Hof Amsterdam, 16-12-2014, nr. 200.104.950/01
ECLI:NL:GHAMS:2014:5416
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
16-12-2014
- Magistraten
Mrs. J.C. Toorman, J. Blokland, R.H.C van Harmelen
- Zaaknummer
200.104.950/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Vermogensrecht (V)
Vastgoedrecht (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2014:5416, Uitspraak, Hof Amsterdam, 16‑12‑2014
ECLI:NL:GHAMS:2013:4929, Uitspraak, Hof Amsterdam, 24‑12‑2013; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2012:4501, Uitspraak, Hof Amsterdam, 19‑06‑2012
ECLI:NL:GHAMS:2012:4500, Uitspraak, Hof Amsterdam, 10‑04‑2012
Uitspraak 16‑12‑2014
Mrs. J.C. Toorman, J. Blokland, R.H.C van Harmelen
Partij(en)
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2014
inzake
- 1.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ESCONADO BELEGGINGEN B.V.,
gevestigd te Utrecht,
- 2.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KORTENHOEF ONROEREND GOED B.V.,
appellanten,
advocaat: mr. H. Kroon te Hilversum,
tegen
- 1.
[geïntimeerde 1],
- 2.
[geïntimeerde 2],
- 3.
[geïntimeerde 3],
- 4.
[geïntimeerde 4],
allen wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],
geïntimeerden,
advocaat: mr. T.C.C.J. Schonis te Utrecht.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna Esconado c.s. en [geïntimeerden] c.s. genoemd.
Na het tussenarrest van 24 december 2013 (hierna: het tussenarrest) hebben Esconado c.s. een akte uitlating in het geding gebracht. Daarna hebben [geïntimeerden] c.s. een antwoordakte uitlaten in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2. Beoordeling
In het tussenarrest heeft het hof Esconado c.s. in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over hetgeen in het tussenarrest onder 3.5–3.7 is overwogen. In die overwegingen heeft het hof, kort gezegd, aan de orde gesteld dat Esconado c.s. het hoger beroep niet hebben laten registreren in het in artikel 433 Rv bedoelde register. Voorts heeft het hof de vraag aan de orde gesteld of de uit genoemde bepaling voortvloeiende niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep zich beperkt tot de in het dictum sub III opgenomen vordering tot levering van het de in het arrest onder 3.1 aangeduide perceel (hierna: het perceel), dan wel zich evenzeer uitstrekt tot het dictum sub I en II, dat strekt tot verklaring voor recht dat [geïntimeerden] c.s. eigenaar zijn van het perceel en dat Esconado c.s. worden veroordeeld tot medewerking aan levering daarvan.
2.2.
Esconado c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de veroordelingen II en III slechts zijn aan te merken als administratieve uitwerking van de in het dictum sub I gegeven verklaring voor recht. Van een onlosmakelijk verband is volgens Esconado c.s. geen sprake.
2.3.
[geïntimeerden] c.s. hebben daartegenover gesteld dat van een onlosmakelijk verband wel sprake is. De inmiddels onaantastbare toewijzing van de vordering tot reële executie — inschrijving van de eigendom van het perceel op naam van [geïntimeerden] c.s. in het kadaster — verdraagt zich niet met een eventueel oordeel in hoger beroep dat [geïntimeerden] c.s. geen eigenaar zouden zijn en dat zij aan levering niet zouden hoeven meewerken, aldus [geïntimeerden] c.s..
2.4
Het hof stelt voorop dat moet worden vastgesteld of de veroordelingen sub I, II en III een onlosmakelijk geheel vormen. Het hof volgt [geïntimeerden] c.s. in hun stelling dat de beslissing over vervangende machtiging (III) niet los kan worden gezien van de beslissing over de vraag wie eigenaar is (I) en over de vraag of Esconado c.s. moeten meewerken aan levering van het perceel aan [geïntimeerden] c.s. (II). Een andersluidende beslissing in hoger beroep op de onderdelen I en II zou onverenigbaar zijn met de onherroepelijke beslissing om vervangende machtiging te verlenen. Aldus vormen de veroordelingen sub I, II en III een onlosmakelijk geheel.
2.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Esconado c.s. niet kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep. Esconado c.s. zullen worden verwezen in de proceskosten.
4. Beslissing
Het hof:
verklaart Esconado c.s. niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt Esconado c.s. hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. begroot op € 291,-- aan verschotten en € 1.341,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, J. Blokland en R.H.C van Harmelen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.
