Procestaal: Roemeens.
HvJ EU, 09-09-2021, nr. C-179/20
ECLI:EU:C:2022:58
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
09-09-2021
- Magistraten
E. Regan, K. Lenaerts, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. Ilešič
- Zaaknummer
C-179/20
- Conclusie
P. pikamäe
- Roepnaam
Fondul Proprietatea
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2022:58, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑01‑2022
ECLI:EU:C:2021:731, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑09‑2021
Uitspraak 27‑01‑2022
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Interne markt voor elektriciteit — Richtlijn 2009/72/EG — Artikel 15, lid 4 — Inschakeling met voorrang — Leverings- en voorzieningszekerheid — Artikel 32, lid 1 — Vrije toegang van derden — Gewaarborgde toegang tot de transmissiesystemen — Richtlijn 2009/28/EG — Artikel 16, lid 2 — Gewaarborgde toegang — Artikel 107, lid 1, VWEU — Artikel 108, lid 3, VWEU — Staatssteun’
E. Regan, K. Lenaerts, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. Ilešič
Partij(en)
In zaak C-179/20,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Bucureşti (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 3 maart 2020, ingekomen bij het Hof op 7 april 2020, in de procedure
Fondul Proprietatea SA
tegen
Guvernul României,
SC Complexul Energetic Hunedoara SA, in liquidatie,
SC Complexul Energetic Oltenia SA,
Compania NaŢionalĂ de Transport al Energiei Electrice ‘Transelectrica’ SA,
in tegenwoordigheid van:
Ministerul Economiei, Energiei şi Mediului de Afaceri,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vijfde kamer, C. Lycourgos, president van de Vierde kamer, I. Jarukaitis (rapporteur) en M. Ilešič, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: R. Șereș, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 juni 2021,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Fondul Proprietatea SA, vertegenwoordigd door C. Dontu, D. Petrache en J. Anghel, avocaŢi,
- —
SC Complexul Energetic Oltenia SA, vertegenwoordigd door D. Burlan, V. Bobei, V. Boca en L. Diaconu Pintea,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Beynet, L. Nicolae, A. Bouchagiar en K.-Ph. Wojcik als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 september 2021,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 107, lid 1, en artikel 108, lid 3, VWEU en van artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (PB 2009, L 211, blz. 55).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Fondul Proprietatea SA en anderzijds Guvernul României (Roemeense regering), SC Complexul Energetic Hunedoara SA, in liquidatie (hierna: ‘CE Hunedoara’), vertegenwoordigd door curator Expert InsolvențĂ SPRL, SC Complexul Energetic Oltenia SA (hierna: ‘CE Oltenia’) en Compania NaționalĂ de Transport al Energiei Electrice ‘Transelectrica’ SA (staatsonderneming voor de transmissie van elektriciteit Transelectrica; hierna: ‘Transelectrica’), inzake een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de Roemeense regering tot vaststelling van maatregelen voor de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2005/89
3
Overweging 5 van richtlijn 2005/89/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 inzake maatregelen om de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening en de infrastructuurinvesteringen te waarborgen (PB 2006, L 33, blz. 22) luidde als volgt:
‘Wanneer men elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen stimuleert, moet, indien dit uit technisch oogpunt noodzakelijk is, ook de beschikbaarheid van de bijbehorende reservecapaciteit worden gewaarborgd om te voorkomen dat de betrouwbaarheid en de veiligheid van het net worden aangetast.’
Richtlijn 2009/28
4
Overweging 60 van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG (PB 2009, L 140, blz. 16) luidde:
‘Voorrang inzake toegang en gewaarborgde toegang voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen is van belang om hernieuwbare energiebronnen in de interne markt voor elektriciteit te integreren, en is in overeenstemming met artikel 11, lid 2, en een verdere uitwerking van artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/54/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG (PB 2003, L 176, blz. 37)]. De voorschriften inzake de instandhouding van de betrouwbaarheid en veiligheid van het net en de dispatching kunnen naargelang de kenmerken van het nationale net en de veilige werking daarvan verschillen. Voorrang inzake nettoegang biedt de producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen de verzekering dat zij te allen tijde wanneer de bron beschikbaar is de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen overeenkomstig de connectieregels zullen kunnen verkopen en transporteren. Wanneer elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen geïntegreerd wordt in de ‘spotmarkt’, zorgt gegarandeerde toegang ervoor dat alle verkochte en gesteunde elektriciteit toegang krijgt tot het net en dat een maximale hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen van de op het net aangesloten installaties wordt gebruikt. […]’
5
Artikel 16 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Toegang tot en beheer van de netwerken’, bepaalde in lid 2:
‘Met inachtneming van de voorschriften inzake de instandhouding van de betrouwbaarheid en veiligheid van het net, die gebaseerd zijn op transparante, niet-discriminerende door de bevoegde nationale autoriteiten vastgestelde criteria:
[…]
- b)
zorgen de lidstaten er tevens voor dat elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen voorrang heeft op dan wel gewaarborgde toegang krijgt tot het net;
[…]’
Richtlijn 2009/72
6
De overwegingen 3 en 5 van richtlijn 2009/72 luidden als volgt:
- ‘(3)
De vrijheden die de burgers van de Unie in het Verdrag worden gegarandeerd, onder meer het vrij verkeer van goederen, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverlening, kunnen evenwel enkel verwezenlijkt worden in een volledig opengestelde markt waarop alle consumenten hun leveranciers vrijelijk kunnen kiezen en alle aanbieders vrijelijk aan hun afnemers leveren.
[…]
- (5)
De zekerheid van de elektriciteitsvoorziening is van vitaal belang voor de ontwikkeling van de Europese maatschappij, voor de uitvoering van een duurzaam beleid inzake klimaatverandering en voor de bevordering van het concurrentievermogen op de interne markt. Hiertoe moeten de grensoverschrijdende interconnecties verder worden uitgebouwd om de voorziening van alle energiebronnen tegen de best concurrerende prijzen veilig te stellen voor zowel de consumenten als het bedrijfsleven in de [Europese Unie].’
7
Artikel 1 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Werkingssfeer’, bepaalde:
‘Bij deze richtlijn worden, met het oog op het verbeteren en integreren van concurrerende elektriciteitsmarkten in de [Unie], gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de productie, de transmissie, de distributie en de levering van elektriciteit, alsook regels voor de bescherming van de consumenten. […]’
8
In artikel 2 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Definities’, werd bepaald:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:
[…]
- 3.
‘transmissie’: transport van elektriciteit langs het extra hoogspannings- en hoogspanningsstelsel van systemen, met het oog op de belevering van eindafnemers of distributiemaatschappijen, de levering zelf niet inbegrepen;
- 4.
‘transmissiesysteembeheerder’: natuurlijke persoon of rechtspersoon die in een bepaald gebied verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en, zo nodig, de ontwikkeling van het transmissiesysteem alsook, indien van toepassing, de interconnecties ervan met andere systemen en die ervoor moet zorgen dat het systeem op lange termijn kan voldoen aan een redelijke vraag naar transmissie van elektriciteit;
[…]
- 16.
‘economische rangorde’: een aan de hand van economische criteria bepaalde rangorde van bronnen voor de levering van elektriciteit;
- 17.
‘ondersteunende dienst’: een dienst die nodig is voor de exploitatie van een transmissie- of distributiesysteem’.
9
Artikel 3 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Openbaredienstverplichtingen en bescherming van de afnemer’, bepaalde in lid 14 het volgende:
‘De lidstaten kunnen besluiten de bepalingen van de artikelen 7, 8, 32 en/of 34 niet toe te passen, voor zover de toepassing daarvan de elektriciteitsbedrijven in feite of in rechte verhindert zich van de hun in het algemeen economisch belang opgelegde verplichtingen te kwijten en mits de ontwikkeling van de handel niet wordt beïnvloed in een mate die strijdig is met de belangen van de [Unie]. De belangen van de [Unie] omvatten onder meer mededinging met betrekking tot de in aanmerking komende afnemers overeenkomstig deze richtlijn en artikel [106 VWEU].’
