HR, 02-05-1938
ECLI:NL:HR:1938:172
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-05-1938
- Zaaknummer
[02051938/NJ_1938_806]
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1938:172, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑05‑1938; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1938:2
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑05‑1938
Inhoudsindicatie
Magnetiseur. Geneeskundige raad en geneeskundige bijstand. Als bedrijf. Wanneer is „noodzaak" (art. 436 Sr.) aanwezig? Het uitoefenen der geneeskunde als bedrijf = het uitoefenen van een beroep in den zin van genoemd artikel.
No. 41816
De Hooge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van [requirant], magnetiseur, geboren den [geboortedatum] 1893 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], requirant van cassatie tegen een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Leeuwarden van den negentienden Januari 1938, waarbij in hooger beroep, met vernietiging van twee vonnissen, door het Kantongerecht te Leeuwarden op 29 April en 27 Mei 1937 in deze zaak gewezen, requirant ter zake van ‘’niet toegelaten tot de uitoefening van een beroep, waartoe de wet eene toelating vordert, buiten noodzaak dat beroep uitoefenen" met aanhaling van de artikelen 23 en 436 1ste lid van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot eene geldboete van vijf en twintig gulden, bij niet-betaling en verhaal te vervangen door vijf en twintig dagen hechtenis;
Gehoord het verslag van den Raadsheer de Menthon Bake;
Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den requirant beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald;
Gelet op de middelen van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij pleidooi, luidende:
1a. ‘’Schending of verkeerde toepassing van artikel 1 der Wet van 1 Januari 1865 Staatsblad 60, regelende de uitoefening der geneeskunst, juncto artikel 436 van het Wetboek van Strafrecht, omdat de Rechtbank in zijn achtste overweging de gronden van het vonnis van den Kantonrechter te Leeuwarden van 27 Mei 1937 overnemende, volgens de vijfde tot twaalfde overweging in verband met de 1e, 2e, 14e, 15e en 16e overweging van laatstgenoemd vonnis heeft aangenomen: 1e. dat het aanraden van gewone huismiddeltjes als suiker en olijfolie en 2e dat de zoogenaamde magnetische uitstraling zou vallen onder de werking van artikel 1 van eerstgenoemde wet, zulks ten onrechte: 1e. omdat hierbij verkeerdelijk ‘’genezende werking’’ (zie 12e overweging) gelijk wordt gesteld met den term ‘’geneeskundige bijstand’’ in de wet; 2e omdat het dagelijksch gebruik en de historische mitsgaders de grammaticale-logische uitlegging van dit artikel het tegendeel leeren’’;
1b. ‘’Schending van dezelfde artikelen onder 1a genoemd, junctis de artikelen 261, 350 en 359 van het Wetboek van Strafvordering, omdat — nadat de dagvaarding alternatief had gesteld: dat, of in (die) kwaliteit van geneeskundige, óf in kwaliteit van magnetiseur de geincrimineerde handelingen zijn gepleegd — de Rechtbank het vonnis van den Kantonrechter en zijn 5e overweging overnemende, heeft aangenomen, dat de bedoelde handelingen alleen in de kwaliteit van magnetiseur zijn gepleegd, daarbij uit het oog verliezende, dat een magnetiseur, die volgens het vermelde alternatief al dan niet als geneeskundige kon optreden, nimmer geneeskundigen raad of bijstand kan hebben verleend, zoodat niet gemotiveerd is waarom op grondslag van de dagvaarding het ten laste gelegde zou zijn bedreven;’’
IIa. ‘’Schending of verkeerde toepassing van artikel 436 van het Wetboek van Strafrecht, omdat de Rechtbank de reeds onder I genoemde overwegingen, mitsgaders de 13e overweging van het vonnis van den Kantonrechter overnemende heeft aangenomen, dat de term ‘’buiten noodzaak’’ ten aanzien van de geneeskundige praktijk zóó moet worden opgevat: dat de noodzaak slechts dan te veronderstellen is ‘’als op een gegeven oogenblik ergens medische hulp dringend noodig is en aldaar op het oogenblik een wettelijk bevoegd geneeskundige niet is te verkrijgen’’, ten onrechte, omdat noch de taalkundige wetstekst noch de historie daartoe aanleiding geven en veeleer een zwakkere opvatting van het begrip ‘’noodzaak’’ rechtvaardigen;’’
IIb. Schending enz. van het zelfde artikel, omdat op grond van de sub I vermelde overwegingen de Rechtbank heeft aangenomen, dat het ter beschikking stellen van magnetische krachten onder de begripsbepaling van het element ‘’beroep’’ zou kunnen vallen, ten onrechte, omdat de term ‘’beroep’’ de toepassing van door studie of ervaring verkregen kundigheden of vaardigheden veronderstelt, terwijl de magnetische kracht op een natuurgave berust;’’
