Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 20-03-2025, nr. C-61/24
ECLI:EU:C:2025:197
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
20-03-2025
- Magistraten
C. Lycourgos, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei, N. Fenger
- Zaaknummer
C-61/24
- Roepnaam
Lindenbaumer
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:197, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑03‑2025
Uitspraak 20‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed — Verordening (EU) nr. 1259/2010 — Artikel 8, aanhef en onder a) en b) — Begrip ‘gewone verblijfplaats’ van de echtgenoten — Diplomatieke status van een van de echtgenoten — Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer
C. Lycourgos, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei, N. Fenger
Partij(en)
In zaak C-61/24 [Lindenbaumer] i.,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 20 december 2023, ingekomen bij het Hof op 29 januari 2024, in de procedure
DL
tegen
PQ,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei (rapporteur) en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
PQ, vertegenwoordigd door V. O. G. Vorwerk, Rechtsanwalt,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en J. Simon als gemachtigden,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door G. Karipsiadis en T. Papadopoulou als gemachtigden,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Vollrath en W. Wils als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (PB 2010, L 343, blz. 10).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen DL en PQ over de bepaling van het op hun echtscheiding toepasselijke recht.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
Artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, gesloten te Wenen op 18 april 1961 en in werking getreden op 24 april 1964 (United Nations Treaty Series, deel 500, blz. 95; hierna: ‘Verdrag van Wenen’), bepaalt:
‘De diplomatieke ambtenaar geniet immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken van de ontvangende staat. Hij geniet eveneens immuniteit ten aanzien van de burger- en administratiefrechtelijke rechtsmacht van die staat, met uitzondering van de volgende gevallen:
- (a)
een zakelijke actie betreffende particulier onroerend goed dat gelegen is op het grondgebied van de ontvangende staat, tenzij hij dit onroerend goed onder zich heeft ten behoeve van de zendstaat voor de werkzaamheden van de zending;
- (b)
een geding betreffende erfopvolging waarin de diplomatieke ambtenaar als particulier en niet ten behoeve van de zendstaat betrokken is als uitvoerder van een uiterste wilsbeschikking, bewindvoerder, erfgenaam of legataris;
- (c)
een geding betreffende een door de diplomatieke ambtenaar in de ontvangende staat buiten zijn officiële werkzaamheden om verrichte beroeps- of bedrijfsbezigheden.’
4
In artikel 37, lid 1, van dit verdrag is bepaald:
‘De inwonende gezinsleden van een diplomatieke ambtenaar genieten, indien zij geen onderdaan zijn van de ontvangende staat, de in de artikelen 29 [tot en met] 36 omschreven voorrechten en immuniteiten.’
Unierecht
Verordening nr. 1259/2010
5
De overwegingen 9, 10, 14, 21 en 29 van verordening nr. 1259/2010 luiden:
- ‘(9)
Deze verordening moet een duidelijk en volledig rechtskader bieden voor het op echtscheiding en scheiding van tafel en bed toepasselijke recht in de deelnemende lidstaten en de burgers oplossingen aanreiken die rechtszekerheid, voorspelbaarheid en flexibiliteit waarborgen; tevens moet de verordening situaties voorkomen waarin de ene echtgenoot de andere tracht voor te zijn met het aanvragen van de echtscheiding om te bereiken dat de procedure wordt beheerst door het recht van een bepaald land, dat deze echtgenoot gunstiger acht voor de verdediging van zijn belangen.
- (10)
Het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van deze verordening moeten in overeenstemming zijn met verordening (EG) nr. 2201/2003 [van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1)]. De onderhavige verordening mag echter niet van toepassing zijn op de nietigverklaring van het huwelijk.
Deze verordening mag uitsluitend van toepassing zijn op de ontbinding of versoepeling van de huwelijksband. Het krachtens de collisieregels van deze verordening vastgestelde recht moet worden toegepast op de gronden van de echtscheiding en de scheiding van tafel en bed.
Prealabele zaken, zoals de handelingsbekwaamheid en de geldigheid van het huwelijk, alsmede aangelegenheden zoals de gevolgen van echtscheiding of scheiding van tafel en bed uit het oogpunt van vermogensrecht, naam, ouderlijke verantwoordelijkheid, onderhoudsverplichtingen, en andere bijkomende maatregelen moeten door de collisieregels die van toepassing zijn in de betrokken lidstaten, worden vastgesteld.
[…]
- (14)
Wil men bereiken dat de echtgenoten de vrijheid hebben een toepasselijk recht te kiezen waarmee zij nauwe banden hebben, en dat, ook bij gebreke van een keuze, een dergelijk recht hun echtscheiding of scheiding van tafel en bed beheerst, dan moet dat recht tevens van toepassing zijn als het niet het recht van een deelnemende lidstaat is. […]
[…]
- (21)
Voor het geval dat geen rechtskeuze is gemaakt, moet deze verordening voorzien in geharmoniseerde collisieregels, met een reeks opeenvolgende aanknopingspunten die gebaseerd zijn op het bestaan van een nauwe band tussen de echtgenoten en het betrokken rechtsstelsel, om de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid te waarborgen en om situaties te voorkomen waarin de ene echtgenoot de andere tracht voor te zijn met het aanvragen van de echtscheiding om ervoor te zorgen dat de procedure wordt beheerst door een bepaald rechtsstelsel, dat deze echtgenoot gunstiger acht voor de verdediging van zijn belangen. Deze aanknopingspunten moeten zo worden gekozen dat de procedure betreffende echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt beheerst door een rechtsstelsel waarmee de echtgenoten een nauwe band hebben.