10
Artikel 15 van richtlijn 2009/72, met als opschrift ‘Inschakelen en balanceren’, bepaalde in de leden 1 tot en met 4:
- ‘1.
Onverminderd de levering van elektriciteit op basis van contractuele verplichtingen, met inbegrip van die welke voortvloeien uit de in aanbestedingen vervatte specificaties, is de transmissiesysteembeheerder, wanneer hij deze functie vervult, verantwoordelijk voor de inschakeling van de stroomproductie-eenheden in zijn gebied en voor het bepalen van het gebruik van interconnectoren met andere systemen.
- 2.
De inschakeling van de stroomproductie-eenheden en het gebruik van interconnectoren geschieden op basis van criteria waaraan de bevoegde nationale regulerende instanties hun goedkeuring hechten en die objectief moeten zijn, bekendgemaakt moeten worden en op een niet-discriminerende wijze moeten worden toegepast om een goede werking van de interne markt voor elektriciteit te waarborgen. De criteria houden rekening met de economische rangorde van de elektriciteit uit beschikbare productie-eenheden of uit overdracht via interconnectoren en met de voor het systeem geldende technische beperkingen.
- 3.
Een lidstaat verplicht de transmissiesysteembeheerders ertoe om bij het inschakelen van stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen te handelen overeenkomstig artikel 16 van richtlijn [2009/28]. Tevens [kunnen de lidstaten] de systeembeheerder ertoe verplichten om bij het inschakelen van stroomproductie-eenheden prioriteit te geven aan stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van […] warmte-krachtkoppeling.
- 4.
Een lidstaat kan om redenen van leverings- en voorzieningszekerheid bepalen dat voorrang wordt gegeven aan de inschakeling van stroomproductie-eenheden die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken, voor zover het hierbij gaat om hoeveelheden die per kalenderjaar niet meer bedragen dan 15 % van de totale primaire energie die nodig is voor de productie van de in de betrokken lidstaat verbruikte elektriciteit.’
11
Artikel 32 van richtlijn 2009/72, met als opschrift ‘Toegang van derden’, bepaalde in lid 1 het volgende:
‘De lidstaten dragen zorg voor de invoering van een systeem voor toegang van derden tot de transmissie- en distributiesystemen, gebaseerd op bekendgemaakte tarieven die voor alle in aanmerking komende afnemers gelden en die objectief worden toegepast zonder onderscheid te maken tussen systeemgebruikers. De lidstaten zorgen ervoor dat deze tarieven of de aan de berekening daarvan ten grondslag liggende methoden voorafgaand aan hun toepassing worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 37 en dat deze tarieven en, wanneer alleen de methoden zijn goedgekeurd, de methoden worden bekendgemaakt voordat zij in werking treden.’
Roemeens recht
Wet nr. 123/2012
12
Legea energiei electrice și a gazelor naturale nr. 123/2012 (wet nr. 123/2012 betreffende elektriciteit en aardgas) van 10 juli 2012 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 485 van 16 juli 2012), in de op het hoofdgeding van toepassing zijnde versie (hierna: ‘wet nr. 123/2012’), bepaalt in artikel 5, lid 3:
‘Bij regeringsbesluit kan om redenen van leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet worden verleend voor elektriciteit die geproduceerd is in elektriciteitscentrales waar in eigen land geproduceerde brandstof wordt gebruikt, voor zover het hierbij gaat om een hoeveelheid primaire energie die per jaar niet meer bedraagt dan 15 % van de totale hoeveelheid equivalente brandstof die nodig is voor de productie van elektriciteit ten behoeve van het bruto nationale eindverbruik.’
Regeringsbesluit nr. 138/2013
13
HotĂrârea Guvernului nr. 138/2013 privind adoptarea unor mĂsuri pentru siguranța alimentĂrii cu energie electricĂ (regeringsbesluit nr. 138/2013 tot vaststelling van maatregelen voor de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit) van 3 april 2013 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 196 van 8 april 2013) (hierna: ‘besluit nr. 138/2013’), vastgesteld krachtens artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012, bepaalde in artikel 1:
‘Gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet wordt verleend aan elektriciteit die geproduceerd wordt in de thermo-elektrische centrale van Mintia, die eigendom is van [CE Hunedoara], waardoor de continue werking van deze centrale met een gemiddeld elektrisch vermogen van ten minste 200 MW is verzekerd.’
14
Artikel 2 van dit besluit bepaalde het volgende:
‘Gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet wordt verleend aan de elektriciteit die door [CE Oltenia] wordt geproduceerd, waardoor de continue werking van deze centrale met een gemiddeld elektrisch vermogen van ten minste 500 MW is verzekerd.’
15
Artikel 3 van dit besluit luidde:
‘[Transelectrica], in haar hoedanigheid van transmissiesysteembeheerder, is verplicht om bij het inschakelen voorrang te verlenen aan de elektriciteit die wordt geproduceerd door de in de artikelen 1 en 2 bedoelde thermo-elektrische centrales, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de door de Autoritate NaționalĂ de Reglementare în Domeniul Energiei [(nationale regulerende instantie op het gebied van energie)] vastgestelde regeling.’
16
Artikel 4 van het besluit bepaalde:
‘Teneinde het zekerheidsniveau van de nationale elektriciteitsvoorziening in stand te houden, is [CE Hunedoara] verplicht om aan de transmissiesysteembeheerder ondersteunende diensten met een elektrisch vermogen van ten minste 400 MW te leveren, zulks overeenkomstig de door de Autoritate NaționalĂ de Reglementare în Domeniul Energiei vastgestelde regeling.’
17
Artikel 5 van besluit nr. 138/2013 luidde als volgt:
‘Teneinde het zekerheidsniveau van de nationale elektriciteitsvoorziening in stand te houden, is [CE Oltenia] verplicht om aan de transmissiesysteembeheerder ondersteunende diensten met een elektrisch vermogen van ten minste 600 MW te leveren, zulks overeenkomstig de door de Autoritate NaționalĂ de Reglementare în Domeniul Energiei vastgestelde regeling.’
18
Artikel 6 van dit besluit bepaalde het volgende:
‘De bij dit besluit vastgestelde maatregelen gelden van 15 april 2013 tot 1 juli 2015.’
19
Bij regeringsbesluit nr. 941/2014 is de termijn voor toepassing van de in de artikelen 1, 3 en 4 van besluit nr. 138/2013 bedoelde maatregelen op CE Hunedoara verlengd tot en met 31 december 2017.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20
Fondul Proprietatea, een vennootschap die een minderheidsaandeel in S.P.E.E.H. Hidroelectrica SA houdt, heeft bij de Curte de Apel Bucureşti (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) beroep ingesteld tot nietigverklaring van besluit nr. 138/2013 op grond dat daarbij onrechtmatige staatssteun is verleend aan CE Hunedoara en CE Oltenia, twee elektriciteitsproducenten die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken en waarin de Staat een meerderheidsaandeel houdt.
