Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.1:10.1 Naar een beantwoording van de onderzoeksvraag
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.1
10.1 Naar een beantwoording van de onderzoeksvraag
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nu in de voorgaande hoofdstukken het kinder- en mensenrechtenkader, de Nederlandse wetgeving en de toepassingspraktijk van de voorlopige hechtenis van minderjarigen in kaart zijn gebracht, zijn alle ingrediënten aanwezig om in dit hoofdstuk over te gaan tot de beantwoording van de vraagstelling die centraal staat in het onderhavige onderzoek:
‘In hoeverre is de Nederlandse wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis van minderjarigen, en de toepassing daarvan in de praktijk, in overeenstemming met het kinder- en mensenrechtelijke beginsel dat minderjarigen moeten worden beschermd tegen onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming, is aanpassing van de wet en/of de praktijk noodzakelijk, en zo ja, op welke wijze?’
Het verbod op onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming van minderjarigen, zoals neergelegd in artikel 9, eerste lid IVBPR, artikel 37(b) IVRK en artikel 5, eerste lid EVRM, brengt mee dat de toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen moet geschieden met inachtneming van de nationale wettelijke procedures en gronden en conform de relevante Europese en internationale kinder- en mensenrechtenstandaarden. In dit concluderende hoofdstuk zal in paragraaf 10.2 worden betoogd dat het in theorie voor de rechter mogelijk zou moeten zijn om binnen het huidige Nederlandse wettelijke kader van de voorlopige hechtenis van minderjarigen tot rechtmatige en niet-willekeurige voorlopige hechtenisbeslissingen te komen. Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat dit in de praktijk echter niet zonder meer blijkt te zijn gewaarborgd. In paragraaf 10.3 zal worden uiteengezet dat de redenen hiervoor zijn gelegen op drie niveaus: het wettelijke systeem, de (rechterlijke) besluitvorming en het stelsel van instanties en voorzieningen binnen de jeugdstrafrechtspraktijk. Uiteindelijk zal worden geconcludeerd dat een herziening op elk van deze drie niveaus noodzakelijk is om een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van de voorlopige hechtenis van minderjarigen (beter) te kunnen waarborgen en worden in paragraaf 10.4 concrete voorstellen gedaan voor een nieuw model voor de voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht. In paragraaf 10.5 worden de belangrijkste conclusies uiteengezet, waarmee antwoord zal worden gegeven op de onderzoeksvraag. Het hoofdstuk wordt in paragraaf 10.6 afgesloten met enkele slotbeschouwingen.