[Mr. J.W. Hoekzema]
Uitspraak 24‑12‑2013
Inhoudsindicatie
Tussenarrest.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.104.950/01
zaaknummer rechtbank : 479761 / HA ZA 11-120
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 december 2013 (bij vervroeging)
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ESCONADOBELEGGINGEN B.V.,
gevestigd te Utrecht,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KORTENHOEF ONROEREND GOED B.V.,
appellanten,
advocaat: mr. H. Kroon te Hilversum,
tegen
1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],
2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],4. [GEÏNTIMEERDE SUB 4],
allen wonend te [woonplaats],
geïntimeerden,
advocaat: mr. T.C.C.J. Schonis te Utrecht.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna Esconado c.s. en [geïntimeerden] genoemd.
Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot 19 juni 2012 verwijst het hof naar het op die datum gewezen tussenarrest.
Nadien hebben partijen hebben de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlating producties aan de zijde van Esconado c.s.;
- antwoordakte aan de zijde van [geïntimeerden].
Ten slotte is wederom arrest gevraagd.
Esconado c.s hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – in conventie – de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen en - in reconventie -, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog haar vorderingen zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.
[geïntimeerden] hebben geconcludeerd dat het hof Esconado c.s. niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van Esconado c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2. Feiten
2.1
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 – 2.11 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn, behoudens hetgeen de rechtbank onder 2.7 heeft overwogen, in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.
2.2
Samengevat komen de feiten neer op het volgende.
2.3
De [familie X - geïntimeerde sub 1 en geïntimeerde sub 3] is sinds het begin van de vorige eeuw eigenaar van het perceel gelegen te [plaats] aan het [adres 1] (hierna: [het perceel 1]). Eerst was de vader van geïntimeerde sub 1(hierna: [geïntimeerde sub 1]) eigenaar, vervolgens [geïntimeerde sub 1] en op dit moment geïntimeerde sub 3 (hierna: [geïntimeerde sub 3]).
2.4
Kollman sr was in gemeenschap van goederen getrouwd met geïntimeerde sub 2 (hierna: [geïntimeerde sub 2]). [geïntimeerde sub 3] is op huwelijkse voorwaarden getrouwd met geïntimeerde sub 4 (hierna: [geïntimeerde sub 4]).
2.5
[geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] zijn gezamenlijk eigenaar van het perceel te [plaats] aan het [adres 2] (hierna: [het perceel 2]). Dit perceel ligt naast [het perceel 1].
2.6
Esconado c.s. zijn sinds 8 januari 2003 eigenaar van het perceel te [plaats], [perceel 3] (hierna: [perceel 3]). Esconado c.s. hebben dit perceel overgenomen van de [familie Y].
2.7
De percelen [adres 2] en [adres 1] grenzen aan de achterkant aan het [perceel 3]. [perceel 3] is een samenvoeging van meerdere, oude kadastrale percelen, te weten:- het (door partijen) zogenoemde “litigieuze perceel”, gelegen direct achter de percelen [adres 2] en [adres 1];- het voormalige [perceel 4], gelegen links naast het litigieuze perceel, achter twee percelen van de heer [Z], buurman van de [familie X - geïntimeerde sub 1 en geïntimeerde sub 3];- diverse (openbare) waterpercelen en grondpercelen, gelegen achter het litigieuze perceel en bereikbaar via het (water van het) litigieuze perceel.
2.8
Het litigieuze perceel bestond oorspronkelijk uit moeras (zod) en water. Sinds (in ieder geval) 1935 wordt het litigieuze perceel gebruikt door de [familie X - geïntimeerde sub 1 en geïntimeerde sub 3]. Het litigieuze perceel bestaat uit drie delen, te weten een deel A, zoals weergegeven op de kaart die als productie 4 bij inleidende dagvaarding in het geding is gebracht, een deel B, zoals weergegeven op de kaart die als productie 5 bij inleidende dagvaarding in het geding is gebracht en een deel C, zoals weergegeven op de kaart die als productie 8 bij inleidende dagvaarding in het geding is gebracht.
2.9
De vader van [geïntimeerde sub 1] heeft omstreeks 1935 een perceel van de heer [Y-A] gehuurd.