[…]
- (29)
Aangezien de doelstellingen van deze verordening, te weten een grotere rechtszekerheid, voorspelbaarheid en flexibiliteit bij internationale procedures in huwelijkszaken, en bijgevolg de bevordering van het vrije verkeer van personen binnen de Europese Unie, niet voldoende door de lidstaten alleen kunnen worden bereikt, en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen van deze verordening, beter door de Unie kunnen worden gerealiseerd, kan de Unie maatregelen nemen, in voorkomend geval door middel van een nauwere samenwerking, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat is neergelegd in artikel 5 [VEU]. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.’
6
Artikel 5 (‘Rechtskeuze door de partijen’) van deze verordening bepaalt in lid 1:
‘De echtgenoten kunnen overeenkomen het op echtscheiding en scheiding van tafel en bed toepasselijke recht aan te wijzen, mits dit een van de volgende rechtsstelsels is:
- a)
het recht van de staat waar de echtgenoten op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst hun gewone verblijfplaats hebben; of
- b)
het recht van de staat waar de echtgenoten laatstelijk hun gewone verblijfplaats hadden, indien een van hen op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst daar nog verblijft; of
- c)
het recht van de staat waarvan een van de echtgenoten op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst de nationaliteit heeft; of
- d)
het recht van de staat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.’
7
Artikel 8 (‘Het bij gebreke van een rechtskeuze door de partijen toepasselijke recht’) van die verordening luidt als volgt:
‘Indien geen rechtskeuze in de zin van artikel 5 heeft plaatsgevonden, worden echtscheiding en scheiding van tafel en bed beheerst door het recht van de staat:
- a)
waar de echtgenoten op het tijdstip van aanhangigmaking van de zaak hun gewone verblijfplaats hebben; of, bij gebreke daarvan,
- b)
waar de echtgenoten hun laatste gewone verblijfplaats hadden, voor zover dat verblijf niet meer dan één jaar vóór de aanhangigmaking van de zaak is geëindigd, en mits een van de echtgenoten op het tijdstip van aanhangigmaking nog in die staat verblijft; of, bij gebreke daarvan,
- c)
waarvan beide echtgenoten op het ogenblik van de aanhangigmaking van de zaak onderdaan waren; of, bij gebreke daarvan,
- d)
waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.’
Verordening nr. 2201/2003
8
Verordening nr. 2201/2003 is met ingang van 1 augustus 2022 ingetrokken bij verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PB 2019, L 178, blz. 1), die volgens artikel 100, lid 1, ervan bepaalt dat deze verordening slechts van toepassing is op gerechtelijke procedures die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden en overeenkomsten die zijn geregistreerd op of na 1 augustus 2022.
9
Artikel 3 (‘Algemene bevoegdheid’) van verordening nr. 2201/2003 bepaalde in lid 1, onder a):
‘Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:
- a)
op het grondgebied waarvan:
- —
de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of
- —
zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of
- —
de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of
- —
in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of
- —
zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of
- —
zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn ‘domicile’ (woonplaats) heeft’.
Duits recht
Wet tot invoering van het burgerlijk wetboek
10
Artikel 17, lid 4 van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuch (wet tot invoering van het burgerlijk wetboek) van 21 september 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 2494, met rectificatie in BGBl. 1997 I, blz. 1061), in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende versie, luidt als volgt:
‘De pensioenverevening is onderworpen aan het volgens [verordening nr. 1259/2010] op de echtscheiding toepasselijke recht; deze moet alleen worden uitgevoerd indien volgens de verordening Duits recht van toepassing is en zij wordt erkend door het recht van een van de staten waarvan de echtgenoten onderdaan zijn op het tijdstip waarop het verzoek tot echtscheiding aanhangig is gemaakt. Voor het overige moet de pensioenverevening op verzoek van een van de echtgenoten overeenkomstig het Duitse recht worden uitgevoerd indien een van de echtgenoten tijdens het huwelijk een aanspraak bij een binnenlandse pensioenuitvoerder heeft verworven, op voorwaarde dat de uitvoering van de pensioenverevening niet in strijd is met de billijkheid, met name gelet op de economische omstandigheden van beide partijen tijdens de gehele duur van het huwelijk.’
Wet inzake procedures in familiezaken en inzake vrijwillige rechtsvorderingen
11
Het Gesetz über das Verfahren in Familiensachen und in den Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit (wet inzake procedures in familiezaken en inzake vrijwillige rechtsvorderingen) van 17 december 2008 (BGBl. 2008 I, blz. 2586), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt in § 137:
- ‘(1)
Over de echtscheiding en vervolgzaken moet gezamenlijk worden onderhandeld en beslist […].
