woordcombinatie — met name de mogelijkheid dat die lettercombinatie kan worden opgevat als afkorting van die woordcombinatie, de al dan niet onmiddellijke waarneming van een dergelijk verband, alsook de gevolgen van een dergelijke perceptie voor de oproeping van het teken44., de aard van de betrokken waren, de kenmerken en het aandachtsniveau van het relevante publiek, en het type geheugen (korte-, middellange- of langetermijngeheugen) waarop een beroep wordt gedaan. Voorts moet de verwijzende rechter in voorkomend geval beoordelen of de omstandigheid dat de elementen van het jongere merk, wegens de verbanden die het relevante publiek tussen de lettercombinatie en de woordcombinatie kan leggen, een onderscheiden logische eenheid vormen, kan beletten dat die lettercombinatie, die het gezamenlijke element van de conflicterende merken uitmaakt, door dat publiek zelfstandig kan worden waargenomen en gememoriseerd en dus aanzienlijk kan bijdragen tot de totstandkoming van de totaalindruk van het jongere merk die dat publiek bijblijft. Bij deze beoordeling, en om de begripsmatige overeenstemming tussen de conflicterende merken vast te stellen, moet eveneens rekening worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat de consumenten die het oudere merk hebben gezien, aannemen dat de lettercombinatie waaruit dat oudere merk bestaat dezelfde betekenis heeft als in het jongere merk.45.
43.
Zoals ik hierboven heb uiteengezet, is de verwijzende rechter bij die beoordeling echter niet gebonden door de vaststellingen die het Hof, in een andere feitelijke en juridische context, in de zaak Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147) heeft gedaan.
IV — Conclusie
44.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Bundespatentgericht te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat wanneer er sprake is van dezelfde of soortgelijke waren en diensten, er bij het publiek gevaar voor verwarring van twee tekens kan bestaan wanneer de lettercombinatie, die het enige woordelement van het oudere teken is, ook voorkomt in het jongere woordteken en daar in nevenschikking staat met een beschrijvende woordcombinatie die bestaat uit woorden waarvan de beginletters overeenkomen met de letters van die lettercombinatie, zodat deze lettercombinatie door het relevante publiek wordt waargenomen als de afkorting van de woordcombinatie waaraan zij is toegevoegd. Het bestaan van verwarringsgevaar moet globaal worden beoordeeld, rekening houdende met alle relevante omstandigheden van het concrete geval.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑03‑2015
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 299, blz. 25).
Richtlijn van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 40, blz. 1).
De betrokken waren en diensten beantwoorden aan de volgende omschrijving:— ‘Drukwerken’, van klasse 16;— ‘Reclame; beheer van commerciële zaken; zakelijke administratie; administratieve diensten; professionele advisering op zakelijk gebied; advisering voor bedrijfsorganisatie; advisering voor bedrijfsleiding; organisatie van tentoonstellingen en beurzen voor commerciële doeleinden en reclame; public relations’, van klasse 35;—‘Opvoeding, opleiding, ontspanning; sportieve en culturele activiteiten; organisatie van tentoonstellingen voor culturele of educatieve doeleinden; diensten op het gebied van vrijetijdsbesteding; exploitatie van gezondheidsclubs (‘Betrieb von Gesundheits-Klubs’ in het Duits); het organiseren en houden van colloquia; het organiseren en houden van conferenties, congressen en symposia; exploitatie van sportaccommodaties; verhuur van sportartikelen; gymnastiekonderwijs; het organiseren en houden van seminars, workshops, lezingen, gespreksronden en cursussen; advisering met betrekking tot vrijetijdsbesteding; het organiseren en houden van opleidings- en bijscholingsbijeenkomsten; informatiediensten voor gasten in kuuroorden over sportieve en culturele evenementen; advisering over kuren’ van klasse 41, en—‘Diensten met betrekking tot restauratie (het verstrekken van voedsel en dranken) en tijdelijke huisvesting van gasten; reservatie en bemiddeling bij accommodatie voor gasten, inzonderheid voor gasten van een kuuroord; bejaardentehuizen; vakantiekampen’ van klasse 43.
