Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/6.4.1:6.4.1 Oogmerk tot misleiding hoeft niet te worden bewezen
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/6.4.1
6.4.1 Oogmerk tot misleiding hoeft niet te worden bewezen
Documentgegevens:
mr. D.A.M.H.W. Strik, datum 20-07-2010
- Datum
20-07-2010
- Auteur
mr. D.A.M.H.W. Strik
- JCDI
JCDI:ADS438371:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 27 november 2009, LJN: BH2162 (WOL), r.o. 4.10.4.
In dezelfde zin Kroeze 2006, p. 20, Wezeman 1998, p. 87, Strik 2005, p. 151 en Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* 2009, nr. 470. Anders: Van Eeghen 2004, p. 574.
Zie hierover hoofdstuk 7, par. 7.2.5.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het begrip "misleiden" of "misleidend" komt in een breed scala van Nederlandse wetsbepalingen voor. Het gaat dan bijv. om aansprakelijkheid wegens misleidende mededelingen, verzekeringsrechtelijke bepalingen, een aantal strafrechtelijke bepalingen en wat effectenrechtelijke bepalingen in de Wte 1995 en de Wmz. Het valt op dat in sommige van die bepalingen expliciet wordt vermeld dat er opzet of een oogmerk moet zijn om te misleiden, maar dat de meeste bepalingen niet een apart opzetbestanddeel bevatten.
Een voorbeeld van de laatste categorie is art. 32 lid 2 aanhef en onder b Nadere Regeling 1999 bij Besluit toezicht effectenverkeer, dat transacties in financiële instrumenten verbiedt indien deze een misleidende voorstelling van zaken creëren. In ABN AMRO/AFM inz. WOL nam het CBB aan dat voor de toepassing van deze bepaling niet vereist is dat er sprake is van het oogmerk te misleiden. Het enkele feit dat er een onjuist, namelijk een niet met de werkelijkheid overeenstemmend, signaal naar de markt werd gegeven, was voldoende om aan te nemen dat er een misleidende voorstelling werd gegeven.
De Hoge Raad heeft in het WOL-arrest in het kader van art. 6:194 BW een zwaarder criterium voor misleiding aangelegd. Het gaat erom dat de mededeling de beleggers misleidt of kan misleiden en door haar misleidende karakter hun economische gedrag kan beïnvloeden. Van misleidendheid is sprake indien redelijkerwijs aannemelijk is dat de mededeling, gezien de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de beleggingsbeslissing van de `maatman-belegger '.1
Art. 2:139 BW valt ook in de categorie wetsbepalingen waarin de eiser geen opzet tot misleiding hoeft te stellen en te bewijzen voor wat betreft de vaststelling of het betreffende stuk misleidend is. Daaruit kan worden afgeleid dat voor de beantwoording van de vraag of de financiële stukken een misleidende voorstelling geven van de toestand van de vennootschap, niet relevant is of de bestuurders het oogmerk hadden om met die stukken derden te misleiden.2 Ik kom op het verwijtbaarheidsaspect terug voor wat betreft de disculpatie van individuele bestuurders.
Dit komt overeen met het bepaalde in section 11(a) van de Securities Act waarbij de eiser geen scienter of negligence hoeft te bewijzen als het gaat om de onjuistheid of misleidende omissie. Wel zijn er individuele disculpatiemogelijkheden. In de jurisprudentie over Rule 10b-5 under the Securities Exchange Act wordt wel scienter vereist.3De achterliggende gedachte is dat dit te herleiden is uit de wetsbepaling die spreekt over manipulative or deceptive conduct.