- (2)
Vervolgzaken zijn
- 1.
pensioenvereveningskwesties,
[…]’
12
In § 142, lid 1, eerste volzin van de wet inzake procedures in familiezaken en inzake vrijwillige rechtsvorderingen, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding is bepaald:
‘In geval van echtscheiding moet bij één beschikking uitspraak worden gedaan over alle samenhangende familiekwesties.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13
DL en PQ hebben de Duitse nationaliteit en zijn in 1989 getrouwd. Uit deze verbintenis zijn drie — inmiddels meerderjarige — kinderen geboren. In 2006 huurden de echtgenoten een woning in Berlijn (Duitsland), waar zij meer dan 10 jaar hebben samengewoond (hierna: ‘gezinswoning’).
14
In juni 2017 is het echtpaar naar Zweden verhuisd wegens de overplaatsing van PQ naar de Duitse ambassade in Stockholm (Zweden). Bij die gelegenheid hebben de echtgenoten, overeenkomstig de verplichting die krachtens het Duitse recht op naar het buitenland overgeplaatste ambtenaren rust, verklaard dat zij hun woonplaats in Duitsland verlieten.
15
In september 2019 heeft het echtpaar zich in een woning op de compound van de Duitse ambassade in Moskou (Rusland) gevestigd. PQ is ambassaderaad en spreekt, in tegenstelling tot DL, Russisch. Als familielid van een ambassademedewerker stond DL ook ingeschreven in deze woning en bezat zij een diplomatiek paspoort. Het voertuig van DL was in Rusland geregistreerd.
16
Met het oog op terugkeer naar Duitsland hebben de echtgenoten hun gezinswoning, waarin een van hun kinderen woont sinds september 2019, behouden. Bepaalde onderdelen van deze woning werden onderverhuurd op grond van overeenkomsten die zijn beëindigd in mei en juni 2020.
17
In januari 2020 reisde DL naar Berlijn voor een operatie en verbleef zij tot februari 2021 in de gezinswoning. In augustus en september 2020 reisde ook PQ naar Berlijn, waar hij in diezelfde woning verbleef. Het echtpaar ontmoette daar in die periode vrienden. PQ bracht de eindejaarsfeesten samen met een van zijn kinderen door in Koblenz (Duitsland).
18
Op 26 februari 2021 keerde DL terug naar Moskou in de woning op de compound van de Duitse ambassade. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat, volgens PQ, de echtgenoten hun kinderen op 17 maart 2021 in kennis hebben gesteld van hun voornemen om te scheiden en dat DL tijdens haar verblijf in Moskou de voorwerpen die zij naar Berlijn wilde meenemen, in een kamer van deze woning heeft opgeslagen.
19
Op 23 mei 2021 is DL teruggekeerd naar Berlijn waar zij nu in de gezinswoning woont, terwijl PQ in de woning op de compound van de Duitse ambassade in Moskou blijft wonen.
20
Op 8 juli 2021 heeft PQ bij het Amtsgericht (rechter in eerste aanleg, Duitsland) een verzoek tot echtscheiding ingediend. Hij heeft aangevoerd dat hij sinds januari 2020 gescheiden woonde van DL en dat de feitelijke scheiding definitief was geworden in maart 2021, de maand waarin DL kort in Moskou had verbleven.
21
DL heeft zich tegen dit verzoek verzet op grond dat het echtpaar op zijn vroegst in mei 2021, toen zij naar Berlijn was teruggekeerd, uit elkaar waren gegaan. Tot die datum had zij bijgedragen in het onderhoud van de huishouding in Moskou. DL heeft verklaard dat zij van 15 januari 2020 tot en met 26 februari 2021 in Berlijn had verbleven omwille van haar gezondheidstoestand en de verplaatsingsbeperkingen als gevolg van de COVID-19-pandemie, zodat een terugkeer naar Moskou vóór 26 februari 2021 onmogelijk was.
22
Bij beschikking van 26 januari 2022 heeft het Amtsgericht voornoemd verzoek afgewezen op grond dat de naar Duits recht verplichte periode van scheiding van één jaar niet was verstreken en er geen voldoende ernstige redenen waren om de echtscheiding onmiddellijk uit te spreken.
23
PQ heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld bij het Kammergericht (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Berlijn, Duitsland). Deze rechter heeft de echtscheiding uitgesproken op grond van het Russische recht dat volgens hem overeenkomstig artikel 8, aanhef en onder b), van verordening nr. 1259/2010 van toepassing was. Daartoe heeft die rechter vastgesteld dat de ‘gewone verblijfplaats’ van PQ in de zin van dat artikel zich in Moskou bevond en dat de woonplaats van DL in die stad pas was beëindigd vanaf haar vertrek naar Duitsland, te weten op 23 mei 2021, dus minder dan een jaar vóór de aanhangigmaking bij het Amtsgericht op 8 juli 2021.
