Rb. Den Haag, 18-10-2021, nr. NL21.13892
ECLI:NL:RBDHA:2021:11485
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
18-10-2021
- Zaaknummer
NL21.13892
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2021:11485, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 18‑10‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 18‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Dublin, Bulgarije
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.13892
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam] eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).
Procesverloop
Bij besluit van 24 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1992 en de Iraakse nationaliteit te bezitten.
2. Eiser heeft op 5 april 2021 een asielaanvraag ingediend. Niet in geschil is dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Bulgarije heeft een terugnameverzoek van Nederland aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d van de Verordening (EU) Nr. 604/13 (Dublinverordening).
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek aan zich had moeten trekken. Hij stelt te vrezen voor een onmenselijke behandeling bij overdracht aan Bulgarije. Ook vreest hij dat hij door de Bulgaarse autoriteiten zal worden uitgezet naar zijn land van herkomst. Eiser heeft eerder in Bulgarije in detentie gezeten, hij is mishandeld en hij had geen toegang tot het recht. Uit het claimakkoord volgt dat de Bulgaarse autoriteiten zijn asielaanvraag hebben afgewezen, maar eiser was niet bekend met een lopende aanvraag in Bulgarije.
Eiser meent dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangomstandigheden. Hij wijst op de uitspraak van een Italiaanse rechtbank. Ook wijst hij erop dat in het AIDA rapport van februari 2021 is opgenomen dat asielzoekers die na een afwijzing zijn vertrokken of van wie de beslissing in afwezigheid is genomen in een detentiecentrum worden geplaatst. Verder is uit het rapport op te maken dat de meerderheid van de Dublinterugkeerders de toegang tot opvanglocaties wordt ontzegd.
Eiser heeft verklaard naar Nederland te zijn gekomen vanwege zijn geaardheid. Hij heeft in Bulgarije geen bescherming gekregen. Een verschil in bescherming tussen lidstaten is aan te merken als een tekortkoming in de procedure in Bulgarije. Bulgarije zal hem uitzetten.
Gelet hierop had verweerder gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder heeft geen individuele garanties gekregen over de opvang en toelating tot de asielprocedure van eiser in Bulgarije.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben de Bulgaarse autoriteiten toegezegd dat zij het asielverzoek van eiser in behandeling zullen nemen met in achtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. Dat betekent dat geen sprake zal zijn van uitzetting naar het land van herkomst in strijd met het verbod van refoulement. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. . Eiser heeft het tegendeel niet met documenten aannemelijk gemaakt.
5. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat het laatste AIDA landenrapport over Bulgarije1.geen aanleiding geeft voor de conclusie dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Bulgarije.2.Voor zover eiser stelt dat hij vanwege de afwijzing van zijn eerdere asielprocedure in Bulgarije na overdracht in detentie zal worden geplaatst, geldt dat eiser een opvolgende aanvraag kan indienen waaraan hij nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zal moeten leggen, waarna hij alsnog opvang zal kunnen krijgen.
6. Evenzeer terecht heeft verweerder overwogen dat de enkele omstandigheid dat de uitspraak van de Italiaanse rechter waar eiser in zijn zienswijze naar heeft gewezen geen reden vormt voor een andere conclusie. Uit de door eiser overgelegde informatie over die uitspraak blijkt namelijk niet op welke feitelijke grondslag de rechter concludeert dat overdracht aan Bulgarije leidt tot schending van artikel 3 EVRM
7. Ook uit eisers persoonlijke relaas heeft verweerder terecht niet geconcludeerd dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Voor zover eiser stelt dat hij in Bulgarije ten onrechte geen bescherming heeft gekregen, geldt dat de Dublinprocedure is bedoeld om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen. Dat sprake is van een verschil in beleid tussen Nederland en Bulgarije voor het bieden van bescherming aan asielzoekers met een lhbti-gerichtheid, heeft eiser niet met stukken onderbouwd.
Niet is gebleken dat eiser eerder in strijd met het Unierecht in detentie heeft gezeten. Verder volgt uit zijn verklaringen dat hij niet over de detentie en de wijze waarop hij daar zegt te zijn behandeld heeft geklaagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat voor hem niet mogelijk was.
8. Er was voor verweerder dan ook geen aanleiding om in het geval van eiser individuele garanties te vragen aan de Bulgaarse autoriteiten.
Verweerder heeft in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑10‑2021
Zie ook Rechtbank Den Haag 11 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4579 en 21 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10688.