21
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing volgt dat bij besluit nr. 138/2013 ten gunste van deze twee vennootschappen een aantal maatregelen is genomen, die voor CE Oltenia golden van 15 april 2013 tot 1 juli 2015 en voor CE Hunedoara van 15 april 2013 tot en met 31 december 2017. Om te beginnen is op grond van de artikelen 1 en 2 van besluit nr. 138/2013 gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet verleend voor de elektriciteit die wordt geproduceerd door de thermo-elektrische centrales van deze twee vennootschappen, om de continue werking van deze centrales met een gemiddeld vermogen van ten minste 200 megawatt (MW) (de centrale van CE Hunedoara), respectievelijk 500 MW (die van CE Oltenia) te verzekeren. Voorts was Transelectrica — enig beheerder van het transmissiesysteem — overeenkomstig artikel 3 van dit besluit verplicht om bij het inschakelen voorrang te verlenen aan de elektriciteit van de thermo-elektrische centrales van deze twee vennootschappen. Tot slot verplichtten de artikelen 4 en 5 van dit besluit CE Hunedoara en CE Oltenia om Transelectrica ondersteunende diensten te leveren met een vermogen van ten minste 400 MW, respectievelijk 600 MW.
22
Bij arrest van 10 maart 2015 heeft de Curte de Apel Bucureşti het beroep van Fondul Proprietatea verworpen. Fondul Proprietatea heeft vervolgens tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Înalta Curte de Casație și Justiție — Secția de Contencios Administrativ și Fiscal (hoogste rechterlijke instantie — afdeling bestuursrechtelijke en fiscale geschillen, Roemenië), die het bestreden arrest gedeeltelijk heeft vernietigd bij arrest van 22 mei 2018, op grond dat de Curte de Apel Bucureşti niet alle door Fondul Proprietatea aangevoerde middelen had onderzocht. Bijgevolg heeft de Înalta Curte de Casație și Justiție de zaak terugverwezen naar de Curte de Apel București om al die middelen te beoordelen.
23
Tijdens de behandeling, na terugverwijzing, van het beroep tot nietigverklaring door de Curte de Apel București, heeft Fondul Proprietatea deze rechter verzocht om het Hof prejudiciële vragen te stellen.
24
Fondul Proprietatea heeft er in dat verband bij de verwijzende rechter op gewezen dat besluit nr. 138/2013 mogelijkerwijs staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
25
Fondul Proprietatea voert in het bijzonder aan dat Transelectrica, een vennootschap waarvan de Staat meerderheidsaandeelhouder is, op elk moment het evenwicht van de nationale elektriciteitsvoorziening moet verzekeren, dat wil zeggen het evenwicht tussen de productie en de consumptie van elektriciteit. Daartoe koopt zij door middel van aanbestedingsprocedures ondersteunende diensten in, waarbij de inschrijvingen van de elektriciteitsproducenten worden gerangschikt op basis van de laagste prijs. De ondersteunende diensten worden in de regel geleverd door de producenten met lage productiekosten, die deze diensten tegen concurrerende prijzen kunnen aanbieden.
26
Volgens Fondul Proprietatea hebben de centrales van CE Hunedoara en CE Oltenia zodanig hoge productiekosten dat deze niet permanent in bedrijf zijn en geen grote hoeveelheid elektriciteit verkopen. Wanneer die centrales stilstaan worden hun kansen om ondersteunende diensten te leveren veel kleiner, want het heropstarten kost veel tijd en brengt extra kosten mee. Als de economische criteria in acht worden genomen, kunnen die vennootschappen dus geen ondersteunende diensten leveren. In die context heeft de Roemeense Staat hun toegang tot de transmissiesystemen gewaarborgd en voorrang bij de inschakeling verleend, gekoppeld aan de verplichte afname van ondersteunende diensten.
27
Fondul Proprietatea is van mening dat deze twee vennootschappen door deze maatregelen een selectief economisch voordeel ontvangen dat met staatsmiddelen wordt bekostigd, ten nadele van de andere elektriciteitsproducenten op de markt. De maatregelen vormen een oneigenlijke toepassing van het mechanisme van gewaarborgde toegang, dat is ingesteld om de productie van elektriciteit uit hernieuwbare, schone bronnen aan te moedigen, aangezien die toegang wordt gewaarborgd aan twee vennootschappen die elektriciteit uit vervuilende bronnen produceren. Besluit nr. 138/2013 waarborgt de toegang slechts opdat de begunstigde productie-eenheden continu in bedrijf kunnen blijven, zodat zij tegen een betere prijs elektriciteit kunnen produceren en ondersteunende diensten kunnen leveren.
28
De Roemeense regering, verweerster in het hoofdgeding, betoogt bij de verwijzende rechter dat Transelectrica krachtens artikel 3 van besluit nr. 138/2013 wordt verplicht om de elektriciteit van de eenheden van CE Hunedoara en CE Oltenia bij voorrang in te schakelen met het doel om artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 op nationaal niveau toe te passen.
29
Wat de ondersteunende diensten betreft, is volgens deze regering in besluit nr. 138/2013 bepaald dat de verplichting van de twee producenten, CE Hunedoara en CE Oltenia, om ondersteunende diensten te leveren onderworpen is aan de voorwaarden die worden gesteld in de regelgeving van de Autoritate NaționalĂ de Reglementare în Domeniul Energiei (nationale regulerende instantie op het gebied van energie; hierna: ‘ANRE’), die op nationaal niveau de voor de werking van de energiesector noodzakelijke, bindende regels op- en vaststelt en toeziet op de uitvoering ervan.
30
De Roemeense regering betoogt dat de nationale maatregelen in het hoofdgeding geen staatssteun vormen.
31
De Minister al Economiei, Energiei și Mediului de Afaceri (Roemeens ministerie van Economie, Energie en Bedrijfsleven), interveniënt bij de verwijzende rechter, geeft aan dat besluit nr. 138/2013 maatregelen bevat die nodig zijn om de nationale elektriciteitsvoorziening in zekerheid te laten functioneren en dat bij de vaststelling ervan verschillende factoren in aanmerking zijn genomen. Om te beginnen heeft de sterke stijging van de productiecapaciteit uit hernieuwbare bronnen de Roemeense regering genoopt tot maatregelen waarmee de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit wordt gewaarborgd overeenkomstig overweging 5 van richtlijn 2005/89.
32
Voorts wordt het functioneren van de centrales die conventionele energiebronnen gebruiken nodig geacht om gelijke tred te kunnen houden met de belastingscurve van de energieconsumptie.
33
Bovendien blijkt uit studies naar de zekerheid en toereikendheid van de nationale elektriciteitsvoorziening dat de plaatselijke elektriciteitscentrales die over het gehele land verspreid staan in werking moeten zijn omdat die centrales de ondersteunende diensten leveren en daarmee vraag en aanbod in evenwicht houden. In die context wordt CE Hunedoara geacht significant te kunnen bijdragen aan de zekerheid in het midden en noordwesten van de nationale elektriciteitsvoorziening.
34
Tot slot moest er ten tijde van de vaststelling van besluit nr. 138/2013 vanwege toenemende grensoverschrijdende uitwisseling in het westen en ter beperking van de verliezen in het transmissiesysteem — die rechtstreeks evenredig zijn aan de afstand tussen producenten en consumenten — een significante productiecapaciteit in dat gebied worden aangehouden en was CE Hunedoara de enige grote producent in het midden en noordwesten van het land.
35
Op grond van deze overwegingen heeft de Roemeense regering besluit nr. 138/2013 vastgesteld, waarbij gewaarborgde toegang tot het transmissiesysteem wordt verleend voor de elektriciteit van de eenheden van CE Hunedoara en CE Oltenia, om te verzekeren dat deze continu in bedrijf kunnen zijn met een elektrisch vermogen van ten minste 200 MW, respectievelijk 500 MW, met dien verstande dat deze waarden voor de begunstigde producenten een recht vormen en niet een verplichting om dat vermogen te leveren.
36
Transelectrica betoogt voor de verwijzende rechter dat, om de doelmatigheid van de elektriciteitsvoorziening te waarborgen en aan de vraag naar elektriciteit te voldoen, de nationale elektriciteitsvoorziening moet beschikken over een zeker vermogen dat door de centrales wordt gewaarborgd en dat hoger is dan het geconsumeerde piekvermogen. Bovendien moet er permanent een operationele reserve beschikbaar zijn om de continue belastingsschommelingen op te vangen.