Het gaat om waren en diensten die beantwoorden aan de volgende omschrijving:—‘Papier, karton en hieruit vervaardigde producten (voor zover niet begrepen in andere klassen); drukwerken; boekbinderswaren; foto's; schrijfbehoeften; kleefstoffen voor kantoor- en huishoudelijk gebruik; materiaal voor kunstenaars; penselen; schrijfmachines en kantoorartikelen (uitgezonderd meubels); leermiddelen en onderwijsmateriaal (uitgezonderd toestellen); verpakkingsmateriaal van plastic (voor zover niet begrepen in andere klassen)’ van klasse 16;—‘Reclame; beheer van commerciële zaken; zakelijke administratie; administratieve diensten’ van klasse 31, en—‘Opvoeding, opleiding, ontspanning; sportieve en culturele activiteiten; publicatie en uitgave van kranten, tijdschriften en boeken; uitgave van teksten; organisatie van beurzen en tentoonstellingen voor ontspannende, culturele en sportieve doeleinden; filmproductie, filmverhuur; verhuur van videocamera's, geluidsopnamen, televisie- en radiotoestellen; afstandsonderwijs; het organiseren en houden van conferenties, congressen en symposia; onlinepublicatie van elektronische boeken en tijdschriften; ontspanning via de radio; het organiseren en houden van seminars en workshops; vertaaldiensten; onderwijs en opvoeding; het organiseren en houden van colloquia; het schrijven van scenario's; videofilmproductie; organisatie van wedstrijden’ van klasse 41.
Zie de punten 25–28.
Zie de punten 32 en 33.
Conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147)
Zie de punten 37 en 38.
Verordening van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
Zie arrest Eurohypo/BHIM (C-304/06 P, EU:C:2008:261, punten 55 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten Matratzen Concord (C-421/04, EU:C:2006:164, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en Eurocool Logistik/BHIM (EUROCOOL) (T-34/00, EU:T:2002:41, punt 38).
Zie onder meer arrest Procter & Gamble/BHIM (C-383/99 P, EU:C:2001:461, punt 39).
Zie onder meer arrest Metso Paper Automation/BHIM (PAPERLAB) (T-19/04, EU:T:2005:247, punt 25).
In bepaalde gevallen werd zelfs een bijzonder zwakke band toereikend geacht. Zie met name arrest Ellos/BHIM (ELLOS) (T-219/00, EU:T:2002:44).
Zie arresten Windsurfing Chiemsee (C-108/97 en C-109/97, EU:C:1999:230, punt 31), Koninklijke KPN Nederland (C-363/99, EU:C:2004:86, punt 56), en Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM (C-51/10 P, EU:C:2011:139, punt 50).
Deze beschrijving is weergegeven in voetnoot 4 van de onderhavige conclusie.
Het gaat om ‘informatiediensten voor gasten in kuuroorden over sportieve en culturele evenementen’, ‘advisering over kuren’ en ‘reservatie en bemiddeling bij accommodatie voor gasten, inzonderheid voor gasten van een kuuroord’ en om ‘bejaardentehuizen’ of bepaalde diensten van klasse 41 met betrekking tot sport en fitness (‘sportieve en culturele activiteiten’; ‘exploitatie van gezondheidsclubs’; ‘diensten op het gebied van vrijetijdsbesteding’; ‘verhuur van sportartikelen’; ‘gymnastiekonderwijs’).
Wat de beoordeling van het beschrijvende en onderscheidende karakter van een teken betreft, zie punt 23 van de onderhavige conclusie. Wat de beoordeling van verwarringsgevaar betreft, hebben het Hof en het Gerecht meermaals benadrukt dat ‘de perceptie van de merken die de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten heeft, […] een beslissende rol [speelt] bij de globale beoordeling van het verwarringsgevaar’. Zie onder meer arrest SABEL (C-251/95, EU:C:1997:528, punt 23).
