HR, 02-12-2025, nr. 23/03755
ECLI:NL:HR:2025:1817
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-12-2025
- Zaaknummer
23/03755
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1817, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑12‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1102
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:2189
ECLI:NL:PHR:2025:1102, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1817
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Actieve niet-ambtelijke omkoping begaan door rechtspersoon (art. 328ter.2 en 328ter.3 Sr) en medeplegen opmaken van valse authentieke akte begaan door rechtspersoon (art. 227.1 Sr). 1. Bewijsklacht actieve omkoping en afwijzing van getuigenverzoek. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM in vervolging en bewijsuitsluiting, nu gebruik is gemaakt van gegevens die door Belastingdienst bij boekenonderzoek in strijd met nemo tenetur-beginsel en onschuldpresumptie zijn verzameld. 2. Bewijsklachten valsheid in akte van levering t.a.v. wetenschap van valsheid. Kon hof de wetenschap van valsheid afleiden uit ondertekenen van beide koopovereenkomsten en paraferen van pagina in koopovereenkomst waarop verplichting van verkoper tot verbouwing staat en uit omstandigheid dat niet verkoper maar vennootschap een deel van verbouwingskosten heeft betaald die volgens overeengekomen verplichting tot verbouwing voor rekening van verkoper zouden komen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/03753, 23/03756 P en 23/03761 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03755
Datum 2 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 september 2023, nummer 23-003439-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd in [plaats],
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat C.F. Korvinus bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 9.000.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 8.550 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 december 2025.
Conclusie 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Veroordeling wegens niet-ambtelijke omkoping en medeplegen valsheid in authentieke akte, art. 227 en 326ter Sr. Middel over de verwerping van het uos dat verklaringen van de verdachte en door haar op vordering van de Belastingdienst overgelegde documenten zijn verkregen in strijd met het nemo-teneturbeginsel en de onschuldpresumptie omdat het door de Belastingdienst verrichte boekenonderzoek niet gericht was op aangiften omzetbelasting, inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting, maar werd verricht i.h.k.v. het strafrechtelijk onderzoek omdat toen al een redelijk vermoeden van schuld bestond. Middel over bewijsvoering van de wetenschap van de valsheid in de akte van levering m.b.t. de verbouwing van een woning voor rekening van en risico voor de verkoper terwijl mondeling anders was afgesproken. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 23/03753, 23/03756 en 23/03761.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03755
Zitting 14 oktober 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 21 september 2023 (parketnummer 23-003439-21) door het gerechtshof Amsterdam wegens onder 1 "het, aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, doen van een belofte van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenóver zijn werkgever, begaan door een rechtspersoon; en het, aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, doen van een belofte van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze handelt in strijd met zijn plicht, begaan door een rechtspersoon", en onder 2 “medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, begaan door een rechtspersoon”, veroordeeld tot een geldboete van € 9.000. Het hof heeft ook de teruggave gelast aan de verdachte van een inbeslaggenomen woning.1.
2. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte (nr. 23/03761 P) en met de strafzaak en ontnemingszaak tegen [medeverdachte] (nr. 23/03753 en 23/03756 P) de enig bestuurder en aandeelhouder van de verdachte. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C.F. Korvinus, advocaat in Amsterdam, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld, en het eerste middel bij aanvullende schriftuur nader toegelicht.
De middelen
4. De in deze zaak voorgestelde middelen van cassatie zijn gelijkluidend aan de middelen die zijn voorgesteld in de samenhangende strafzaak tegen [medeverdachte] (nr. 23/03753). De in de onderhavige zaak voorgestelde middelen falen om de redenen die ik heb gegeven bij de bespreking ervan in de samenhangende strafzaak. Om proceseconomische redenen meen ik hier te kunnen volstaan met een verwijzing daarnaar.
Slotsom
5. De middelen falen en kunnen naar mijn inzicht worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad – evenals in de ontnemingszaak die een uitvloeisel is van deze strafzaak – uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden. Ik stel vast dat niet wordt geklaagd over de overschrijding van de inzendingstermijn van acht maanden.
7. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑10‑2025