Einde inhoudsopgave
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/6.3
6.3 Art. 2:139 BW en afgeleide actie
mr. D.A.M.H.W. Strik, datum 20-07-2010
- Datum
20-07-2010
- Auteur
mr. D.A.M.H.W. Strik
- JCDI
JCDI:ADS438373:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kroeze 2004, p. 23. Van Andel/Rutten 2008, p. 179-180 gaan in op de situatie waarin de misleidende voorstelling schade voor de vennootschap tot gevolg heeft. Mij is niet duidelijk op welke situaties zij doelen. Indien door een versluiering van de financiële situatie van de vennootschap niet eerder adequate maatregelen getroffen hadden kunnen worden, is die schade primair niet veroorzaakt door de financiële voorstelling maar door de wijze van taakvervulling door het bestuur. De vermogenspositie van de vennootschap verslechtert dan niet door de versluiering in de jaarrekening, maar door de wijze waarop het bestuur zijn taak heeft vervuld.
De regeling van art. 2:139 BW is een concretisering van de onrechtmatige daadsactie. Het onrechtmatigheidscriterium wordt ingevuld door de misleidendheid.
Deze regeling richt zich rechtstreeks tot de bestuurders van de N.V. Dit biedt met name voordelen in geval van faillissement van de vennootschap, maar ook voor aandeelhouders, indien de functionarissen die misleidende financiële stukken hebben opgesteld nog in functie zijn en niet voornemens zijn de vennootschap henzelf te laten aanspreken op grond van onbehoorlijke taakuitoefening op grond van art. 2:9 BW, of indien hun opvolgers dat weigeren.1
Bestuurders kunnen een claim op basis van deze regeling in principe niet afweren met de stelling dat aandeelhouders slechts afgeleide schade vorderen. In principe zou ook bij een reguliere onrechtmatige daadsactie jegens de vennootschap in verband met misleidende financiële stukken het beroep op afgeleide schade niet opgaan, omdat de vermogenspositie van de vennootschap door de misleidende voorstelling niet verandert.2