Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/7.5:7.5 Conclusie
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/7.5
7.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248527:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Illustratief hiervoor is de mededeling van het college dat de leesbaarheid van de website www.rotterdam.nl/zorgdichtbij was verbeterd naar aanleiding van de input van deelnemers tijdens de vierde bijeenkomst. Of dat daadwerkelijk het geval was, zou niet aan het college moeten zijn om te beoordelen maar aan de Burgerjury.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Burgerjury is door het college gepresenteerd als een innovatie van de gemeentelijke democratie en is dat in zekere zin ook wel geweest. De manier waarop deelnemers van de Burgerjury tot een oordeel kwamen, vertoont namelijk vooral trekken van de penduledemocratie. Deelnemers konden hun mening over gemeentelijk beleid kenbaar maken door te stemmen op stellingen, zonder dat zij daarbij met elkaar in overleg traden. Ook konden zij voornamelijk kiezen uit vooraf door het college geformuleerde antwoordmogelijkheden, waaraan individuele input kon worden toegevoegd tijdens de kleinschalige gesprekken met ambtenaren. De resultaten werden verder in percentages gepresenteerd, waarna het college de onderwerpen oppakte die het hoogst scoorden. Dit proces is sterk aggregatief van aard, wat één van de twee kernaspecten is van een penduledemocratie. Het beeld is genuanceerder ten aanzien van de vraag of er ook sprake is van een vorm van vertegenwoordiging. Deelnemers konden zichzelf aanmelden maar werden uiteindelijk geselecteerd door de organisatie van de Burgerjury, waarbij deze rekening hield met leeftijd, geslacht en woonlocatie in de gemeente. Hierdoor lijkt er geprobeerd te zijn een representatieve afspiegeling van de bevolking van de gemeente te realiseren, net als bij de samenstelling van de Sociale Raad in de gemeente Peel en Maas, waardoor er toch sprake is van een vorm van (impliciete) vertegenwoordiging.
Hoewel er dus een ander democratiemodel van toepassing is op de Burgerjury dan op de gemeenteraad, moeten tegelijkertijd de aspiraties tot verandering van de gemeentelijke democratie niet overdreven worden. In tegenstelling tot de Sociale Raad in de gemeente Peel en Maas is de Burgerjury nooit als een instrument gepresenteerd met een fundamenteel ander democratisch karakter dan de gemeenteraad. Het was uiteindelijk vooral een instrument dat burgers invloed moest geven op de details van het collegebeleid. Zonder al te vergaande conclusies te willen trekken, lijkt de organisatie in die opzet behoorlijk geslaagd te zijn. Er zijn geen grootschalige beleidswijzigingen doorgevoerd ten aanzien van de besproken thema’s, maar het college heeft toch een redelijk aantal concrete maatregelen genomen. Hoeveel daarvan precies te danken is aan de input van de Burgerjury is niet te zeggen. De invloed van een oordeel lijkt bijvoorbeeld voor een deel samen te hangen met het soort thema. Zo lijkt het college bij het thema ‘dienstverlening’ van de tweede bijeenkomst meer te steunen op oordelen van de Burgerjury dan bij het andere thema van die bijeenkomst, namelijk ‘werk’. Een verklaring daarvoor kan zijn dat het tweede thema meer gepolitiseerd is en dat het een thema is waarover de raad en het college zelf hun eigen opvattingen hebben. ‘Dienstbaarheid’ is een technischer thema dat minder gepolitiseerd kan worden. Een andere verklaring is dat het thema ‘dienstbaarheid’ overzichtelijker is, waardoor er misschien makkelijker op een avond verbeterpunten kunnen worden aangedragen dan over het veel bredere, politiekere thema ‘werk’. Hoe dit ook zij, het college heeft van een behoorlijk aantal oordelen van de Burgerjury werk gemaakt.
De tweede doelstelling van de Burgerjury, namelijk het organiseren van controle op het college door gewone burgers, is gedurende de periode dat de jury actief was enigszins op de achtergrond geraakt. Bij de introductie van het experiment werd deze taak nog sterk benadrukt, maar zoals enkele burgers al tijdens bijeenkomsten aangaven, bleek het in de praktijk moeilijk hem te verrichten. Veel deelnemers waren niet bekend met het beleid, waardoor zij meenden te weinig kennis in huis te hebben om het college zinnig te kunnen controleren. Ook de opzet van de bijeenkomsten, waarin weinig ruimte was voor overleg met het college, leende zich niet bijzonder goed voor inhoudelijke controle van het beleid. Daarnaast is het ook de vraag aan welke maatstaven de Burgerjury had moeten toetsen. De gemeenteraad kan bijvoorbeeld bij controle van het college als maatstaf de doelen hanteren die hij het college eerder heeft gesteld. De Burgerjury had geen soortgelijke mogelijkheid. Er kon bijvoorbeeld niet gecontroleerd worden of het college het oordeel van een voorgaande bijeenkomst goed had opgepakt. Door het college werd weliswaar meegedeeld wat er met het oordeel was gedaan, maar de Burgerjury kreeg geen mogelijkheid daarop te reageren. De controlerende rol kwam dan ook niet altijd even goed uit de verf.1
Dat de Burgerjury in de praktijk uiteindelijk anders functioneerde dan dat oorspronkelijk de bedoeling was, is voor initiatieven als deze zeker niet ongebruikelijk. Het zijn projecten die vaak juist bedoeld zijn als experiment om te achterhalen wat er praktisch en juridisch mogelijk is. De voorgaande beschrijving van het functioneren van de Burgerjury geeft enige inzichten in de praktische mogelijkheden, waarbij dit stuk overigens niet de pretentie heeft volledig te zijn geweest. De beschrijving is vooral bedoeld als context om bij het lezen van het volgende hoofdstuk in het achterhoofd te houden. In dat hoofdstuk worden de juridische mogelijkheden verkend om burgers op een geïnstitutionaliseerde manier bij de controle van het gemeentebestuur te betrekken. In die analyse zal de aandacht vooral uitgaan naar de verhouding tot de controlerende functie van de raad. Deze functie en de bijbehorende bevoegdheden zijn namelijk van groot belang voor de raad om hem in staat te stellen de hoofdlijnen van het gemeentelijk beleid te kunnen bepalen. Daarmee zijn zij ook van groot belang voor het politieke primaat van de raad. De controlerende functie van de raad ondersteunt met andere woorden het eerste beginsel dat aan de gemeentelijke democratie ten grondslag ligt.