Gehoord den Procureur-Generaal Berger, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep;
Overwegende dat bij het bestreden vonnis, — met qualificatie en strafoplegging als voormeld, — is bewezen verklaard het aan requirant telaste gelegde, luidende:
dat hij te [plaats], ofschoon niet toegelaten tot het beroep van geneeskundige, waartoe de wet eene toelating vordert, op verschillende tijdstippen in althans omstreeks de eerste drie maanden van 1937, telkens buiten noodzaak dat beroep heeft uitgeoefend door telkens aldaar als magnetiseur, zitting houdende, aan personen, die op de aldaar door hem gehouden zitdagen zich bij hem vervoegden met klachten over hunne lichamelijke toestand, als bedrijf geneeskundigen raad en bijstand te verleenen in dien vorm, dat hij zijne bezoekers het gebruik van bepaalde niet door hem geleverde middelen of bepaalde door hem genoemde baden voorschreef of aanbeval, dan wel de lichaamsdeelen, waarover geklaagd werd, met één hand of beide handen betastte, wreef of aanraakte, voorwendende, dat daardoor genezing of vermindering der door zijne bezoekers geuite klachten en bezwaren zou worden bereikt, voor welke geneeskundige raad en bijstand hem, verdachte, meermalen een bedrag in geld is betaald geworden;
Wat de middelen betreft;
Overwegende ten aanzien van de middelen I a en b, dat het voorschrijven of aanbevelen aan hen, die zijn hulp inroepen, van bepaalde middelen, voorwendende, dit is te kennen gevende, dat deze zouden strekken tot genezingen hunner klachten of bezwaren, valt onder het verleenen van geneeskundigen raad in den zin van artikel 1 der Wet van 1 Juni 1865, Staatsblad 60, regelende de uitoefening der geneeskunst, terwijl het betasten, wrijven of aanraken der lichaamsdeelen, waarover geklaagd wordt, met diezelfde uitgesproken strekking, valt onder geneeskundigen bijstand in den zin van genoemd artikel;
dat toch de wet het begrip ‘’het verleenen van geneeskundigen raad of bijstand als bedrijf’’ niet uitdrukkelijk beperkt tot die geneeskunde, welke van overheidswege onderwezen wordt, terwijl die woorden op zich zelf ook niet die beperkende beteekenis hebben;
dat hieruit volgt, dat requirant, handelende als bewezen is verklaard, de geneeskunst heeft uitgeoefend;
dat verder het middel Ib feitelijken grondslag mist, omdat bij de telastelegging niet alternatief gesteld is, dat requirant de daarbij omschreven handelingen verrichtte als geneeskundige althans als magnetiseur, maar dat hij die handelingen bedreef, terwijl hij zitting hield in een dier beide kwaliteiten, zoodat uit de bij het bestreden vonnis gegeven vrijspraak van het te dien aanzien primair te laste gelegde enkel voortvloeit, dat hij die handelingen verrichtte tijdens de uitoefening van zijn bedrijf als magnetiseur, hetgeen niet uitsluit dat hij door die handelingen geneeskundigen raad of bijstand heeft verleend;
Overwegende ten aanzien van het middel II a:
dat van noodzaak in den zin van artikel 436 van het Wetboek van Strafrecht alleen dan kan worden gesproken, als plotseling geneeskundige hulp dringend noodzakelijk blijkt, en zoodanige hulp niet dadelijk van een bevoegde is te verkrijgen, van welke omstandigheid ten deze niet is gebleken, zoodat de Rechtbank in het bestreden vonnis niet van een onjuiste opvatting van bedoeld begrip is uitgegaan;
Overwegende ten aanzien van het middel II b:
dat, daar, gelijk uit het hiervoor met betrekking tot de middelen I a en b overwogene volgt, requirant, zitting houdende als magnetiseur, geneeskundigen raad en bijstand verleend heeft, en bewezen is, dat hij daarvoor geld aannam, hij dien raad of bijstand heeft verleend als bedrijf;
dat het uitoefenen van de geneeskunst als bedrijf als het uitoefenen van een beroep in den zin van artikel 436 van het Wetboek van Strafrecht moet worden beschouwd;
dat toch het begrip ‘’beroep’’ naar zijn taalkundige beteekenis niet beperkt is tot het toepassen van door studie of ervaring gekregen kundigheden of vaardigheden, gelijk in het middel wordt gesteld, terwijl strekking noch geschiedenis van dit artikel noopt aan dat begrip in dit artikel de beteekenis te hechten, welke dit middel daaraan toekent;
Overwegende dat derhalve geen der middelen tot cassatie leiden kan;
Verwerpt het beroep.
Gewezen te ’s-Gravenhage bij de Heeren Visser, Vice-President, de Menthon Bake, Fick, Servatius en van der Meulen, Raden, in bijzijn van den Griffier Suyling, die dit arrest hebben onderteekend, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den tweeden Mei 1900 Acht en Dertig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren, alsmede van den Advocaat-Generaal Wijnveldt, - met uitzondering echter van den Raadsheer Fick, die verhinderd was geworden bij de uitspraak tegenwoordig te zijn en dit arrest te onderteekenen.