24
DL heeft bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter, cassatieberoep ingesteld tegen deze beslissing van het Kammergericht, waarbij zij verzoekt dat de echtscheiding wordt uitgesproken naar Duits recht en tegelijkertijd ambtshalve een beslissing wordt genomen over de pensioenverevening.
25
De verwijzende rechter verduidelijkt dat naar Duits recht de pensioenverevening wordt geregeld door het toepasselijke recht inzake echtscheiding, dat wordt bepaald overeenkomstig verordening nr. 1259/2010. Indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde echtscheiding aan het Russische recht is onderworpen, moet zij worden uitgesproken als een echtscheiding door onderlinge toestemming zonder vaststelling van de echtscheidingsgronden, en moet deze verevening krachtens artikel 17, lid 4, tweede volzin, van de wet tot invoering van het burgerlijk wetboek, in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende versie, worden verricht als een van de echtgenoten daarom vraagt. Als daarentegen de Duitse wet van toepassing is, moet het huwelijk ontbonden worden verklaard, aangezien de echtgenoten langer dan één jaar niet meer samenwoonden. In dat geval geschiedt die verevening ambtshalve in het kader van de gezamenlijke afhandeling van de echtscheiding en de vervolgzaken.
26
Die rechter geeft aan dat de gegrondheid van het bij hem ingestelde cassatieberoep afhangt van het antwoord op de vraag of het Kammergericht, dat krachtens artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde echtscheiding uit te spreken, terecht heeft geoordeeld dat het op deze echtscheiding toepasselijke recht, overeenkomstig artikel 8, aanhef en onder b), van verordening nr. 1259/2010 en bij gebreke van een keuze van de echtgenoten van een dergelijk recht tot de beëindiging van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, het Russische recht is.
27
DL voert voor de verwijzende rechter aan dat de beroepsstatus van PQ zich verzet tegen de vaststelling dat de echtgenoten hun ‘gewone verblijfplaats’ in Rusland hebben. Zij stelt dat hun verblijf in Moskou om te beginnen niet het gevolg was van een bewuste keuze maar louter werd ingegeven door professionele redenen die verband hielden met de tewerkstelling van PQ bij de Duitse ambassade in Moskou, en dat dit verblijf bovendien niet was gepland voor een bepaalde duur maar naar zijn aard tijdelijk was, aangezien de echtgenoten voornemens waren, nadat de dienst van PQ bij die ambassade zou zijn beëindigd, terug te keren naar Duitsland, waar zij de gezinswoning hadden behouden en nauwe banden met dat land hadden onderhouden,. DL merkt voorts op dat zij en PQ om statutaire redenen gedwongen waren zich te vestigen in een woning die tot de compound van die ambassade behoorde, zodat zij de facto in een ‘Duitse enclave’ hebben gewoond, hetgeen het belang van hun fysieke aanwezigheid in Rusland relativeert.
28
PQ wijst erop dat diplomatieke ambtenaren die krachtens artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen met name immuniteit genieten ten aanzien van de burgerrechtelijke rechtsmacht van de ontvangende staat, in echtscheidingszaken niet aan het recht van hun standplaats kunnen worden onderworpen.
29
In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af op basis van welke criteria de ‘gewone verblijfplaats’ van de echtgenoten in de zin van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010 dient te worden bepaald, en meer in het bijzonder of het relevant is dat een van de echtgenoten als diplomatieke ambtenaar in de ontvangende staat is tewerkgesteld. Deze rechter stelt dat indien de door partijen in het hoofdgeding aangevoerde elementen in het kader van een globale beoordeling in aanmerking moeten worden genomen, de gewone verblijfplaats van de echtgenoten mogelijkerwijs niet in Rusland zou kunnen worden gesitueerd. Die rechter wijst erop dat ook moet worden nagegaan of het voor de vestiging van de gewone verblijfplaats in een staat noodzakelijk is dat de echtgenoten aldaar voor een bepaalde duur fysiek aanwezig zijn en dat een zekere mate van sociale en familiale integratie in de betrokken staat wordt vastgesteld.
30
De verwijzende rechter preciseert dat er in Duitsland in de rechtsliteratuur een discussie bestaat over de definitie van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010. Een deel van de juridische literatuur, waarvan het standpunt wordt gedeeld door het Kammergericht, verdedigt op basis van de bewoordingen van overweging 10 van verordening nr. 1259/2010 een uitlegging die overeenstemt met die van hetzelfde begrip in verordening nr. 2201/2003.
31
Een ander deel van de literatuur is van mening dat er geen volledige overeenstemming bestaat tussen de definities van het in de verordeningen nr. 1259/2010 en nr. 2201/2003 gebruikte begrip ‘gewone verblijfplaats’, omdat in die eerste verordening voor de kwalificatie van dit begrip een nauwere band met de staat van verblijf vereist is dan in de tweede, die enkel beoogt de verzoekende partij de keuze te bieden tussen verschillende bevoegde rechters.
