Art. 13 Wet VPB 1969 bevat de deelnemingsvrijstelling. De voordelen uit hoofde van een deelneming zijn vrijgesteld. Dit betreft zowel de dividenden als de vermogensresultaten en ziet zowel op winsten als verliezen. Een verlies op een deelneming is slechts aftrekbaar bij liquidatie (zie art. 13d). De deelnemingsvrijstelling is in beginsel een brutovrijstelling. De kosten van verwerving en vervreemding zijn echter op grond van het eerste lid vrijgesteld en dus niet aftrekbaar (aant. 2). Van een deelneming is sprake bij een belang van ten minste 5% in een aandelenvennootschap, een fonds voor gemene rekening of een open commanditaire vennootschap en in alle gevallen van lidmaatschap van een coöperatie. Anders dan voorheen wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen binnen- of buitenlandse belangen (aant. 3). De bepaling dat de deelnemingsvrijstelling niet geldt voor aandelen welke als voorraad worden gehouden, is vervallen.
Het stemrechtcriterium dat tot 2007 was opgenomen in art. 13g wordt voortgezet in art. 13, derde lid (aant. 4).
Winstbewijzen en art. 10,1,d-vorderingen worden tot de deelneming gerekend, dan wel vormen een deelneming indien zij zien op een verbonden lichaam dan wel indien een verbonden lichaam een deelneming heeft (aant. 5).
Indien niet wordt voldaan aan het 5% vereiste van het tweede lid, zal niettemin op grond van de meesleepregeling van het vijfde lid sprake zijn van een deelneming. Zo kan een belang van minder dan 5% een deelneming zijn indien het belang een verbonden vennootschap betreft of indien een verbonden lichaam een deelneming in het belang heeft (aant. 6).
Earn-outregelingen en regelingen inzake prijsaanpassingen vallen onveranderd onder de deelnemingsvrijstelling (aant. 7).
Bij beschikking vooraf kan het resultaat op afdekking van het valutarisico dat met de deelneming wordt gelopen, onder de deelnemingsvrijstelling worden gebracht. Anders dan voorheen geldt dat ook voor het valutarisico van de lening waarmee de deelneming is gefinancierd (aant. 8).
Beleggingsinstellingen hebben geen recht op toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Een belang van minder dan 5% kan een deelneming zijn indien het belang een verbonden vennootschap betreft of indien een verbonden lichaam een deelneming in het belang heeft (aant. 9).
In beginsel is sprake van een deelneming bij een belang van 5% of meer in een vennootschap (zie hiervoor). Een uitzondering geldt echter indien de bezittingen van de vennootschap voor meer dan 50% middellijk of onmiddellijk uit beleggingen bestaan én het tarief waaraan de vennootschap is onderworpen minder dan 10% bedraagt (laagbelaste beleggingsdeelneming) (aant. 10-12). Op deze deelnemingen is een (forfaitair) verrekeningstelsel van toepassing (art. 13aa en 23c). Bezittingen die worden aangewend voor passieve financiering worden aangemerkt als belegging (aant. 13).
Voor de vastgoedbeleggingsdochter is bij tweede nota van wijziging een uitzondering opgenomen (aant. 15).
Bij wijziging van hoedanigheid zal compartimentering gelden zowel met betrekking tot dividenden als vermogensresultaten.
Voor een belang van minder dan 5%, dat ontstaat nadat ten minste één jaar sprake is geweest van een deelneming geldt nog drie jaar nadien de deelnemingsvrijstelling (aant. 16). Een belang van minder dan 5% dat tot 2007 (op 31 december 2006) als deelneming is aangemerkt, behoudt die kwalificatie tot en met 2009 (aant. 17).
Het vorenstaande geldt tot 1 januari 2010. Met ingang van 1 januari 2010 is de regeling inzake de laagbelaste beleggingsdeelneming aangepast. Zie in dit verband aant. 1.20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 13 Wet VPB 1969 (vanaf 1 januari 2007), aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 04-01-2021
04-01-2021, dit tijdvak van art. 13 is vervallen, het commentaar wordt niet meer bijgewerkt.
