Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.5.4:11.4.5.4 Standaardvoorwaarde 2: vordering daalt in waarde door afsplitsing
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.5.4
11.4.5.4 Standaardvoorwaarde 2: vordering daalt in waarde door afsplitsing
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491752:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook onderdeel 11.4.4.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Standaardvoorwaarde 2 bepaalt het volgende:
“Als vorderingen op een verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, Wet Vpb 1969, die na het afsplitsingstijdstip niet door schuldvermenging teniet gaan, als rechtstreeks gevolg van de afsplitsing in waarde verminderen, blijven deze waardeverminderingen bij het bepalen van de winst buiten aanmerking. Latere waardestijgingen van deze vorderingen worden tot het bedrag van de waardeverminderingen bij het bepalen van de winst buiten aanmerking gelaten.”
Standaardvoorwaarde 2 is gericht op vorderingen die als rechtstreeks gevolg van de afsplitsing in waarde verminderen. Een schuldeiser mag zo’n waardedaling niet ten laste van de fiscale winst brengen. Stijgt de betreffende vordering na het afsplitsingstijdstip in waarde, dan blijft een belaste opwaardering bij de schuldeiser achterwege tot het bedrag van het eerder in aftrek geweigerde afwaarderingsverlies.1 In de volgende situaties komt standaardvoorwaarde 2 in beeld:
Een verkrijgende rechtspersoon (schuldeiser) heeft vóór het afsplitsingstijdstip een vordering op de afsplitsende rechtspersoon (schuldenaar). De schuld van de afsplitser gaat in het kader van de afsplitsing over naar een andere verkrijgende rechtspersoon (opvolgende schuldenaar) die minder kredietwaardig is dan de afsplitser.
Een verkrijgende rechtspersoon (schuldeiser) heeft vóór het afsplitsingstijdstip een vordering op de afsplitsende rechtspersoon (schuldenaar) en de afsplitsing heeft tot gevolg dat het vermogen van de afsplitser substantieel afneemt.