32
Het is volgens de verwijzende rechter niet uitgesloten dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de verordeningen nr. 1259/2010 en nr. 2201/2003 op verschillende wijze wordt uitgelegd, voor zover uit de overwegingen 14 en 21 van verordening nr. 1259/2010 blijkt dat de kwalificatie van dat begrip veronderstelt dat er nauwe banden bestaan tussen de echtgenoten en het toepasselijke recht, hetgeen een grotere mate van sociale en familiale integratie in de betrokken staat kan impliceren dan die welke door verordening nr. 2201/2003 wordt vereist.
33
Tegen deze achtergrond heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Op basis van welke criteria dient de gewone verblijfplaats van de echtgenoten in de zin van artikel 8, [aanhef en] onder a) en b), van [verordening nr. 1259/2010] te worden bepaald, meer specifiek:
- —
is de uitzending als diplomaat van invloed op de aanname van een gewone verblijfplaats in de ontvangende staat of staat deze zelfs in de weg aan een dergelijke aanname;
- —
moeten de echtgenoten in een staat voor een bepaalde duur fysiek aanwezig zijn, alvorens kan worden aangenomen dat aldaar een gewone verblijfplaats is gevestigd;
- —
vereist de vestiging van een gewone verblijfplaats een zekere mate van sociale en familiale integratie in de betrokken staat?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
34
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010 aldus moet worden uitgelegd dat, voor de vaststelling van de in die bepaling bedoelde ‘gewone verblijfplaats’ van de echtgenoten, de tewerkstelling in een staat van een van de echtgenoten als diplomatieke ambtenaar, de duur van de fysieke aanwezigheid van de echtgenoten in die staat en de mate van sociale en familiale integratie in die staat, relevante en zelfs doorslaggevende elementen zijn.
35
Wat in de eerste plaats de uitlegging van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010 betreft, moet worden opgemerkt dat deze verordening, zoals in overweging 21 staat te lezen, voor het geval dat door de echtgenoten geen rechtskeuze overeenkomstig artikel 5 van deze verordening is gemaakt, voorziet in geharmoniseerde collisieregels, met een reeks opeenvolgende aanknopingspunten die gebaseerd zijn op het bestaan van een nauwe band tussen de echtgenoten en het betrokken rechtsstelsel.
36
Volgens artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010 worden echtscheiding en scheiding van tafel en bed aldus beheerst door het recht van de staat waar de echtgenoten op het tijdstip van aanhangigmaking van de zaak hun ‘gewone verblijfplaats’ hebben, of, bij gebreke daarvan, waar zij hun laatste ‘gewone verblijfplaats’ hadden, voor zover dat verblijf niet meer dan één jaar vóór die aanhangigmaking is geëindigd, en mits een van de echtgenoten op het tijdstip van die aanhangigmaking nog in die staat verblijft.
37
Verordening nr. 1259/2010 bevat geen definitie van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ en verwijst niet naar het recht van de lidstaten om de betekenis en de draagwijdte van dit begrip te bepalen.
38
Volgens vaste rechtspraak vereisen de eenvormige toepassing van het recht van de Unie en het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van het recht van de Unie die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie op autonome en eenvormige wijze moeten worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de bewoordingen en de context van die bepaling en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arresten van 22 december 2010, Mercredi, C-497/10 PPU, EU:C:2010:829, punt 45, en 24 oktober 2024, Kwantum Nederland en Kwantum België, C-227/23, EU:C:2024:914, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Wat allereerst de letterlijke uitlegging betreft, moet worden opgemerkt dat de uitdrukking ‘gewone verblijfplaats’ in de gebruikelijke betekenis ervan duidt op de plaats waar een natuurlijke persoon duurzaam verblijft.
40
Wat vervolgens de context van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010 betreft, volgt uit overweging 10 van deze verordening dat de materiële werkingssfeer en de bepalingen ervan in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 die met name voorzien in de algemene criteria voor de bevoegdheid ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk.
41
Artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003, dat naar het begrip ‘gewone verblijfplaats’ verwijst, kent de bevoegdheid om uitspraak te doen over kwesties betreffende de ontbinding van de huwelijksband toe aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich, naargelang van het geval, de huidige of de vorige gewone verblijfplaats van de echtgenoten of van een van hen bevindt.
42
Het Hof heeft geoordeeld dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 in beginsel wordt gekenmerkt door twee aspecten, te weten, ten eerste, de wil van de betrokkene om het gewone centrum van zijn belangen op een bepaalde plaats te vestigen en, ten tweede, de omstandigheid dat de betrokkene met een voldoende mate van bestendigheid aanwezig is op het grondgebied van de betrokken lidstaat [arrest van 1 augustus 2022, MPA (Gewone verblijfplaats — Derde land), C-501/20, EU:C:2022:619, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
43
Gelet op de in punt 40 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte noodzaak dat de bepalingen van verordening nr. 1259/2010 in overeenstemming moeten zijn met die van verordening nr. 2201/2003, zijn diezelfde elementen vereist voor het definiëren van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010. Een dergelijke uniforme opvatting weerspiegelt de nauwe band tussen deze twee verordeningen, met name inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed. Verordening nr. 1259/2010 wijst het recht aan dat een rechter wiens bevoegdheid op de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 is gebaseerd, moet toepassen voor het geval dat de echtgenoten geen rechtskeuze hebben gemaakt overeenkomstig artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1259/2010.