2.10
Bij brief van 16 december 1997 heeft de heer [Z], eigenaar van perceel Moleneind 16, aan de heer [Y-B]. – voor zover van belang - het volgende geschreven:“ Het gaat om Kadaster [perceel 3] (…).Door middel van deze brief wil ik U meedelen dat ik zeer geïnteresseerd ben om, mede namens de [familie X - geïntimeerde sub 1 en geïntimeerde sub 3], het betreffende perceel of gedeelte daarvan in eigendom te verwerven (…).De hoofd interesse gaat uit naar het gedeelte A en B van het perceel, waarbij ik zelf het stuk grond grenzend achter mijn stuk grond zou willen verwerven en de [familie X - geïntimeerde sub 1 en geïntimeerde sub 3], het stuk grenzend achter hun bestaande grond. (…)
Hoogachtend
[Z]”
2.11
Bij brief van 10 april 2001 heeft de heer [Y-C] ontruiming door [geïntimeerde sub 1] gevorderd van [perceel 3] en gesommeerd de daarop aangebrachte bouwwerken te verwijderen, waaronder het grensoverschrijdende deel van het woonhuis.
2.12
Bij brief van 18 april 2008 hebben Esconado c.s. de lopende huurovereenkomsten opgezegd en ontruiming door [geïntimeerde sub 1] gevorderd.
2.13
Op 18 december 2010 is [geïntimeerde sub 1] overleden en op 11 mei 2011 is [geïntimeerde sub 2] overleden. Erfgenamen zijn [geïntimeerde sub 3] en zijn zus [A]. Zij hebben deze procedure op naam van de overledenen voortgezet.
3. Beoordeling
3.1
In eerste aanleg hebben [geïntimeerden] een verklaring voor recht gevorderd dat zij - kort gezegd - eigenaar zijn van het hiervoor onder 2.8 weergegeven litigieuze perceel bestaande uit de delen A,B en C zoals nader aangegeven op de bedoelde kaarten (I). Voorts hebben zij gevorderd dat Esconado c.s. hoofdelijk worden veroordeeld medewerking te verlenen aan de inschrijving van de door Kollman verkregen eigendom, met verdeling van de daarmee gemoeide kosten (II) en daarbij te bepalen dat bij het uitblijven van de tijdige medewerking, het vonnis in de plaats kan worden gesteld van de ontbrekende medewerking, bij wijze van reële executie (III). Verder hebben zij - subsidiair - gevorderd dat Esconado c.s., hoofdelijk, wordt verboden op straffe van een dwangsom – kort gezegd – zaken of voorwerpen aan te brengen die de doorvaart belemmeren van het water, zoals aangegeven op de als productie 8 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte kaart (IV), dit alles met hoofdelijke veroordeling van Esconado c.s. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. Als grondslag van deze vorderingen hebben [geïntimeerden] gesteld dat zij door schenking dan wel door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van het litigieuze perceel. Subsidiair hebben zij gesteld recht op vrije doorgang te hebben op grond van de Algemene Plaatselijke Politie Verordening, een erfdienstbaarheid dan wel een uitwegaanwijzing.
3.2.
In reconventie hebben Esconado c.s in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat zij – kort gezegd – integraal eigenaar zijn van het [perceel 3] dan wel dat dit perceel hun eigendom is met uitzondering van het gedeelte van de grensoverschrijdende bebouwing van het woonhuis en tevens hebben zij – kort gezegd - gevorderd dat [geïntimeerden] worden veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis [perceel 3] te ontruimen en te verlaten, met machtiging van Esconado c.s. om die ontruiming op kosten van [geïntimeerden] zelf te bewerkstelligen, zo nodig met hulp van de sterke arm, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten. Aan deze vordering leggen Esconado c.s. ten grondslag dat zij eigenaar zijn van het integrale [perceel 3] en dat het gebruik van het litigieuze perceel van [geïntimeerden] op een huurovereenkomst berustte die is opgezegd.
3.3
De rechtbank heeft de vorderingen I, II en III in conventie van Kollman sr, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] toegewezen en die van [geïntimeerde sub 4] afgewezen. In reconventie zijn de vorderingen van Esconado c.s afgewezen. Zowel in conventie als in reconventie zijn Esconado c.s. in de proceskosten veroordeeld.