Zie onder meer arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147, punt 34). Zie infra punten 35 en volgende.
Zie arresten Windsurfing Chiemsee (C-108/97 en C-109/97, EU:C:1999:230, punt 25); BHIM/Wrigley (C-191/01 P, EU:C:2003:579, punt 31); Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM (C-51/10 P, EU:C:2011:139, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak); Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147, punt 31), en Streamserve/BHIM (STREAMSERVE) (T-106/00, EU:T:2002:43, punt 36).
Zie onder meer arrest Eurohypo/BHIM (C-304/06 P, EU:C:2008:261, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie onder meer arrest Canon (C-39/97, EU:C:1998:442, punt 27).
Het arrest adidas en adidas Benelux (C-102/07, EU:C:2008:217) is een goed voorbeeld van dat verschil in perspectief, met name tussen de absolute weigeringsgrond van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95 en de relatieve weigeringsgrond van artikel 4, lid 1, onder b), van die richtlijn. Na in herinnering te hebben gebracht dat de beoordeling van het verwarringsgevaar van vele factoren afhangt, heeft het Hof in punt 30 van dat arrest gepreciseerd dat ‘[de omstandigheid d]at er voor de marktdeelnemers een behoefte aan vrijhouding van het teken bestaat, […] niet een dergelijke relevante omstandigheid [kan] zijn’. Het Hof vervolgde dat ‘[z]oals blijkt uit de tekst van artikel 5, lid 1, onder b), van de richtlijn en uit bovenvermelde rechtspraak, […] het antwoord op de vraag of er sprake is van een verwarringsgevaar namelijk [moet] worden gebaseerd op de perceptie door het publiek van de waren waarop het merk van de merkhouder betrekking heeft en van de waren waarop het door de derde gebruikte teken betrekking heeft.’
Dit houdt in dat met name rekening wordt gehouden met het aandachtsniveau van het publiek, de aard van de waren, de mogelijkheid om de merken en dus de wijze van verkoop onder die merken rechtstreeks te vergelijken. Zie met name arrest Lloyd Schuhfabrik Meyer (C-342/97, EU:C:1999:323, punten 26-27).
Zie onder meer arresten Alejandro/BHIM — Anheuser-Busch (BUDMEN) (T-129/01, EU:T:2003:184, punt 53) en New Look/BHIM — Naulover (NLSPORT, NLJEANS, NLACTIVE en NLCollection) (T-117/03–T-119/03 en T-171/03, EU:T:2004:293, punt 34).
In dit geval ging het om een beeldelement dat bestond uit de afbeelding van een koeienhuid, dat via een gevolgtrekking beschrijvend was voor de betrokken waren (zuivelproducten).
Zie arresten AVEX/BHIM — Ahlers (a) (T-115/02, EU:T:2004:234, punt 20) en Inex/BHIM — Wiseman (afbeelding van een koeienhuid) (T-153/03, EU:T:2006:157, punt 32).
Zie in die zin Sandri, S., ‘Serie di lettere e serie di parole’, Giurisprudenza comunitaria del marchio e del design, Commento tematico II, 2012, blz. 39–45.
Zie onder meer arresten Lloyd Schuhfabrik Meyer (C-342/97, EU:C:1999:323, punt 17), Medion (C-120/04, EU:C:2005:594, punten 24 en 26) en adidas e adidas Benelux (C-102/07, EU:C:2008:217, punt 28).
Zie arresten SABEL (C-251/95, EU:C:1997:528, punt 22), Marca Mode (C-425/98, EU:C:2000:339, punt 40) en Medion (EU:C:2005:594, punt 27), adidas en adidas Benelux (C-102/07, EU:C:2008:217, punt 29), BHIM/Shaker (C-334/05 P, EU:C:2007:333, punt 34), en Nestlé/BHIM (C-193/06 P, EU:C:2007:539, punt 33).