44
Deze uniforme opvatting van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof inzake andere instrumenten van internationaal privaatrecht die, net als de verordeningen nr. 1259/2010 en nr. 2201/2003, berusten op een gemeenschappelijk aanknopingspunt, namelijk de ‘gewone verblijfplaats’, en nauw met elkaar verbonden zijn. Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat de definitie van dit aanknopingspunt in verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1), en in het Protocol van Den Haag van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/941/EG van de Raad van 30 november 2009 (PB 2009, L 331, blz. 17), door dezelfde beginselen moet worden geleid en door dezelfde elementen moet worden gekenmerkt, hoewel de concrete beoordeling van de gewone verblijfplaats afhangt van de specifieke omstandigheden van elk geval [zie in die zin arrest van 1 augustus 2022, MPA (Gewone verblijfplaats — Derde land), C-501/20, EU:C:2022:619, punt 53].
45
Ten slotte beantwoordt de in punt 43 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ aan de doelstellingen van verordening nr. 1259/2010.
46
Uit de overwegingen 9, 21 en 29 van deze verordening volgt immers dat de verordening tot doel heeft een duidelijk en volledig rechtskader te bieden voor het op echtscheiding en scheiding van tafel en bed toepasselijke recht in de deelnemende lidstaten; de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en flexibiliteit bij internationale procedures in huwelijkszaken te waarborgen, en bijgevolg het vrije verkeer van personen binnen de Unie te bevorderen, alsook situaties waarin de ene echtgenoot de andere tracht voor te zijn met het aanvragen van de echtscheiding om te bereiken dat de procedure wordt beheerst door een rechtsstelsel dat deze echtgenoot gunstiger acht voor de verdediging van zijn belangen, te voorkomen [arrest van 16 juli 2020, JE (Toepasselijk recht inzake echtscheiding), C-249/19, EU:C:2020:570, punt 30].
47
Een definitie van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van de echtgenoten in de zin van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010 die in beginsel wordt gekenmerkt door twee criteria, te weten, ten eerste de wil van de betrokkenen om het gewone centrum van hun belangen op een bepaalde plaats te vestigen en ten tweede de omstandigheid dat de betrokkenen met een voldoende mate van bestendigheid aanwezig zijn op het grondgebied van de betrokken lidstaat, maakt het mogelijk dat zowel deze doelstelling van rechtszekerheid en voorzienbaarheid als de nodige flexibiliteit in huwelijksprocedures worden gewaarborgd, en tegelijkertijd dat eventuele misbruiken met betrekking tot de keuze van het toepasselijke recht worden voorkomen.
48
In de tweede plaats is de vraag of de status van diplomatieke ambtenaar van een van de echtgenoten in de ontvangende staat, de duur van de fysieke aanwezigheid van de echtgenoten in die staat en de mate van sociale en familiale integratie in die staat relevante, of zelfs doorslaggevende elementen zijn om hun ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010 te bepalen, in wezen een feitelijke kwestie [zie naar analogie arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Echtscheiding), C-289/20, EU:C:2021:955, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Het staat dus aan de verwijzende rechter om alle feitelijke omstandigheden van het concrete geval te onderzoeken teneinde te bepalen of in het hoofdgeding is voldaan aan de twee in het vorige punt genoemde criteria die kenmerkend zijn voor het begrip ‘gewone verblijfplaats’.
49
Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, kan niettemin worden gewezen op het volgende.
50
Wat in de eerste plaats de status van diplomatieke ambtenaar van een van de echtgenoten betreft, dient te worden opgemerkt dat de verwijzende rechter zich afvraagt hoe de gewone verblijfplaats van de echtgenoten dient te worden bepaald, voor zover, zoals partijen in het hoofdgeding hebben betoogd, het echtpaar dat zij vormden op grond van de toepasselijke wettelijke en statutaire bepalingen gedwongen was zich te vestigen in een woning op de compound van de Duitse ambassade in Moskou. Volgens PQ kan een diplomatieke ambtenaar niet aan het recht van de ontvangende staat worden onderworpen gelet op de immuniteiten en voorrechten die hij overeenkomstig het Verdrag van Wenen geniet.
51
De Duitse, de Griekse en de Finse regering voeren in essentie aan dat het verblijf in het buitenland van diplomaten tijdelijk en toevallig is, hetgeen elke wil om zich duurzaam in de ontvangende staat te vestigen uitsluit.
52
In dat verband moet worden opgemerkt dat het verblijf van een diplomatieke ambtenaar op het grondgebied van de ontvangende staat in beginsel uitsluitend voor beroepsdoeleinden dient, aangezien dit verblijf rechtstreeks verband houdt met de uitoefening van zijn functie. Zoals de Duitse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, wordt de tewerkstelling in de ontvangende staat in de regel in de allereerste plaats bepaald door de behoeften van de dienst van de zendstaat en niet op basis van de wensen en de persoonlijke voorkeuren van de in de ontvangende staat tewerkgestelde diplomatieke ambtenaar.