01-01-2007 tot: 01-01-2010
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 13 Wet VPB 1969 (vanaf 1 januari 2007), aant. 1.1
Vennootschapsbelasting (V)
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 13
Beschouwing
Art. 13 Wet VPB 1969 bevat de deelnemingsvrijstelling. De voordelen uit hoofde van een deelneming zijn vrijgesteld. Dit betreft zowel de dividenden als de vermogensresultaten en ziet zowel op winsten als verliezen. Een verlies op een deelneming is slechts aftrekbaar bij liquidatie (zie art. 13d). De deelnemingsvrijstelling is in beginsel een brutovrijstelling. De kosten van verwerving en vervreemding zijn echter op grond van het eerste lid vrijgesteld en dus niet aftrekbaar (aant. 2). Van een deelneming is sprake bij een belang van ten minste 5% in een aandelenvennootschap, een fonds voor gemene rekening of een open commanditaire vennootschap en in alle gevallen van lidmaatschap van een coöperatie. Anders dan voorheen wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen binnen- of buitenlandse belangen (aant. 3). De bepaling dat de deelnemingsvrijstelling niet geldt voor aandelen welke als voorraad worden gehouden, is vervallen.
Het stemrechtcriterium dat tot 2007 was opgenomen in art. 13g wordt voortgezet in art. 13, derde lid (aant. 4).
Winstbewijzen en art. 10,1,d-vorderingen worden tot de deelneming gerekend, dan wel vormen een deelneming indien zij zien op een verbonden lichaam dan wel indien een verbonden lichaam een deelneming heeft (aant. 5).
Indien niet wordt voldaan aan het 5% vereiste van het tweede lid, zal niettemin op grond van de meesleepregeling van het vijfde lid sprake zijn van een deelneming. Zo kan een belang van minder dan 5% een deelneming zijn indien het belang een verbonden vennootschap betreft of indien een verbonden lichaam een deelneming in het belang heeft (aant. 6).
Earn-outregelingen en regelingen inzake prijsaanpassingen vallen onveranderd onder de deelnemingsvrijstelling (aant. 7).
Bij beschikking vooraf kan het resultaat op afdekking van het valutarisico dat met de deelneming wordt gelopen, onder de deelnemingsvrijstelling worden gebracht. Anders dan voorheen geldt dat ook voor het valutarisico van de lening waarmee de deelneming is gefinancierd (aant. 8).
Beleggingsinstellingen hebben geen recht op toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Een belang van minder dan 5% kan een deelneming zijn indien het belang een verbonden vennootschap betreft of indien een verbonden lichaam een deelneming in het belang heeft (aant. 9).
In beginsel is sprake van een deelneming bij een belang van 5% of meer in een vennootschap (zie hiervoor). Een uitzondering geldt echter indien de bezittingen van de vennootschap voor meer dan 50% middellijk of onmiddellijk uit beleggingen bestaan én het tarief waaraan de vennootschap is onderworpen minder dan 10% bedraagt (laagbelaste beleggingsdeelneming) (aant. 10-12). Op deze deelnemingen is een (forfaitair) verrekeningstelsel van toepassing (art. 13aa en 23c). Bezittingen die worden aangewend voor passieve financiering worden aangemerkt als belegging (aant. 13).
Voor de vastgoedbeleggingsdochter is bij tweede nota van wijziging een uitzondering opgenomen (aant. 15).
Bij wijziging van hoedanigheid zal compartimentering gelden zowel met betrekking tot dividenden als vermogensresultaten.
Voor een belang van minder dan 5%, dat ontstaat nadat ten minste één jaar sprake is geweest van een deelneming geldt nog drie jaar nadien de deelnemingsvrijstelling (aant. 16). Een belang van minder dan 5% dat tot 2007 (op 31 december 2006) als deelneming is aangemerkt, behoudt die kwalificatie tot en met 2009 (aant. 17).
Het vorenstaande geldt tot 1 januari 2010. Met ingang van 1 januari 2010 is de regeling inzake de laagbelaste beleggingsdeelneming aangepast. Zie in dit verband aant. 1.20.