Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/4.3.3
4.3.3 Verhouding tussen art. 6:2 BW en art. 6:248 BW
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS583831:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 februari 2006, NJ 2007, 378 (Royal & Sun Alliance/Universal Pictures).
Zo ook Deschenaux 1942, p. 595a. Vgl. Valk 1992b, p. 165.
Vgl. Valk 1992b, p. 164, met verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de invoeringswet.
Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 457, alwaar onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis wordt opgemerkt: 'Dit „de buitengrens van art. 6:248 BW bepalende karakter' komt art. 6:258 BW juist toe, omdat het een specialis (d.w.z. een meer toegespitste norm met een eigen sanctieregeling) bevat.' Anders: Abas 2000, p. 249-251. Zie voor een kritische reactie op het artikel van Abas Hartkamp 2000, p. 395-396. Zie voorts Schelhaas 2004, p. 75-76.
Aldus, met verwijzing naar HR 14 december 2001, NI 2002, 45, Groene Serie Verbintenissenrecht, commentaar op art. 2 Boek 6 BW (Koot). Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 406. Zie ook het recente arrest HR 30 september 2011, JAR 2011, 277 m. nt. F.G. Laagland.
Voor een kritische bejegening van het begrip 'complex', zie Valk 1992b, p. 165. Zie ook Reurich 2005a, p. 155: 'Het zijn wonderlijke woorden: art. 6:258 BW voor 'gecompliceerde' gevallen. Wonderlijk, niet alleen vanwege de suggestie dat bij de toepassing van art. 6: 258 BW eerst een prealabele vraag naar de gecompliceerdheid van de voorliggende problematiek moet worden beantwoord. Het is vooral de gedachte dat rechtsproblematiek zich op voorhand als meer of minder gecompliceerd zou aandienen die bevreemding wekt.'
TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 970. Vgl. Van der Heijden 1987, p. 84-85 en Van Brakel 1948, § 376. Vgl. voorts Clavareau 1943, p. 277 en Deschenaux 1942, p. 595a.
Deze onderworpenheid van de rechter aan het objectieve recht komt fraai tot uidrukking in de uitspraak van het Duitse BGH, NJW 1953, 1586, waarin met betrekking tot rechterlijke contractsaanpassing vanwege een „Wegfall der Geschgtsgrundlage' werd overwogen dat 'die Anpassung des Verfrages eine Frage ist nicht der Rechtsgestaltung sondern der Rechtsfindung; auch in diesem Falie schafft das richterliche Urteil nicht die rechtlichen Beziehungen der Parteien neu, sondern es spricht nur aus, welche Umgestaltung die bestehenden Rechtsbeziehungen durch die Verinderung der Umsdnde nach Treu und Glauben erlitten haben.' Vgl. te dezen voorts Palandt 1985, § 242, 6 bf en, voor de huidige Duitse wettelijke regeling voor onvoorziene omstandigheden (§ 313 BGB), Larenz/Wolf 2004, p. 709. Overigens is denkbaar dat de rechter een hem voorgelegd geval van imprévision niet op de voet van art. 6:258 BW wil beslechten, omdat het niet (voldoende) gecompliceerd is en eenvoudig via een declaratoir kan worden beslecht. Dit staat hem, gelet op de in het arrest Briljant Schreuders/ABP (HR 20 februari 1998, NJ 1998, 493) vervatte oproep aan de rechter om terughoudendheid te betrachten bij het aanvaarden van een beroep op art. 6:258 BW, vrij. Genoemde roep om terughoudendheid moet overigens niet worden verward met een aansporing aan de rechter om een verlangen ex art. 6:258 BW 'marginaal' te toetsen. In de woorden van Reurich (Reurich 2005b, p. 8): 'de toetsing is altijd volledig, al zal het feit dat reeds een contractuele regel voorligt van zodanig gewicht zijn dat de toetsing doorgaans niet in een beperking resulteert.' Anders gezegd: redelijkheid en billijkheid werken als fundamentele gedragsnorm steeds ten volle door in de rechtsverhouding tussen partijen. Hoewel redelijkheid en billijkheid in de regel met zich zullen brengen dat partijen elkaar mogen houden aan het eens gegeven woord, laat dit onverlet dat de rechter desverzocht steeds 'vol' (d.w.z. met inachtneming van alle gezichtspunten die art. 3:12 BW hem gebiedt in zijn overwegingen te betrekken) heeft te toetsen of een afwijking van dit uitgangspunt in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geboden is. Vgl. Meijer 1990, p. 135 e.v.
