NJB 2023/398:Getuigenverzoek ingeval ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend vanwege de gezondheid of het welzijn van de getuige tevens slachtoffer (betreft ontuchtzaak met minderjarige stiefdochter), art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Sv: – Herhaling en toepassing HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 (Post-Keskin). Uiteenzetting hoe de rechter dient na te gaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces uit art. 6 EVRM. Daarbij is volgens HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, r.o. 2.4.2 het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. – Nader kader art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Sv: de vraag of het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, moet gemotiveerd worden beantwoord tegen de achtergrond van art. 6 EVRM. Daarbij kan van belang zijn of de rechter zich heeft uitgelaten over de mogelijkheid om bij het horen als getuige maatregelen te treffen ter bescherming van de getuige. – In casu kon het hof oordelen dat, gelet op de door de deskundige omschreven ziekelijke stoornis en inschatting van de te verwachten gevolgen van een nieuw verhoor, het verzoek tot het horen van slachtoffer moet worden afgewezen. Daaraan doet niet af dat de deskundige heeft gerapporteerd dat niet de indruk bestaat dat slachtoffer door een verhoor ‘volledig zal decompenseren, zodanig dat er een gevaar voor zichzelf (in de vorm van bijvoorbeeld suïcide) of anderen zal optreden’ en dat het ook wel de verwachting is dat zij van een verhoor ‘op termijn weer zal herstellen’. - In casu kon het hof de door slachtoffer bij de politie afgelegde verklaringen voor het bewijs gebruiken; de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces uit art. 6 EVRM. A-G: anders. – In casu sprake is van een andere situatie dan EHRM 18 juli 2013, nr. 59632/09 (Vronchenko/Estland), omdat de verdediging nu pas in hoger beroep te kennen heeft gegeven het slachtoffer te willen ondervragen. – De omstandigheid dat het in casu – achteraf bezien – mogelijk was geweest om de verdediging al bij het verhoor van een getuige door de politie gelegenheid tot ondervraging te bieden, maar die gelegenheid toen niet is geboden, staat op zichzelf er niet aan in de weg dat de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces uit art. 6 EVRM. Daarvoor zijn immers onder meer ook van belang alle compenserende factoren die op enig moment in de strafzaak zijn geboden of hebben bestaan.