53
Een dergelijke situatie verschilt van die welke heeft geleid tot het arrest van 1 augustus 2022, MPA (Gewone verblijfplaats — Derde land) (C-501/20, EU:C:2022:619). Het Hof heeft in punt 58 van dat arrest weliswaar geoordeeld dat het feit dat het verblijf van de echtgenoten in een derde staat een rechtstreekse band heeft met de uitoefening van hun taken, op zich niet belet dat dit verblijf een voldoende mate van bestendigheid vertoont om te kunnen spreken van een gewone verblijfplaats van de echtgenoten in die staat, maar het heeft deze vaststelling verricht in een context waarin het ging om arbeidscontractanten van de Unie die voor onbepaalde tijd bij haar delegatie in die derde staat waren tewerkgesteld, overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie voor arbeidscontractanten die niet aan roulatie naar het hoofdkantoor te Brussel zijn onderworpen.
54
Zoals PQ en alle interveniërende regeringen in wezen hebben betoogd, wijzen de aard en het specifiek karakter van de beroepsactiviteit van een diplomatieke ambtenaar die bij een externe vertegenwoordiging in de ontvangende staat is tewerkgesteld er in beginsel op, gelet op de omstandigheden waarin die functie steeds wordt uitgeoefend, dat die ambtenaar en zijn echtgenote niet hun gewone verblijfplaats, in de zin van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010, in die staat hebben.
55
Bovendien genieten diplomatieke ambtenaren, zoals blijkt uit artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen, immuniteit ten aanzien van de burger- en administratiefrechtelijke rechtsmacht van de ontvangende staat, behoudens de in de punten a) tot en met c), van deze bepaling genoemde uitzonderingen, met name wanneer het gaat om een zakelijke actie betreffende particulier onroerend goed dat gelegen is op het grondgebied van deze staat, tenzij de diplomatieke ambtenaar dit onroerend goed onder zich heeft ten behoeve van de zendstaat voor de werkzaamheden van zijn zending.
56
Derhalve moet worden geconstateerd dat het niet uitgesloten is dat in bijzondere feitelijke omstandigheden de ontvangende staat kan worden beschouwd als de staat waar de betrokken echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben willen vestigen in de zin van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, kan dit met name het geval zijn wanneer de diplomatieke ambtenaar en zijn echtgenote in de ontvangende staat een woning voor privédoeleinden verwerven om zich daar samen te vestigen nadat de betrokken tewerkstelling is beëindigd.
57
Bijgevolg is de diplomatieke status van een van de echtgenoten weliswaar een relevant gegeven in het kader van het onderzoek van de vraag of de verblijfplaats van de echtgenoten op het grondgebied van de ontvangende staat hun gewone verblijfplaats is, wat de beoordeling van de redenen voor hun aanwezigheid in die staat en van de omstandigheden van hun verblijf aldaar betreft, maar dit gegeven sluit op zich niet uit dat kan worden erkend dat de betrokkene en zijn gezinsleden hun gewone verblijfplaats in die staat hebben. De ‘gewone verblijfplaats’ van de echtgenoten moet, ook wanneer dat gegeven een feit is, worden beoordeeld op basis van alle feitelijke omstandigheden van elk concreet geval.
58
Wat in de tweede plaats de duur van de fysieke aanwezigheid van de echtgenoten op het grondgebied van een staat betreft, dit element vormt een aanwijzing voor de ‘bestendigheid’ van het verblijf, die kenmerkend is voor het begrip ‘gewone verblijfplaats’. Zoals in punt 39 van het onderhavige arrest is uiteengezet, kan een verblijfplaats immers als ‘gewone verblijfplaats’ worden aangemerkt indien daar in zekere mate langdurig of regelmatig wordt verbleven, in tegenstelling tot een tijdelijke of toevallige aanwezigheid.
59
Bij het toetsen van dit voor het begrip ‘gewone verblijfplaats’ geldende criterium moet, gelet op de aard van de functie van diplomatieke ambtenaren, rekening worden gehouden met hun bijzondere situatie en die van hun gezinsleden. Ten eerste behouden deze personen namelijk vaak een nauwe band met de zendstaat waar zij regelmatig naar terugreizen, en ten tweede kan de duur van hun verblijf in de ontvangende staat a priori worden geacht tijdelijk van aard te zijn, aangezien diplomatieke ambtenaren in het algemeen aan een roulatiebeginsel zijn onderworpen, ook al kan die duur in de praktijk soms behoorlijk lang zijn. In deze bijzondere omstandigheden is de duur van de fysieke aanwezigheid van de echtgenoten op het grondgebied van de ontvangende staat op zich niet bepalend voor de vraag of zij hun gewone verblijfplaats in deze staat hebben. In dat verband kan niet worden uitgesloten dat echtgenoten voor een aanzienlijke duur op dat grondgebied aanwezig zijn en zij niettemin het centrum van hun belangen behouden in de zendstaat, waar zij regelmatig naar terugreizen.