37
Voorts neemt binnen de nationale energievoorziening het aantal centrales dat elektriciteit uit hernieuwbare bronnen produceert en waarvan de productie onvoorspelbaar en onregelmatig is, significant toe. Bovendien stijgen de kosten van elektriciteitscentrales die conventionele bronnen gebruiken, in het bijzonder kolencentrales, omdat ze niet continu in bedrijf kunnen zijn. Als deze buiten bedrijf zijn kunnen ze geen ondersteunende diensten leveren omdat het heropstarten traag en zeer kostbaar is.
38
Deze centrales kunnen dus niet concurreren op de markt, maar het functioneren van deze elektriciteitscentrales op basis van conventionele energiebronnen blijft nodig om gelijke tred te kunnen houden met de belastingscurve van de energieconsumptie en de ondersteunende diensten te verzekeren. Voor de zekerheid van de nationale elektriciteitsvoorziening moeten bovendien verschillende brandstoffen worden gebruikt, zodat de nodige elektriciteit kan worden opgewekt om de nationale energieconsumptie af te dekken. Wat dat betreft hecht de Roemeense regering bijzonder belang aan de inzet bij voorrang van energiebronnen uit eigen land, om de energieonafhankelijkheid veilig te stellen.
39
Transelectrica betoogt daarnaast bij de verwijzende rechter dat Fondul Proprietatea de balanceringsmarkt verwart met die voor ondersteunende diensten. Volgens haar worden reserves op de markt voor ondersteunende diensten ingekocht bij daarvoor gekwalificeerde leveranciers, en worden die reserves al of niet ingezet op de balanceringsmarkt. De inzet van de reserves op de balanceringsmarkt wordt aan geen enkele leverancier van ondersteunende diensten gegarandeerd, maar volgt de regels van de markt. Deze regels zijn ook van toepassing op de in besluit nr. 138/2013 bedoelde producenten en er bestaat geen garantie dat de balanceringsenergie die zij leveren bij voorrang zal worden gebruikt.
40
Daarenboven is de nationale markt voor ondersteunende diensten sterk geconcentreerd, met weinig concurrentie. Vanwege het beperkte aanbod is de vrijemarktprijs voor ondersteunende diensten zeer hoog, en de gemiddelde gewogen prijzen bij de aanbestedingen zijn vaak hoger dan de gereglementeerde prijzen. Daarom kan niet met zekerheid worden gesteld dat de inkoopprijs van reserves zonder besluit nr. 138/2013 lager was geweest.
41
Voorts stellen Transelectrica en de Roemeense regering dat artikel 3 van besluit nr. 138/2013, krachtens hetwelk Transelectrica verplicht is om voorrang te verlenen aan de elektriciteit die wordt geproduceerd door de centrales van CE Hunedoara en CE Oltenia, een tenuitvoerlegging vormt van artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72, dat in het nationale recht is omgezet door artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012. Wat dat betreft heeft de ANRE voorafgaand aan dat besluit verklaard dat de beoogde maatregelen in overeenstemming zijn met zowel het toepasselijke Roemeense recht als het geldende Unierecht, terwijl de Roemeense mededingingsautoriteit heeft aangegeven dat deze maatregelen de mededinging op de elektriciteitsmarkt niet vervalsen en geen mededingingsverstorende behandeling vormen.
42
De verwijzende rechter merkt op dat de Roemeense Staat mogelijk een regeling ten gunste van CE Hunedoara en CE Oltenia heeft opgezet om deze twee vennootschappen meer voordelen te bieden, namelijk de gegarandeerde verkoop van de elektriciteit die door continubedrijf van die centrales wordt geproduceerd en goedkopere elektriciteitsproductie door het wegnemen van de kosten om de centrales opnieuw op te starten, die mogelijk staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
43
Volgens die rechter moet worden verduidelijkt of artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 een onjuiste omzetting vormt van artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72. Naar zijn oordeel verwijst de tekst van deze laatste bepaling naar hetzelfde type elektriciteitsproducenten als die wet, namelijk de producenten die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken, en ziet die op een identieke limiet, namelijk 15 % van de totale primaire energie die nodig is voor de elektriciteitsproductie. Deze richtlijn verschilt echter van de Roemeense wet die haar omzet, omdat de richtlijn niet de gewaarborgde toegang beoogt waarnaar dat artikel 5, lid 3, verwijst, maar inschakeling met voorrang.
44
Volgens de verwijzende rechter moet daarom worden beoordeeld of artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 een — strikt toe te passen — uitzondering vormt waarmee uitsluitend voorrang kan worden verleend bij de toegang tot de transmissiesystemen, maar geen gewaarborgde toegang daartoe zoals besluit nr. 138/2013 bepaalt.
45
Gelet op deze richtlijn merkt de verwijzende rechter op dat gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet slechts aan energie uit hernieuwbare bronnen wordt verleend. Derhalve is hij van oordeel dat de gewaarborgde toegang voor de elektriciteit van CE Hunedoara en CE Oltenia een schending van artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 kan vormen.
46
In deze omstandigheden heeft de Curte de Apel București de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
[…] Is de vaststelling door de Roemeense Staat van een regeling die bepaalt dat twee vennootschappen waarin de Staat een meerderheidsaandeel heeft:
- a)
met voorrang toegang krijgen tot de inschakeling, waarbij de transmissiesysteembeheerder verplicht wordt om ondersteunende diensten van deze vennootschappen af te nemen, en
- b)
gewaarborgde toegang krijgen tot het elektriciteitsnet voor de elektriciteit die zij produceren, zodat zij ononderbroken in bedrijf kunnen zijn,
staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU, dat wil zeggen een selectieve, door de staat of met staatsmiddelen bekostigde maatregel die het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden? Zo ja, moest deze staatssteun dan overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU aangemeld worden? […]
- 2)
[…] Is de gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet die door de Roemeense Staat wordt verleend aan twee vennootschappen waarin hij een meerderheidsaandeel heeft, zodat hun ononderbroken werking gewaarborgd is, verenigbaar met artikel 15, lid 4, van richtlijn [2009/72]?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede vraag
47
Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die ter verzekering van de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit een gewaarborgde toegang tot de transmissiesystemen verleent aan bepaalde elektriciteitsproducenten waarvan de eenheden primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken.
48
Artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 luidt dat een lidstaat om redenen van leverings- en voorzieningszekerheid kan bepalen dat voorrang wordt gegeven aan de inschakeling van stroomproductie-eenheden die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken, voor zover het hierbij gaat om hoeveelheden die per kalenderjaar niet meer bedragen dan 15 % van de totale primaire energie die nodig is voor de productie van de in de betrokken lidstaat verbruikte elektriciteit.
49
Om te beginnen blijkt uit de gegevens die de verwijzende rechter heeft overgelegd dat artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 bedoeld is om artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 om te zetten in het Roemeense recht. Zoals de verwijzende rechter vaststelt, richt artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 zich op dezelfde productie-eenheden die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken en hanteert het dezelfde grens als artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72. Deze nationale bepaling biedt evenwel niet de mogelijkheid tot inschakeling bij voorrang maar tot gewaarborgde toegang van de geproduceerde elektriciteit tot het elektriciteitsnet. Hoewel richtlijn 2009/72 een dergelijke gewaarborgde toegang niet uitdrukkelijk vermeldt, moet worden vastgesteld dat, enerzijds, artikel 15, lid 3, ervan verwijst naar artikel 16 van richtlijn 2009/28, waarvan lid 2, onder b), met name de gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet beoogt voor elektriciteit die uit hernieuwbare energiebronnen is geproduceerd. Anderzijds bevat artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 het beginsel van vrije toegang van derden tot de elektriciteitsnetten.