Ontvankelijkheid
3.4
In het tussenarrest van 19 juni 2012 heeft het hof het volgende overwogen. Ingevolge artikel 3:301 lid 2 BW moet op straffe van niet-ontvankelijkheid het rechtsmiddel tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van zodanige akte, binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers als bedoeld in artikel 433 Rv. Het hof heeft verder overwogen dat het begrijpt dat de rechtbank in het bestreden vonnis toepassing heeft willen geven aan het bepaalde in artikel 300 lid 2 BW door in het vonnis Esconado c.s. te veroordelen om mee te werken aan de inschrijving van een onroerende zaak, met bepaling dat bij uitblijven van tijdige medewerking het vonnis in de plaats kan worden gesteld van de ontbrekende medewerking, bij wijze van reële executie. Nu vaststaat dat het hoger beroep tegen het bestreden vonnis niet tijdig is ingeschreven in de registers als bedoeld in artikel 433 Rv heeft het hof Esconado c.s. niet-ontvankelijk geacht in het beroep voor zover het beroep is gericht tegen de bepaling, kort gezegd, dat het vonnis in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte. Het hof heeft om proces-economische redenen nog geen beslissing op dat punt in het dictum gegeven en de zaak naar de rol verwezen voor memorie van grieven en elke verdere beslissing aangehouden. Het hof blijft bij hetgeen het heeft overwogen in het tussenarrest.
3.5
Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] onder verwijzing naar jurisprudentie (onder meer het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2007, NJ 2008, 141) aangevoerd dat de veroordelingen I, II en III en de integrale afwijzing van de vorderingen in reconventie een onlosmakelijk geheel vormen. Uit het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] (met uitzondering van [geïntimeerde sub 4]) eigenaar zijn van het litigieuze perceel volgt de inschrijving van dat rechtsfeit bij gebreke waarvan het vonnis in de plaats treedt van de inschrijving. Hiermee is ook gegeven dat de reconventionele vordering moet worden afgewezen. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkheid zich uitstrekt tot alle veroordelingen in het bestreden vonnis en daarmee tot het gehele vonnis, aldus nog steeds [geïntimeerden]
3.6
Zoals hiervoor is overwogen staat vast dat Esconado c.s. het hoger beroep niet heeft laten registeren in het in artikel 433 Rv bedoelde register. De vraag is of en in hoeverre niet alleen veroordeling III maar ook de andere veroordelingen (I en II) van het bestreden vonnis geraakt worden door het feit dat Esconado c.s. niet hebben voldaan aan het bepaalde in artikel 433 Rv. Het hof heeft zich in het tussenarrest van 19 juni 2012 niet over deze vraag uitgelaten maar zich beperkt tot het oordeel dat Esonado c.s niet-ontvankelijk moeten worden verklaard voor het beroep is gericht tegen de bepaling, kort gezegd, dat het bestreden vonnis in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte.
3.7
Over de hiervoor onder 3.6 vermelde vraag en het standpunt van [geïntimeerden] ter zake hebben Esconado c.s zich nog niet uitgelaten, hetgeen het hof wel van belang vindt.
3.8.
Alvorens de zaak verder te beoordelen zal het hof Esconado c.s. eerst in de gelegenheid stellen zich uitlaten over hetgeen hiervoor onder 3.5-3.7 is overwogen.
4. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol voor 4 februari 2014uitlaten akte aan de zijde van Esconado c.s. zoals bedoeld in 3.8.;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, J. Blokland en R.H.C. van Harmelen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 december 2013.
Uitspraak 19‑06‑2012
Mrs. W.J.J. Los, W.J. Noordhuizen, G.C.C. Lewin
Partij(en)
in de zaak van:
- 1.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ESCONADO BELEGGINGEN B.V.,
gevestigd te Utrecht,
- 2.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KORTENHOEF ONROEREND GOED B.V.,
gevestigd te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren,
appellanten,
advocaat: mr. H. Kroon, te Hilversum,
tegen
- 1.
[geïntimeerde 1],
- 2.
[geïntimeerde 2],
- 3.
[geïntimeerde 3],
- 4.
[geïntimeerde 4],
allen wonend te [woonplaats],
geïntimeerden,
advocaat: mr. T.C.C.J. Schonis, te Utrecht.
1. Het geding in hoger beroep
Appellanten zijn bij dagvaarding van 6 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2011 (nummer 479761/HA ZA 11-120).
Bij rolbeslissing van 10 april 2012 zijn appellanten in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep.
Appellanten hebben een akte genomen.
Geïntimeerden hebben bij akte geantwoord.
Arrest is bepaald op heden.
2. Beoordeling
2.1
Ingevolge artikel 3:301 lid 2 BW moet op straffe van niet-ontvankelijkheid het rechtsmiddel tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van zodanige akte, binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel te worden ingeschreven in de registers als bedoeld in artikel 433 Rv.
