Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.3.2.2
4.3.2.2 Regels van internationaal rechtspersonenrecht
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364820:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1 EVRM. Zie ook Schild (Diss.), par. 2.8 en Barkhuysen en Van Emmerik Preadvies par. 2.3.1 en 2.3.2.
Zie Asser/Hartkamp 3-I* nr. 200 en 221, Van Maanen, par. 10 en Schild (Diss.), par. 2.8.
Asser/Hartkamp 3-I* nr. 221 en 222, Barkhuysen en Van Emmerik Preadvies par. 2.4.2 en Schild (Diss.), par. 2.8 en 2.9. Zie voor een voorbeeld EHRM 13 augustus 1981, appl.nrs. 7601/76 en 7806/77 (Young c.s.).
Op basis van hetgeen in par. 2.3.2 en 5.3.3.1 ter sprake komt neig ik er overigens naar om die vraag ontkennend te beantwoorden.
De regels van internationaal recht zijn te verdelen in bepalingen die directe en indirecte werking hebben. Directe werking wil zeggen dat de desbetreffende regels rechten en verplichtingen voor justitiabelen creëren. Indirecte werking houdt in dat er nog een handeling van de Nederlandse staat nodig is om de desbetreffende regel effect te doen hebben voor justitiabelen, bijvoorbeeld het invoeren van een wet.
Er zijn weinig bepalingen van internationaal rechtspersonenrecht met directe werking. Deze bepalingen hebben voor zover ik weet ook slechts een beperkte invloed op de gang van zaken binnen rechtspersonen. Reden waarom ik daaraan slechts in beperkte mate aandacht zal besteden. Er zijn echter wel relatief veel regels van internationaal rechtspersonenrecht met indirecte werking. Zoals reeds werd vermeld in de inleiding van het tweede luik besteed ik aandacht aan art. 1 EP, art. 11 EVRM en het Europese recht.
De werking van deze indirect werkende regels van internationaal rechtspersonenrecht vertoont grote overeenkomsten. Centraal daarin staat steeds dat de Nederlandse staat zich heeft gecommitteerd aan (het toepassen van) deze regels. Dat betekent dat alle onderdelen van de Nederlandse staat zich aan deze regels te houden hebben en wel binnen hun eigen competities.
Hierna wordt – onder meer ter illustratie van hoe dit in zijn werk gaat – uiteengezet hoe art. 1 EP en art. 11 EVRM doorwerken in het Nederlandse rechtspersonenrecht en daarmee in de deelrechtsorde. De doorwerking van het EU-recht in het Nederlandse rechtspersonenrecht gaat in grote lijnen hetzelfde in zijn werk. In hoofdstuk 7 zal dit nader uitgewerkt worden.
Door zich te committeren aan art. 1 EP en art. 11 EVRM heeft de Nederlandse staat zich verplicht om de uit deze bepalingen voortvloeiende rechten en vrijheden te verzekeren.1 Voor de wetgevende macht betekent dit dat zij geen wetgeving mag invoeren die strijdig is met art. 1 EP en art. 11 EVRM en dat zij zo nodig wetgeving moet invoeren en handhaven waardoor deze rechten en vrijheden zijn verzekerd.2 Voor de rechtsprekende macht, waaronder de ondernemingskamer, betekent dit dat zij het Nederlandse (rechtspersonen)recht niet mag toepassen op een manier die strijdig is met de uit art. 1 EP en art. 11 EVRM voortvloeiende rechten.3 Hoe de wetgevende en rechtsprekende macht één en ander realiseren, is niet relevant vanuit het EVRM bezien. Daarvoor mogen zij zelf hun eigen instrumentarium bepalen en aanwenden. Vanuit het EVRM bezien is het slechts het resultaat dat telt, dat wil zeggen dat de desbetreffende rechten en vrijheden inderdaad verzekerd zijn.
Een manier voor de Nederlandse rechter om binnen de grenzen van art. 1 EP en art. 11 EVRM te blijven, is om de bepalingen van het Nederlandse recht zo uit te leggen dat geen strijd ontstaat met deze artikelen.4 Aldus zijn art. 1 EP en art. 11 EVRM indirect bepalend voor de interpretatie van het Nederlandse rechtspersonenrecht en daarmee voor het positieve recht. Een andere manier waarop art. 1 EP en art. 11 EVRM het positieve Nederlandse rechtspersonenrecht kunnen beïnvloeden, is dat een nationale bepaling op grond van art. 94 Gw buiten toepassing blijft, omdat het toepassen van deze bepaling niet verenigbaar is met art. 1 EP en/of art. 11 EVRM. Dat positieve recht werkt op zijn beurt weer door in de deelrechtsorde op de wijze die wordt beschreven in par. 4.3.1.3.
Een bijzondere – en voor dit onderzoek zeer relevante – wijze waarop art. 1 EP en art. 11 EVRM doorwerken in ons positieve rechtspersonenrecht, is dat de ondernemingskamer ook bij de toepassing van art. 2:349a lid 2 BW en art. 2:355/6 BW is gebonden aan de desbetreffende verdragsverplichting. Dit betekent onder meer dat zij geen (onmiddellijke) voorzieningen mag treffen die een schending van art. 1 EP en art. 11 EVRM zouden inhouden. In hoofdstuk 8 zal ter sprake komen dat het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen een discretionaire bevoegdheid is en dat het Nederlandse recht de ondernemingskamer derhalve niet dwingt om dergelijke voorzieningen te treffen in gevallen waarin dit niet opportuun is.
In het licht van het bovenstaande heeft het weinig zin om erover te discussiëren of art. 1 EP of art. 11 EVRM wel ziet op horizontale verhoudingen en of in het enquéterecht niet louter sprake zou zijn van horizontale verhoudingen.5 Het is evident dat – als de ondernemingskamer wordt verzocht om in te grijpen bij een rechtspersoon – zij bij haar beslissing dat al dan niet te doen rekening moet houden met art. 1 EP en art. 11 EVRM.
In het kader van het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen kunnen art. 1 EP en art. 11 EVRM op twee manieren in het gedrang komen. Ten eerste kan worden verzocht om (onmiddellijke) voorzieningen te treffen ten einde bepaalde gedragingen tegen te gaan, terwijl deze gedragingen worden beschermd door art. 1 EP en/of art. 11 EVRM. Ten tweede kan door het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen de rechtspersoon op een zodanige manier worden gewijzigd dat door art. 1 EP en/of art. 11 EVRM beschermde rechten worden aangetast. In beide gevallen zullen slechts (onmiddellijke) voorzieningen mogen worden getroffen voor zover art. 1 EP en art. 11 EVRM zulks toelaten. In hoofd-stukken 5 en 6 zal hierop nader worden ingegaan.