50
51
Wat in de eerste plaats de uitlegging van artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 betreft, moet worden onderzocht wat het betekent dat ‘voorrang [kan worden] gegeven aan de inschakeling’ van een eenheid.
52
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd [arrest van 9 september 2021, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Volgend verzoek om internationale bescherming), C-18/20, EU:C:2021:710, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53
Aangezien artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 geen verwijzing naar het nationale recht van de lidstaten bevat, moet aan die bepaling een autonome en uniforme uitlegging worden gegeven.
54
In dat verband moet worden opgemerkt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de inschakeling de elektriciteitssysteembeheerder in staat stelt om in een bepaald gebied stroomproductie-eenheden in te schakelen, met name om de energie te kopen die hij gebruikt om energieverliezen te dekken en in reservecapaciteit in zijn systeem te voorzien, alsmede om dat systeem te balanceren en een goede werking van de interne markt voor elektriciteit te waarborgen (zie in die zin arrest van 28 november 2018, Solvay Chimica Italia e.a., C-262/17, C-263/17 en C-273/17, EU:C:2018:961, punt 63).
55
Volgens artikel 15, lid 2, van richtlijn 2009/72 geschiedt de keuze van de stroomproductie-eenheden in dit verband op basis van criteria die objectief moeten zijn, bekendgemaakt moeten worden en op een niet-discriminerende wijze moeten worden toegepast, waarbij met name rekening wordt gehouden met de economische rangorde.
56
De in artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 gebruikte term ‘voorrang’ geeft aan dat de inschakeling met voorrang afwijkt van de inschakelingsregels overeenkomstig artikel 15, lid 2, van deze richtlijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie heeft aangegeven, houdt inschakeling met voorrang in dat de transmissiesysteembeheerder stroomproductie-eenheden inschakelt op basis van andere criteria dan die van de economische rangorde.
57
In dat opzicht moet worden vastgesteld dat de Uniewetgever in artikel 15, leden 3 en 4, van richtlijn 2009/72 twee typen inschakeling met voorrang heeft ingesteld. Het eerste type bestaat in inschakeling met voorrang van de productie-eenheden die hernieuwbare energiebronnen gebruiken en de productie-eenheden die gebruikmaken van warmte-krachtkoppeling krachtens artikel 15, lid 3, van deze richtlijn, vanuit de doelstelling om het milieu te beschermen. Het tweede bestaat in inschakeling met voorrang van productie-eenheden die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken krachtens artikel 15, lid 4, van de richtlijn, vanuit de doelstelling om de levering en voorziening zeker te stellen.
58
Wat in de tweede plaats de uitlegging van artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 betreft, waarbij de lidstaten worden verplicht om elektriciteit uit hernieuwbare bronnen toegang met voorrang dan wel gewaarborgde toegang tot het net te verlenen, moet worden vastgesteld dat die bepaling niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten om de betekenis en de draagwijdte ervan vast te stellen. Derhalve moeten de begrippen van deze bepaling in de Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, overeenkomstig de rechtspraak die in punt 52 van dit arrest is aangehaald.
59
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat toegang tot het netwerk moet worden begrepen als het recht om elektriciteitsnetten te gebruiken (zie naar analogie arrest van 9 oktober 2008, Sabatauskas e.a., C-239/07, EU:C:2008:551, punt 42).
60
Die toegang is evenwel niet onbeperkt, omdat hij afhangt van de maximale belasting van het transmissiesysteem.
61
In overweging 60 van richtlijn 2009/28 staat te lezen dat wanneer elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen geïntegreerd wordt in de ‘spotmarkt’, gegarandeerde toegang ervoor zorgt dat alle verkochte en gesteunde elektriciteit toegang krijgt tot het net en dat een maximale hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen van de op het net aangesloten installaties wordt gebruikt. Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 35 van zijn conclusie, volgt daaruit dat de in overweging 60 van richtlijn 2009/28 uiteengezette gewaarborgde toegang een mechanisme is waarmee wordt verzekerd dat de stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen toegang hebben tot het net om de geproduceerde elektriciteit te transporteren.
62
De in artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 bepaalde gewaarborgde toegang beoogt de hernieuwbare energiebronnen te integreren in de gemeenschappelijke energiemarkt door te verzekeren dat alle uit die bronnen geproduceerde elektriciteit toegang krijgt tot het net, zodat een zo groot mogelijke hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen kan worden aangewend.
63
Datzelfde artikel 16, lid 2, verbindt echter voorwaarden aan de gegarandeerde toegang voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Deze bepaling stelt die gewaarborgde toegang voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen namelijk afhankelijk van de inachtneming van de voorschriften inzake de instandhouding van de betrouwbaarheid en veiligheid van het net, die gebaseerd zijn op transparante en niet-discriminerende criteria, die door de bevoegde nationale autoriteiten worden vastgesteld.
64
Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke stukken en ter terechtzitting voor het Hof in wezen heeft opgemerkt, volgt dus uit de uitlegging van artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 en artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 dat de regels voor inschakeling bepalen welke elektriciteitsproductie-eenheden op een bepaald moment van de dag elektriciteit produceren, terwijl de toegangsregels bepalen welke producent toegang heeft tot het elektriciteitsnet wanneer dat net vanwege ontoereikende capaciteit overbelast raakt.
65
Aangezien artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 uitsluitend voorziet in de mogelijkheid om een recht op inschakeling bij voorrang te verlenen, kunnen de lidstaten deze bepaling dus niet als rechtsgrond gebruiken teneinde gewaarborgde toegang tot de transmissiesystemen in te stellen. Artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 biedt wel de mogelijkheid om ‘gewaarborgde toegang’ in te voeren, maar uitsluitend voor groene energie. Dit artikel kan dus evenmin als rechtsgrond dienen voor nationale bepalingen die gewaarborgde toegang beogen voor eenheden die produceren uit niet-hernieuwbare energiebronnen.
66
In de derde plaats moet evenwel, om te bepalen of een nationale regeling gewaarborgde toegang tot het transmissiesysteem kan verlenen aan elektriciteit die is geproduceerd uit primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land, ook rekening worden gehouden met de toegang van derden tot de systemen zoals bepaald in artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72. Volgens deze bepaling hebben de lidstaten in beginsel de verplichting om voor alle in aanmerking komende afnemers een regeling in te voeren voor toegang van derden tot de transmissie- en distributiesystemen, die is gebaseerd op bekendgemaakte tarieven en objectief en zonder onderscheid tussen de gebruikers van het betrokken systeem wordt toegepast.
67
Zoals het Hof veelvuldig heeft benadrukt, is de door artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 ingevoerde vrije toegang van derden tot deze systemen een van de essentiële maatregelen die door de lidstaten moeten worden toegepast met het oog op de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit (arrest van 28 november 2018, Solvay Chimica Italia e.a., C-262/17, C-263/17 en C-273/17, EU:C:2018:961, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
Zoals uit overweging 3 van richtlijn 2009/72 volgt, wordt met deze richtlijn namelijk beoogd een volledig opengestelde markt tot stand te brengen waarop alle consumenten hun leveranciers vrijelijk kunnen kiezen en alle aanbieders vrijelijk aan hun afnemers kunnen leveren.