2.2
Bij het bestreden vonnis zijn appellanten — onder meer — veroordeeld om mee te werken aan de inschrijving van een onroerende zaak, met bepaling dat bij het uitblijven van tijdige medewerking het vonnis in de plaats kan worden gesteld van de ontbrekende medewerking, bij wijze van reële executie.
2.3
Het hof begrijpt dat de rechtbank met deze beslissing toepassing heeft willen geven aan het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW.
2.4
Het hoger beroep tegen het bestreden vonnis is niet tijdig ingeschreven in de registers als bedoeld in artikel 433 Rv.
2.5
Gelet op het voorgaande moeten appellanten niet-ontvankelijk worden verklaard in het beroep voor zover het beroep is gericht tegen de bepaling, kort gezegd, dat het bestreden vonnis in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte.
2.6
Om proceseconomische redenen zal het hof op dit punt nog geen beslissing geven in het dictum van dit arrest.
2.7
De beslissing over de proceskosten zal het hof aanhouden tot de einduitspraak.
3. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 31 juli 2012 voor het nemen van de memorie van grieven;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, W.J. Noordhuizen en G.C.C. Lewin en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 juni 2012.
[mr. G.C.G. Lewin]
Uitspraak 10‑04‑2012
Mr. W.J.J. Los
Partij(en)
Appellant: Esconado Beleggingen B.V. c.s.
Geïntimeerde: [geïntimeerde] c.s.
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Rolbeslissing
Roldatum: 10 april 2012
Motivering
□ Appelgrens
De vordering (in conventie en reconventie) waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen beloopt minder dan het in artikel 332 lid 1 Rv genoemde bedrag van € 1.750,-.
□ Beroepstermijn
□
Het betreft een gewone zaak: het exploot van dagvaarding is niet uitgebracht binnen de in artikel 339 lid 1 Rv voorgeschreven beroepstermijn van drie maanden.
□
Het betreft een kort geding: het exploot van dagvaarding is niet uitgebracht binnen de in artikel 339 lid 2 Rv voorgeschreven beroepstermijn van vier weken.
X. Inschrijving rechtsmiddel
Het eindvonnis waarvan beroep treedt in de plaats van een (deel van een) tot levering van een registergoed bestemde akte. Niet blijkt dat het hoger beroep conform de eis van artikel 3:301 lid 2 BW binnen acht dagen na het instellen daarvan is ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel 433 Rv.
□ Tussenvonnis
Het vonnis waarvan beroep is een tussenvonnis. De rechtbank heeft immers niet reeds door een uitdrukkelijk dictum aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde gemaakt. In het dictum zijn slechts beslissingen gegeven in het kader van de voortgang en de instructie van de zaak. Nu niet blijkt dat de rechtbank in het vonnis of bij afzonderlijke beslissing anders heeft bepaald en het niet gaat om een geval waarin artikel 337 lid 1 Rv van toepassing is, kan hoger beroep van het tussenvonnis derhalve in beginsel slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld.
□ Verstekvonnis
Uit het bestreden eindvonnis kan worden opgemaakt dat appellant en zijn eventuele medegedaagden in eerste aanleg niet zijn verschenen. Indien dat het geval is, dan heeft voor appellant op grond van artikel 335 Rv het rechtsmiddel van verzet opengestaan en niet dat van hoger beroep.
□ Herroeping
Het vonnis waarvan beroep betreft een vordering tot herroeping van (een) vonnis(sen) op grond van artikel 382 Rv. De beslissing inzake de heropening van het geding is op grond van artikel 388 Rv niet vatbaar voor hoger beroep.
In het licht van het voorgaande zal appellant in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep. Geïntimeerde zal bij akte mogen reageren.
Nadat gelegenheid is gegeven voor aktewisseling zal het hof bij rolbeslissing of arrest verder beslissen. Partijen behoeven niet te fourneren voor arrest.
Beslissing
- —
Verwijst de zaak naar de rol van 24 april 2012 voor akte aan de zijde van appellant.
- —
Bepaalt dat geïntimeerde op een termijn van twee weken een antwoordakte mag nemen indien geïntimeerde in het geding is verschenen of alsnog tijdig in het geding verschijnt.
- —
Bepaalt dat zowel voor appellant als voor geïntimeerde eenmaal een uitstel mogelijk is van twee weken.
Deze beslissing is gegeven door de rolraadsheer op 10 april 2012.
- ■
mr. W.J.J. Los
- □
mr. W.J. van den Bergh
- □
mr. G.C.C. Lewin
Handtekening:
Rolbeslissing ontvankelijkheid
12-01-17