Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/12.9.1.3
12.9.1.3 Overgang van de claimbevoegdheid op de cessionaris
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:ADS247277:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Achterberg 1999, nr. 11.
Vgl. Pabbruwe 1983, p. 429-432, Boll 1984, p. 103, Van Achterberg 1999, nr. 11, Pabbruwe 2000, p. 66-67, Van Emden 2005, p. 39-42, Hof Amsterdam 21 februari 1991, NJ 1992, 141 (Friese Bondsspaarbank/Amro) en Hof Amsterdam 25 maart 2004, JOR 2004/279 m.nt. R.I.V.F. Bertrams (Oberbank/Cohen). Anders: Gerecht in Eerste Aanleg Curaçao 10 juli 1995, NJ 1997, 283 (Fradim en Worms/MeesPierson), dat oordeelde dat de claimbevoegdheid kan worden overgedragen tenzij de onoverdraagbaarheid ervan is overeengekomen. Mijnssen 1984, p. 67-68, is van mening dat de claimbevoegdheid niet kan worden overgedragen; hij laat zich niet uit over overdracht van de claimbevoegdheid met toestemming van de garant.
In Rb. Haarlem 12 januari 1993, NJ 1995, 53 (Stuifbergen/Verenigde Spaarbank), is voor wat betreft de overdraagbaarheid van de claimbevoegdheid uit een bankgarantie onderscheid gemaakt tussen het recht om onder de bankgarantie te claimen en om daaronder te claimen onder de voorwaarde dat de garantie niet wordt verlengd. De rechtbank oordeelde dat uitsluitend dit laatste recht kan worden overgedragen. Pabbruwe 1995, p. 605-606, heeft er op gewezen dat er geen goede grond voor dit onderscheid is, omdat zo een claim onder voorwaarde leidt tot een onvoorwaardelijke claim indien de voorwaarde niet tijdig (voordat de garantie door tijdsverloop eindigt) wordt vervuld. Ik onderschrijf zijn standpunt. Met Bertrams 2004, nr. 12-70, laatste zin, meen ik bovendien dat het recht om te claimen onder voorwaarde het recht om te claimen impliceert.
Vgl. Van Achterberg 1999, nr. 11, Bertrams 2004, nr. 12-69 en Van Emden 2005, p. 39-40.
Bertrams 2004, nr. 12-72 en Bertrams in zijn noot onder Rb. Rotterdam 19 oktober 2005, JOR 2006/83 (ABN AMRO/Fortis). In zijn noot onder Hof Amsterdam 25 maart 2004, JOR 2004/279, stelde Bertrams zich nog op het standpunt, dat door cessie van de rechten uit een bankgarantie uitsluitend de geldvordering –en dus niet de claimbevoegdheid- overgaat.
Vgl. Snijders 1999, p. 564-565.
Zo begrijp ik ook Van Achterberg 1999, nr. 11.
Zo begrijp ik ook Hof Amsterdam 21 februari 1991, NJ 1992, 141 (Friese Bondsspaarbank/Amro).
410. Verschillende opvattingen.
Een andere vraag is of de bevoegdheid om onder de garantie te claimen, de bevoegdheid om de aan de geldvordering uit de garantie-overeenkomst verbonden opschortende voorwaarde(n) in vervulling te doen gaan, op de verkrijger van de geldvordering uit een bankgarantie overgaat als hij de geldvordering uit de garantie als nevenrecht verkrijgt of deze vordering aan hem wordt overgedragen.
Onbetwist is dat de claimbevoegdheid niet overgaat op de verkrijger van de geldvordering, als de overgang van deze bevoegdheid in de garantie-overeenkomst is uitgesloten.1 Voor het overige wordt de vraag of en zo ja in welke gevallen de claimbevoegdheid door een cessionaris kan worden uitgeoefend, in de literatuur en de lagere jurisprudentie (een richtinggevend arrest van de Hoge Raad over deze kwestie is er niet) niet eenstemmig beantwoord. De overheersende opvatting is dat de claimbevoegdheid uitsluitend overgaat op de cessionaris indien de garant daarin toestemt, eventueel doordat hij daarin reeds bij voorbaat had toegestemd doordat in de garantie is bepaald dat bij overdracht van de rechten uit de garantie ook de claimbevoegdheid over kan gaan.2,3
Voornaamste argument voor deze opvatting is dat de debiteur van de gegarandeerde vordering, op wie de garant veelal regres zal kunnen nemen voor het door hem uit hoofde van de garantie betaalde bedrag, bij zijn overwegingen die geleid hebben tot het doen stellen van de garantie, de kans dat de begunstigde zonder goede grond een beroep op de garantie zal doen een rol zal hebben laten spelen. Daarbij zal zijn vertrouwen in die specifieke persoon een rol hebben gespeeld.4
Bertrams verbindt hieraan de conclusie dat aan de hand van de omstandigheden van ieder concreet geval moet worden beoordeeld of de bevoegdheid om een beroep op de garantie te doen aan de verkrijger van de vordering uit de garantie toekomt.5