69
Dienaangaande zij erop gewezen dat de toegang tot het elektriciteitstransmissie- en -distributiesysteem op niet-discriminerende en transparante wijze en tegen redelijke prijzen noodzakelijk is voor een goed werkende mededinging en van essentieel belang is (arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C-31/18, EU:C:2019:868, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70
Artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72, dat verlangt dat de staat bij de organisatie van de toegang tot het net op niet-discriminerende wijze te werk gaat, vormt een bijzondere uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel (zie naar analogie arrest van 29 september 2016, Essent Belgium, C-492/14, EU:C:2016:732, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71
Volgens vaste rechtspraak vereist het discriminatieverbod dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij een dergelijk verschil objectief gerechtvaardigd is (arrest van 29 september 2016, Essent Belgium, C-492/14, EU:C:2016:732, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72
Een verschil in behandeling is gerechtvaardigd indien het berust op een objectief en redelijk criterium, namelijk wanneer het verband houdt met een door de betrokken wetgeving nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel, en dit verschil in verhouding staat tot het met de betrokken behandeling nagestreefde doel (arrest van 29 september 2016, Essent Belgium, C-492/14, EU:C:2016:732, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of een verschil in behandeling zoals in het hoofdgeding gerechtvaardigd is, moet het Hof hem alle aanwijzingen inzake de uitlegging van het Unierecht aanreiken die hij nodig heeft om uitspraak te doen.
74
In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de gewaarborgde toegang op grond van besluit nr. 138/2013 slechts wordt verleend voor de elektriciteit van twee eenheden die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken. Dit besluit is niet van toepassing op de andere elektriciteitsproducenten die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken of op die welke hernieuwbare energiebronnen gebruiken, en vormt een verschil in behandeling omdat deze elektriciteitsproducenten en de producenten op wie het besluit van toepassing is zich in een vergelijkbare situatie bevinden ten aanzien van de toegang tot de transmissiesystemen.
75
Wat betreft een eventuele rechtvaardiging van dat verschil in behandeling, moet worden opgemerkt dat besluit nr. 138/2013 leverings- en voorzieningszekerheid als doel had. Uit de gegevens waarover het Hof beschikt volgt namelijk dat de maatregelen die op grond van dit besluit zijn genomen, erop gericht waren een voldoende capaciteit van het net te waarborgen door een reservecapaciteit te scheppen voor de piekconsumptieperiodes, en dat zij nodig waren om balansproblemen in het net op te lossen die werden veroorzaakt door de stijging van de productiecapaciteit uit hernieuwbare energiebronnen alsook om de stijging van de grensoverschrijdende uitwisseling het hoofd te bieden. Het besluit beoogde tevens het gebruik van verschillende brandstoffen voor de productie van elektriciteit te waarborgen met bijzondere aandacht voor de inzet bij voorrang van energiebronnen uit eigen land, om de energieonafhankelijkheid veilig te stellen.
76
Het lijdt geen twijfel dat het doel van leverings- en voorzieningszekerheid legitiem is. Zoals volgt uit overweging 5 van richtlijn 2009/72 is de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening van vitaal belang voor de ontwikkeling van de Europese maatschappij, voor de uitvoering van een duurzaam beleid inzake klimaatverandering en voor de bevordering van het concurrentievermogen op de interne markt.
77
Wat betreft het objectieve en redelijke criterium van differentiatie ten opzichte van het nagestreefde doel, moet in casu worden opgemerkt dat dit criterium, aan de hand waarvan een onderscheid kan worden gemaakt tussen enerzijds de twee eenheden die gewaarborgde toegang hebben tot de transmissiesystemen en anderzijds de eenheden die dat niet hebben, niet blijkt uit de aan het Hof verstrekte gegevens. Het staat dus aan de verwijzende rechter om na te gaan of de andere producenten die gebruikmaken van primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land of andere energiebronnen en zich in hetzelfde geografische gebied bevinden, beter in staat waren geweest om aan het scheppen van productiecapaciteit mee te werken indien zij toegang hadden gehad tot de transmissiesystemen.
78
Voorts moet worden nagegaan of de gewaarborgde toegang tot de transmissiesystemen overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (zie in die zin arrest van 29 september 2016, Essent Belgium, C-492/14, EU:C:2016:732, punt 100).
79
In casu konden de twee eenheden waarop besluit nr. 138/2013 van toepassing is, die gebruikmaken van primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land, blijkbaar continu in bedrijf zijn dankzij de gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet in combinatie met de inschakeling bij voorrang van die eenheden, waardoor zij konden bijdragen aan de productiecapaciteit waarmee de levering en voorziening van elektriciteit zeker konden worden gesteld. De gewaarborgde toegang lijkt, samen met de andere maatregelen van besluit nr. 138/2013, de levering en voorziening dus te kunnen verzekeren. Het is aan de verwijzende rechter om dit te verifiëren.
80
Het staat dus aan de verwijzende rechter om na te gaan of de gewaarborgde toegang tot de transmissiesystemen, onder de door besluit nr. 138/2013 bepaalde voorwaarden, niet verder ging dan passend was, en nodig was om het nagestreefde doel van leverings- en voorzieningszekerheid te bereiken. Daartoe moet worden onderzocht of dat doel niet kon worden bereikt met andere middelen, die het beginsel van vrije toegang van derden tot het net zoals neergelegd in artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 minder zouden hebben aangetast.
81
Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat ten behoeve van de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit een gewaarborgde toegang tot de transmissiesystemen verleent aan bepaalde elektriciteitsproducenten waarvan de eenheden primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken, voor zover die gewaarborgde toegang gebaseerd is op objectieve en redelijke criteria en evenredig is aan het nagestreefde legitieme doel, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.
Eerste vraag
82
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 107, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een reeks maatregelen die bij regeringsbesluit is vastgesteld en bestaat in de inschakeling bij voorrang van de elektriciteit van bepaalde producenten door de systeembeheerder, de gewaarborgde toegang voor de elektriciteit van de eenheden van die producenten tot het transmissiesysteem en de verplichting voor die producenten om ondersteunende diensten van een bepaald aantal megawatt te leveren aan de systeembeheerder, kan worden aangemerkt als een ‘steunmaatregel van de staat’ in de zin van die bepaling en, zo ja, of een dergelijke reeks maatregelen moet worden aangemeld krachtens artikel 108 VWEU.
83
Vooraf zij in herinnering gebracht dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van een nationale maatregel met het Unierecht. Het kan zich evenmin uitspreken over de verenigbaarheid met de interne markt van een staatssteunmaatregel of een steunregeling, aangezien de beoordeling van deze verenigbaarheid onder de exclusieve bevoegdheid van de Commissie valt, die daarbij onder toezicht van de Unierechter staat (arrest van 16 juli 2015, BVVG, C-39/14, EU:C:2015:470, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84
Het Hof is echter wel bevoegd om de verwijzende rechter alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen die hem in staat stellen de verenigbaarheid van een nationale maatregel met dat recht te beoordelen met het oog op de beslechting van het bij hem aanhangige geding. Op het gebied van staatssteunmaatregelen kan het met name aan de verwijzende rechter de uitleggingsgegevens verstrekken die hem in staat stellen te bepalen of een nationale maatregel als ‘staatssteun’ in de zin van het Unierecht kan worden aangemerkt (arrest van 16 juli 2015, BVVG, C-39/14, EU:C:2015:470, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85
Bij de nationale rechter kunnen namelijk gedingen aanhangig worden gemaakt waarin deze zich genoodzaakt ziet het begrip ‘steunmaatregel’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU uit te leggen en toe te passen, in het bijzonder teneinde vast te stellen of een overheidsmaatregel al dan niet aan de voorafgaande controleprocedure van artikel 108, lid 3, VWEU had moeten worden onderworpen en eventueel na te gaan of de betrokken lidstaat deze verplichting is nagekomen (arrest van 19 maart 2015, OTP Bank, C-672/13, EU:C:2015:185, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86
Tevens zij eraan herinnerd dat een maatregel volgens vaste rechtspraak slechts als ‘staatssteun’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt indien aan alle hiernavolgende voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. Ten tweede moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten derde moet de maatregel de begunstigde een selectief voordeel verschaffen. Ten vierde moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (arrest van 21 oktober 2020, Eco TLC, C-556/19, EU:C:2020:844, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87
Wat in de eerste plaats de eerste voorwaarde betreft, moet in herinnering worden gebracht dat voordelen slechts als ‘steunmaatregelen’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kunnen worden beschouwd indien zij direct of indirect met staatsmiddelen zijn bekostigd en aan de staat kunnen worden toegerekend (arrest van 21 oktober 2020, Eco TLC, C-556/19, EU:C:2020:844, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88
Om te beoordelen of een maatregel kan worden toegerekend aan de staat moet worden onderzocht of de publieke autoriteiten betrokken waren bij de vaststelling van die maatregel (arrest van 21 oktober 2020, Eco TLC, C-556/19, EU:C:2020:844, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de betrokken reeks maatregelen is ingesteld bij wet- en regelgeving, namelijk wet nr. 123/2012, waarop besluit nr. 138/2013 is gegrond. Deze maatregelen moeten derhalve als toerekenbaar aan de staat worden beschouwd in de zin van de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak.
