Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.3.d:5.3.d Toelaatbaarheid onder verdragsrecht
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.3.d
5.3.d Toelaatbaarheid onder verdragsrecht
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS607107:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Noch in hoger beroep, noch in cassatie, worden strenge eisen gesteld aan de inhoud van bezwaren, althans buiten de artikelen 410a Sv en 80a RO om. Het grievenvereiste in hoger beroep en het middelenvereiste in cassatie zijn en blijven daarom in dit opzicht vermoedelijk ruim binnen de grenzen van het verdragsrecht.1 Onder artikel 6 EVRM laat het EHRM immers toe dat nationaal recht vereist dat bezwaren in beroep voldoende precies zijn, een uiteenzetting bevatten van de relevante feiten, verwijzen naar beweerdelijk geschonden regels en een verzoek om een wenselijke uitkomst bevatten.2 Weliswaar laat de jurisprudentie zien dat het EHRM kritisch kan zijn op enig bezwaarvereiste, maar daarbij beperkt het zich doorgaans tot legaliteits- of willekeurtoetsing. Indien een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat de grieven te vaag zijn, dan laat het EHRM dat in zijn algemeenheid toe, tenzij het zelf van oordeel is dat de bezwaren duidelijk genoeg waren.3
De ruimte die het verdragsrecht laat voor inhoudelijke toegangsbeoordeling aan de hand van een bezwaareis, wordt door het Nederlandse recht dus niet volledig gebruikt. De redenen daarvoor zijn hierboven uiteengezet. Voor cassatie geldt in het bijzonder dat de inhoudelijke toetsing van de middeleneis (grotendeels) overbodig is gemaakt of is geabsorbeerd in artikel 80a RO. Dit heeft consequenties voor de intensiteit waarmee het EHRM de motivering van toegangsweigering toetst. In plaats van dat beroepen worden afgewezen met de specifieke motivering dat de middelen te vaag of onvoldoende onderbouwd zijn etc., vindt in het kader van artikel 80a RO in beginsel niet-ontvankelijkverklaring plaats met de algemene motivering dat het beroep klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden en/of daarbij klaarblijkelijk onvoldoende belang bestaat.4 Met het oog op verdragsconformiteit lijkt dat een ‘veilige’ ontwikkeling. Het EHRM blijkt namelijk kritischer te toetsen indien een beroep op specifieke inhoudelijke gronden niet-ontvankelijk wordt verklaard,5 dan wanneer de toegang wordt geweigerd op algemeen geformuleerde, verlofachtige gronden zoals ‘manifest ongegrond’ of ‘onvoldoende belang’.6 Laatstgenoemde toegangsbeoordeling beschouwt het EHRM namelijk als leave to appeal, in welk geval het de motivering van toegangsweigering zeer terughoudend beoordeelt. Omdat artikel 80a RO volgens het EHRM waarschijnlijk als leave to appeal zal kwalificeren, zal inhoudelijke beoordeling van bezwaren binnen het kader van die bepaling vermoedelijk minder snel tot een schending leiden dan specifieke motivering van de afwijzing van toegang op grond van de ‘stellige en duidelijke klachten’-rechtspraak.
Eén nuance moet hierbij wel worden gemaakt. In de schaarse gevallen waarin artikel 14 lid 5 IVBPR op de toegangsbeoordeling op cassatie van toepassing is, moet de motivering van toegangsweigering op inhoudelijke gronden waarschijnlijk preciezer dan met een standaardmotivering duidelijk maken om welke redenen het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.7