411. Overdracht of overgang als nevenrecht?
Bij de beantwoording van de vraag of de claimbevoegdheid kan worden uitgeoefend door de cessionaris van de vordering uit een bankgarantie, is van belang dat de claimbevoegdheid een wilsrecht is. Mijns inziens is dit wilsrecht zodanig verbonden aan de geldvordering uit de bankgarantie, dat het niet als een zelfstandig vermogensrecht kan worden beschouwd en is het om die reden niet voor overdracht vatbaar. Zo beschouwd heeft de overdracht van de claimbevoegdheid aan de verkrijger van de geldvordering uit de garantie geen zelfstandige betekenis
Dat de claimbevoegdheid niet vatbaar is voor overdracht, wil echter niet zeggen dat overgang daarvan als nevenrecht op de verkrijger van de geldvordering uit de bankgarantie niet mogelijk zou zijn.6 Bij de beantwoording van de vraag of de claimbevoegdheid als nevenrecht overgaat op de verkrijger van de gegarandeerde vordering, moet onderscheid worden gemaakt tussen de vraag of de aard van die bevoegdheid zich tegen uitoefening daarvan door een derde verzet en de mogelijkheid om overeen te komen dat de bevoegdheid om een beroep op de garantie te doen al dan niet door een derde kan worden uitgeoefend.
412. De aard van de claimbevoegdheid.
De aard van de claimbevoegdheid verzet zich er mijns inziens in de regel niet tegen dat deze door een ander dan de (eerste) begunstigde wordt uitgeoefend. Daarbij is van belang dat dit een bevoegdheid van de begunstigde jegens de bank is en niet van de crediteur van de gegarandeerde vordering. Tenzij sprake is van een prestatie van de garant waarbij de persoon van de begunstigde een rol speelt, hetgeen bij de betaling van een geldsom uit hoofde van een bankgarantie niet snel het geval zal zijn, verzet de aard van de prestatie zich niet tegen uitoefening van de claimbevoegdheid door een ander dan de ‘eerste’ begunstigde.7
413. Het al dan niet overeengekomen zijn van overgang van de claimbevoegdheid.
Bij veel bankgaranties is een eenvoudig verzoek tot betaling onder de garantie voldoende om, tezamen met het voldoen aan enige formaliteiten, de voorwaarde(n) waaraan de vordering op de garant onderworpen is te vervullen. Dit onderstreept het belang dat de debiteur van de gegarandeerde vordering bij de persoon van de begunstigde heeft. Dat de persoon van de begunstigde relevant zal zijn voor de debiteur van de gegarandeerde vordering, brengt met zich mee dat dit belang een rol dient te spelen bij de uitleg van wat de bank inzake de vatbaarheid voor overgang van de claimbevoegdheid kennelijk heeft bedoeld. Gelet op dit belang moet worden aangenomen dat de bank de bedoeling zal hebben gehad dat de verkrijger van de vordering uit de bankgarantie niet bevoegd is om een beroep op de garantie te doen tenzij het - door uitleg van de garantie vast te stellen - tegendeel blijkt.8
414. Conclusie.
Mijn conclusie is dat het recht om een beroep op de garantie te doen niet als nevenrecht op de verkrijger van de geldvordering uit de garantie overgaat, tenzij de garant de door uitleg vast te stellen bedoeling heeft gehad dit recht in geval van overgang van de gegarandeerde vordering wel op de verkrijger daarvan te doen overgaan.
Om disputen te voorkomen over de (on)bevoegdheid tot uitoefening van de claimbevoegdheid door een verkrijger van de vordering uit de garantie, doen betrokkenen er verstandig aan om deze (on)bevoegdheid, evenals de (on)overdraagbaarheid van de vordering uit de garantie, steeds expliciet in de garantie vast te (laten) leggen.