90
Voorts dient er, ter bepaling of het voordeel direct of indirect met staatsmiddelen is bekostigd, aan te worden herinnerd dat het verbod van artikel 107, lid 1, VWEU volgens vaste rechtspraak zowel rechtstreeks door de staat of met staatsmiddelen toegekende steun omvat als steun die door van overheidswege ingestelde of aangewezen publiek- of privaatrechtelijke beheersorganen wordt toegekend (zie in die zin arrest van 21 oktober 2020, Eco TLC, C-556/19, EU:C:2020:844, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91
Het in deze bepaling gemaakte onderscheid tussen ‘steunmaatregelen van de staten’ en steunmaatregelen die ‘met staatsmiddelen bekostigd’ zijn, betekent niet dat alle door een staat verleende voordelen steunmaatregelen zijn, ongeacht of zij met staatsmiddelen worden bekostigd, maar wil alleen zeggen dat het begrip ‘steunmaatregel’ ziet op zowel de voordelen die rechtstreeks door de staat worden toegekend als die welke worden toegekend door een door die staat ingesteld of aangewezen publiek- of privaatrechtelijk lichaam (arrest van 21 oktober 2020, Eco TLC, C-556/19, EU:C:2020:844, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92
Tevens volgt uit de rechtspraak van het Hof dat een maatregel die met name bestaat in een verplichting tot afname van energie onder het begrip ‘steun’ kan vallen, ook al gaat hij niet gepaard met een overdracht van staatsmiddelen (arrest van 15 mei 2019, Achema e.a., C-706/17, EU:C:2019:407, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93
Artikel 107, lid 1, VWEU omvat immers alle geldelijke middelen die de overheid daadwerkelijk kan gebruiken om ondernemingen te steunen, ongeacht of deze middelen permanent deel uitmaken van het vermogen van de staat. Ook al zijn de bedragen die overeenkomen met de steunmaatregel niet permanent in het bezit van de schatkist, het feit dat zij constant onder staatscontrole en daarmee ter beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten staan, volstaat om ze als ‘staatsmiddelen’ aan te merken (arrest van 15 mei 2019, Achema e.a., C-706/17, EU:C:2019:407, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94
Meer in het bijzonder heeft het Hof geoordeeld dat middelen die afkomstig zijn uit krachtens de wetgeving van de lidstaat verplichte bijdragen die overeenkomstig deze wetgeving worden beheerd en verdeeld, als staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kunnen worden aangemerkt, zelfs indien zij worden beheerd door entiteiten die losstaan van de overheid. Beslissend is in dit verband dat dergelijke entiteiten door de staat met het beheer van staatsmiddelen zijn belast, en niet enkel verplicht zijn om met hun eigen financiële middelen aankopen te verrichten (arrest van 15 mei 2019, Achema e.a., C-706/17, EU:C:2019:407, punten 54 en 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat Transelectrica, de enige transmissiesysteembeheerder, een overheidsonderneming is waarvan de Staat de meerderheid van de aandelen houdt. Deze vennootschap moet op elk moment het evenwicht van de nationale elektriciteitsvoorziening verzekeren, dat wil zeggen het evenwicht tussen de productie en de consumptie van elektriciteit. Daartoe koopt Transelectrica via aanbestedingsprocedures ondersteunende diensten in volgens de economische rangorde. Krachtens besluit nr. 138/2013 is Transelectrica echter gehouden om ondersteunende diensten tegen de door de ANRE vastgestelde prijs in te kopen bij twee elektriciteitsproducenten, zonder acht te slaan op de economische rangorde, hetgeen ertoe kan leiden dat deze ondersteunende diensten tegen een hogere dan de marktprijs worden ingekocht. Dat kan een financiële last voor Transelectrica vormen waardoor de staatsmiddelen worden aangesproken.
96
Wat in de tweede plaats de voorwaarde betreft volgens welke de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reeks maatregelen moet worden opgevat als de toekenning van een voordeel aan de begunstigde van die maatregel, blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat als steun de maatregelen worden beschouwd die, in welke vorm ook, ondernemingen direct of indirect kunnen bevoordelen of die moeten worden geacht een economisch voordeel te vormen dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen (arrest van 17 september 2020, Compagnie des pêches de Saint-Malo, C-212/19, EU:C:2020:726, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
97
Zo worden met name als steunmaatregelen beschouwd maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op de begroting van een onderneming drukken en daardoor — zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn — van dezelfde aard zijn en identieke gevolgen hebben (zie in die zin arrest van 27 juni 2017, Congregación de Escuelas Pías Provincia Betania, C-74/16, EU:C:2017:496, punt 66).
98
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de reeks maatregelen die is ingesteld bij besluit nr. 138/2013 een compleet pakket maatregelen omvat ten gunste van twee elektriciteitsproducenten, CE Hunedoara en CE Oltenia. De betreffende drie maatregelen zijn onderling verbonden en vormen een mechanisme waardoor deze productie-eenheden continu in bedrijf kunnen zijn. De verwijzende rechter geeft aan dat de twee door besluit nr. 138/2013 bedoelde eenheden hoge productiekosten hebben, zodat zij normaliter niet continu in bedrijf zijn. Wanneer deze eenheden stilliggen wordt hun kans om ondersteunende diensten te leveren kleiner, omdat het (opnieuw) opstarten ervan traag verloopt en hoge kosten met zich brengt. De reeks maatregelen in het hoofdgeding maakt het deze eenheden mogelijk om continu in bedrijf te zijn. Daardoor waarborgen die maatregelen dat zij een bepaalde hoeveelheid elektriciteit kunnen leveren en bieden zij hun de gelegenheid om ondersteunende diensten te leveren, te besparen op kosten voor het (opnieuw) opstarten van de eenheden en, dankzij het wegvallen van die kosten, goedkoper elektriciteit te produceren.
99
Derhalve lijken maatregelen zoals bepaald in besluit nr. 138/2013 de begunstigde elektriciteitsproducenten ten opzichte van hun concurrenten een economisch voordeel te verschaffen dat zij onder normale marktomstandigheden niet zouden hebben verkregen. Derhalve moet worden geoordeeld dat de voorwaarde inzake het bestaan van een selectief economisch voordeel in casu kan zijn vervuld.