Vgl. Wiarda 1988, in het bijzonder de pp. 14, 21 en 28-29.
HR 25 juni 1999, NJ 1999, 602.
Het is blijkens het voorgaande, op grond van de in art. 6:2 BW vervatte gedragsnorm, primair aan partijen zelf om op zinvolle wijze vorm te geven aan een wijziging van de contractsverhouding, indien en voor zover de in genoemd artikel verankerde eisen van redelijkheid en billijkheid daartoe, in verband met het intreden van onvoorziene omstandigheden, nopen. Blijven partijen echter achter ten opzichte van hetgeen door het objectieve recht van hen aan redelijkheid en billijkheid wordt geëist, dan voert ditzelfde objectieve recht — dwingend en van rechtswege — datgene voor hen door, wat partijen hebben nagelaten uit zichzelf te doen. Al naar gelang de aard van de onvoorziene omstandigheden zal de door het objectieve recht aangewezen billijke oplossing van de imprévision-problematiek kunnen bestaan uit aanvulling (art. 6:248 lid 1 BW) van de betreffende contractuele regel, ofwel uit (al dan niet gedeeltelijke)1 beperking (art. 6:248 lid 2 BW) daarvan ofwel uit een combinatie van beide.2
Hier past evenwel een caveat: niet steeds zullen beide functies van art. 6:248 BW in imprévision-situaties hun aanvullende en/of beperkende werk kunnen (blijven) doen in de rechtsverhouding van partijen. Dit volgt uit de Memorie van Toelichting bij de invoeringswet. Aldaar wordt opgemerkt dat 6:258 BW
"de buitengrens van art. 6:248 BW bepaalt voor gevallen die te gecompliceerd zijn om anders dan bij een constitutief vonnis, omringd met de waarborgen van art. 6:258 BW en art. 6:260 BW, in de verhouding van partijen in te grijpen. (curs. PSB)"
Waar sprake is van niet-complexe imprévision-situaties (en de "buitengrens" derhalve niet wordt bereikt) doen de redelijkheid en billlijkheid derhalve ook in imprévisionsituaties gewoon hun aanvullende en/of beperkende werk.3 Dat wordt anders, indien de complexiteit van de imprévision-situatie van een zodanige aard is dat rechterlijke tussenkomst onontbeerlijk wordt. Voor zulke gevallen heeft de wetgever gemeend dat deze niet anders dan bij constitutief vonnis kunnen worden opgelost.4 Is van een dergelijk, complex geval sprake, dan is voor de aanvullende of beperkende werking ex art. 6:248 BW geen plaats.5 Dit behoeft geen verbazing te wekken: uit de redelijkheid en billijkheid kunnen, naar algemeen wordt aangenomen, nu eenmaal geen rechten of verplichtingen voortvloeien, die onverenigbaar zijn met het systeem dat de wet voor het voorliggende geval inhoudt.6 Het systeem van de wet houdt op het terrein van onvoorziene omstandigheden in dat complexe gevallen niet "anders dan bij een constitutief vonnis, omringd met de waarborgen van art. 6:258 BW en art. 6:260 BW" tot een einde kunnen worden gebracht: partijen hebben in zo'n geval derhalve enkel de keuze uit onverkorte contractshandhaving of de gang naar de rechter.7 Dient die gang te worden gemaakt, dan is het, blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 6:258 BW, vervolgens aan de rechter om te "concretiseren" wat redelijkheid en billijkheid van partijen in hun verhouding eisen 8 Ook de rechter dient zich bij het eventueel wijzigen of ontbinden van de hem voorgelegde overeenkomst derhalve te richten naar de gedragsnorm van redelijkheid en billijkheid, ofwel naar de eisen die het objectieve (ongeschreven) recht aan partijen stelt in het licht van de opgetreden, onvoorziene omstandigheden.9 Ook hier is derhalve de rechter nimmer "lui même sa règle", maar past hij het recht toe, zoals dit tussen partijen geldt.10
De vraag dringt zich op hoe — in niet-complexe gevallen — de hier besproken werking van rechtswege van art. 6:248 BW zich in de rechtsrelatie tussen partijen openbaart. Deze vraag zal in de thans volgende paragraaf worden behandeld aan de hand van het arrest VvE/CSM.11