Arresten BHIM/Shaker (C-334/05 P, EU:C:2007:333, punt 36) en Ferrero/BHIM (C-552/09 P, EU:C:2011:177, punt 85).
Zie onder meer arrest SABEL (C-251/95, EU:C:1997:528, punt 23).
Zie onder meer arresten SABEL (C-251/95, EU:C:1997:528, punt 23), BHIM/Shaker (C-334/05 P, EU:C:2007:333, punt 35) en Nestlé/BHIM (C-193/06 P, EU:C:2007:539, punt 34).
Zie onder meer arresten SABEL (C-251/95, EU:C:1997:528, punt 23), Lloyd Schuhfabrik Meyer (C-342/97, EU:C:1999:323, punt 25), BHIM/Shaker (C-334/05 P, EU:C:2007:333, punt 35) en Aceites del Sur-Coosur/Koipe (EU:C:2009:503, punt 60).
Zie onder meer arresten BHIM/Shaker (C-334/05 P, EU:C:2007:333, punt 41) en Aceites del Sur-Coosur/Koipe (C-498/07 P, EU:C:2009:503, punt 61).
Arresten BHIM/Shaker (C-334/05 P, EU:C:2007:333, punten 41 en 42), Nestlé/BHIM (C-193/06 P, EU:C:2007:539, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie, voor deze formulering, beschikking ecoblue/BHIM en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria (C-23/09 P, EU:C:2010:35, punt 45). Zie eveneens arrest Medion (C-120/04, EU:C:2005:594, punten 30 en 36), beschikking Perfetti Van Melle/BHIM (C-353/09 P, EU:C:2011:73, punt 36), alsook mijn conclusie in de zaak Bimbo/BHIM (C-591/12 P, EU:C:2014:34, punt 24) en het arrest Bimbo/BHIM (C-591/12 P, EU:C:2014:305, punt 24).
Zie in die zin beschikking ecoblue/BHIM en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria (C-23/09 P, EU:C:2010:35, punt 47), arrest Becker/Harman International Industries (C-51/09 P, EU:C:2010:368, punten 37 en 38), en beschikking Perfetti Van Melle/BHIM (C-353/09 P, EU:C:2011:73, punten 36 en 37).
Zie in die zin arresten AVEX/BHIM — Ahlers (a) (T-115/02, EU:T:2004:234, punt 20) en Inex/BHIM — Wiseman (afbeelding van een koeienhuid) (T-153/03, EU:T:2006:157, punt 32).
In weerwil van hetgeen het Hof heeft overwogen in punt 33 van het arrest Strigl en Securvita (C-90/11 en C-91/11, EU:C:2012:147), lijkt het feit dat een lettercombinatie voorafgaat aan of volgt op de woordcombinatie, niet a priori irrelevant, aangezien het integendeel van invloed kan zijn op het proces van begripsvorming en memorisatie van het teken door het publiek. Zie in dit verband eveneens arrest AMS/BHIM — American Medical Systems (AMS Advanced Medical Services) (T-425/03, EU:T:2007:311, met name punt 79).
Zie met name arrest Klein Trademark Trust/BHIM — Zafra Marroquineros (CK CREACIONES KENNYA) (T-185/07, EU:T:2009:147, punt 42).
Zie arrest AMS/BHIM — American Medical Systems (AMS Advanced Medical Services) (T-425/03, EU:T:2007:311, punt 81).
Zie, wat het fonetische aspect van het merk betreft, arrest AMS/BHIM — American Medical Systems (AMS Advanced Medical Services) (T-425/03, EU:T:2007:311, punt 84). Zie eveneens arrest Klein Trademark Trust/BHIM — Zafra Marroquineros (CK CREACIONES KENNYA) (T-185/07, EU:T:2009:147, punten 44 en 45).
Zie arrest AMS/BHIM — American Medical Systems (AMS Advanced Medical Services) (T-425/03, EU:T:2007:311, punt 86).