60
Wat in de derde plaats de relevantie van de mate van sociale en familiale integratie in de betrokken staat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten in de zin van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010 betreft, moet worden opgemerkt dat het Hof, waar het de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft uitgelegd, de sociale en familiale omgeving van de ouders van het kind, in het bijzonder een kind van jonge leeftijd, als een voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van dat kind essentieel criterium heeft toegepast [zie in die zin arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Echtscheiding), C-289/20, EU:C:2021:955, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
61
De bijzondere omstandigheden die de gewone verblijfplaats van een kind kenmerken, zijn weliswaar niet dezelfde als die op grond waarvan de gewone verblijfplaats van de echtgenoten kan worden bepaald, maar de sociale integratie in een staat, ongeacht of die staat de ontvangende dan wel de zendstaat is, vormt een relevant gegeven om die verblijfplaats te bepalen, aangezien dit gegeven het subjectieve element van de wil van de betrokkenen om het centrum van hun belangen op een bepaalde plaats te vestigen, kan concretiseren.
62
De familiebanden die in stand worden gehouden in de zendstaat, of juist die welke zijn ontstaan in de ontvangende staat, kunnen eveneens relevant zijn in het kader van de door de verwijzende rechter te verrichten analyse van alle feitelijke omstandigheden van het concrete geval.
63
Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat, zoals het Hof met betrekking tot verordening nr. 2201/2003 heeft geoordeeld — welke rechtspraak van toepassing is op de uitlegging van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010 —, een echtgenoot die zijn leven verdeelt tussen twee staten, slechts in een van deze staten zijn gewone verblijfplaats kan hebben [arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Echtscheiding), C-289/20, EU:C:2021:955, punt 62].
64
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat partijen in het hoofdgeding vanaf september 2019 in Rusland hebben gewoond, op de Duitse ambassade in Moskou. DL is op 23 mei 2021 teruggekeerd naar Duitsland. In zijn bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen heeft PQ aangevoerd dat hij sinds 1 november 2023 in een andere functie is tewerkgesteld in Duitsland. Hun verblijf in de ontvangende staat lijkt aldus beperkt te zijn gebleven tot deze ambassade en haar omgeving.
65
Uit de informatie waarover het Hof beschikt blijkt ook dat de echtgenoten gedurende hun gehele verblijf in de ontvangende staat een nauwe band met de zendstaat zijn blijven onderhouden en daar vermogensbelangen en sociale en familiale banden hebben behouden. Zo hebben zij hun woning in Berlijn, waar hun meerderjarige dochter woonde en waar zij lijken te hebben verbleven wanneer zij naar Duitsland reisden, behouden met het oog op hun terugkeer naar Duitsland na de beëindiging van de dienst van PQ in de ontvangende staat.
66
Onder voorbehoud van verdere verificaties door de verwijzende rechter op basis van alle feitelijke omstandigheden van het concrete geval, wijzen deze gegevens erop dat de echtgenoten, ondanks de duur van hun verblijf in Rusland, aldaar niet het gewone centrum van hun belangen hebben willen vestigen, aangezien dit centrum is blijven bestaan in de zendstaat die zij slechts tijdelijk hebben verlaten, zodat het Duitse recht het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten lijkt te zijn.
67
Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 1259/2010 aldus moet worden uitgelegd dat de status van diplomatieke ambtenaar van een van de echtgenoten en zijn toewijzing aan een standplaats in de ontvangende staat zich er in beginsel tegen verzetten dat de ‘gewone verblijfplaats’ van de echtgenoten wordt geacht zich in die staat te bevinden, tenzij op basis van een globale beoordeling van alle omstandigheden van het concrete geval, waaronder met name de duur van de fysieke aanwezigheid van de echtgenoten en hun sociale en familiale integratie in die staat, wordt vastgesteld dat de echtgenoten voornemens zijn het centrum van hun belangen in die staat te vestigen en zij bovendien met een voldoende mate van bestendigheid aanwezig zijn op het grondgebied van die staat.
Kosten
68
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 8, aanhef en onder a) en b), van verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed
moet aldus worden uitgelegd dat
de status van diplomatieke ambtenaar van een van de echtgenoten en zijn toewijzing aan een standplaats in de ontvangende staat zich er in beginsel tegen verzetten dat de ‘gewone verblijfplaats’ van de echtgenoten wordt geacht zich in die staat te bevinden, tenzij op basis van een globale beoordeling van alle omstandigheden van het concrete geval, waaronder met name de duur van de fysieke aanwezigheid van de echtgenoten en hun sociale en familiale integratie in die staat, wordt vastgesteld dat de echtgenoten voornemens zijn het centrum van hun belangen in die staat te vestigen en zij bovendien met een voldoende mate van bestendigheid aanwezig zijn op het grondgebied van die staat.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑03‑2025
Procestaal: Duits.