100
Wat in de derde plaats de voorwaarde betreft dat de maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen of dreigen te vervalsen, zij erop gewezen dat er, om een nationale maatregel als staatssteun te kwalificeren, niet hoeft te worden vastgesteld of de steun de handel tussen lidstaten werkelijk beïnvloedt en de mededinging daadwerkelijk vervalst, maar enkel hoeft te worden onderzocht of de steun dat handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen (arrest van 18 mei 2017, Fondul Proprietatea, C-150/16, EU:C:2017:388, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
101
Wanneer inzonderheid door een lidstaat verleende steun de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het handelsverkeer binnen de Unie versterkt, moet dat handelsverkeer worden geacht door die steun te worden beïnvloed. Daartoe is het niet noodzakelijk dat de begunstigde ondernemingen zelf aan dat handelsverkeer deelnemen. Immers, wanneer een staat steun toekent aan ondernemingen, kan de binnenlandse productie erdoor in stand blijven of stijgen, met als gevolg dat de kansen van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen om de markt van die lidstaat te betreden, afnemen (zie in die zin arrest van 18 mei 2017, Fondul Proprietatea, C-150/16, EU:C:2017:388, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
102
Bovendien moet worden opgemerkt dat steun die bedoeld is om een onderneming te bevrijden van de kosten die zij normaliter in het kader van haar lopend beheer of van haar normale activiteiten had moeten dragen, in beginsel de concurrentievoorwaarden vervalst (zie in die zin arrest van 19 december 2019, Arriva Italia e.a., C-385/18, EU:C:2019:1121, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
103
Zoals de verwijzende rechter opmerkt, voeren de elektriciteitsproducenten hun activiteiten in casu uit op een markt die openstaat voor de mededinging en voor handelsverkeer tussen de lidstaten, aangezien elektriciteit grensoverschrijdend wordt verhandeld.
104
Bovendien lijken de maatregelen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, zoals in punt 98 van het onderhavige arrest is opgemerkt, de begunstigde eenheden in staat te hebben gesteld om continu in bedrijf te zijn, zodat zij konden besparen op de kosten voor het (opnieuw) opstarten daarvan, waardoor zij ook de uiteindelijke prijs van de aangeboden elektriciteit hebben kunnen verlagen.
105
Maatregelen zoals die in besluit nr. 138/2013 kunnen dus in beginsel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen.
106
Hieruit volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen in het licht van de voorgaande uitleggingsaanwijzingen, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter uit te voeren verificatie, dienen te worden aangemerkt als ‘steunmaatregelen van de staat’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
107
De verwijzende rechter vraagt het Hof tevens of deze maatregelen, indien zij als staatssteun moeten worden aangemerkt, al of niet hadden moeten worden onderworpen aan de voorafgaande controleprocedure van artikel 108, lid 3, VWEU.
108
Overeenkomstig deze bepaling moeten nieuwe steunmaatregelen vooraf bij de Commissie worden aangemeld en kunnen zij niet tot uitvoering worden gebracht voordat de procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.
109
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een steunmaatregel die tot uitvoering wordt gebracht met schending van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 108, lid 3, VWEU, onrechtmatig (arrest van 19 maart 2015, OTP Bank, C-672/13, EU:C:2015:185, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
110
Uit het voorgaande volgt dat de reeks maatregelen, gesteld dat de verwijzende rechter oordeelt dat het daarbij om een ‘steunmaatregel van de staat’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU gaat, moet worden aangemerkt als een nieuwe steunmaatregel, die dus overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU vooraf had moeten worden aangemeld bij de Commissie. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of de betrokken lidstaat die verplichting is nagekomen.
111
In casu blijkt uit de schriftelijke opmerkingen van de Commissie dat zij geen aanmelding overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU heeft ontvangen van staatssteun die op grond van besluit nr. 138/2013 aan CE Hunedoara en CE Oltenia is verleend. Bovendien zij erop gewezen dat die maatregelen niet lijken te vallen binnen de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen [107] en [108 VWEU] met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PB 2008, L 214, blz. 3), of die van verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 [VWEU] met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB 2014, L 178, blz. 1), die van kracht waren gedurende de geldigheidsperiode van besluit nr. 138/2013, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.
112
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 107, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een reeks maatregelen die bij regeringsbesluit is vastgesteld en bestaat in de inschakeling bij voorrang door de systeembeheerder — waarvan de staat meerderheidsaandeelhouder is — van de elektriciteit van bepaalde producenten waarvan de eenheden primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken, de gewaarborgde toegang voor de elektriciteit van de eenheden van die producenten tot het transmissiesysteem en de verplichting voor die producenten om ondersteunende diensten van een bepaald aantal megawatt te leveren aan de systeembeheerder, die hun voor die hoeveelheid een leveringsrecht verleent tegen vooraf vastgestelde prijzen die als hoger dan de marktprijs worden beschouwd, kan worden aangemerkt als een ‘steunmaatregel van de staat’ in de zin van dat artikel 107, lid 1, VWEU. Als dat het geval is, moet een dergelijke reeks maatregelen beschouwd worden als een nieuwe steunmaatregel en derhalve overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU vooraf worden aangemeld bij de Commissie.
Kosten
113
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat ten behoeve van de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit een gewaarborgde toegang tot de transmissiesystemen verleent aan bepaalde elektriciteitsproducenten waarvan de eenheden primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken, voor zover die gewaarborgde toegang gebaseerd is op objectieve en redelijke criteria en evenredig is aan het nagestreefde legitieme doel, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.
- 2)
Artikel 107, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een reeks maatregelen die bij regeringsbesluit is vastgesteld en bestaat in de inschakeling bij voorrang door de systeembeheerder — waarvan de staat meerderheidsaandeelhouder is — van de elektriciteit van bepaalde producenten waarvan de eenheden primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken, de gewaarborgde toegang voor de elektriciteit van de eenheden van die producenten tot het transmissiesysteem en de verplichting voor die producenten om ondersteunende diensten van een bepaald aantal megawatt te leveren aan de systeembeheerder, die hun voor die hoeveelheid een leveringsrecht verleent tegen vooraf vastgestelde prijzen die als hoger dan de marktprijs worden beschouwd, kan worden aangemerkt als een ‘steunmaatregel van de staat’ in de zin van dat artikel 107, lid 1, VWEU. Als dat het geval is, moet een dergelijke reeks maatregelen beschouwd worden als een nieuwe steunmaatregel en derhalve overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU vooraf worden aangemeld bij de Europese Commissie.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑01‑2022
Conclusie 09‑09‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit — Vrije toegang van derden tot het elektriciteitsnet — Openbaredienstverplichtingen — Leverings- en voorzieningszekerheid — Richtlijn 2009/72/EG — Gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet — Richtlijn 2009/28/EG’
P. pikamäe
Partij(en)
Zaak C-179/201.
Fondul Proprietatea SA
tegen
Guvernul României,
SC Complexul Energetic Hunedoara SA, in liquidatie,
Compania NaŢionalĂ de Transport al Energiei Electrice ‘Transelectrica’ SA,
SC Complexul Energetic Oltenia SA,
in tegenwoordigheid van
Ministerul Economiei, Energiei şi Mediului de Afaceri
[verzoek van de Curte de Apel Bucureşti (bestuursrechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) om een prejudiciële beslissing]
1.
Kan een lidstaat gewaarborgde toegang tot de transmissie- en distributiesystemen verlenen aan bepaalde stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van niet-hernieuwbare energiebronnen?
2.
Op verzoek van het Hof zal in de onderhavige conclusie alleen deze vraag uit het prejudiciële verzoek van de Curte de Apel București (bestuursrechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) worden onderzocht.
3.
Het Hof zal in het te wijzen arrest met name de gelegenheid hebben om zich uit te spreken over de draagwijdte van de verplichting van de lidstaten om stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen gewaarborgde toegang tot het net te verlenen, alsmede over de gevolgen van het verlenen van gewaarborgde toegang aan bepaalde stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van niet-hernieuwbare energiebronnen voor de nettoegang van stroomproductie-eenheden die niet beschikken over een dergelijke toegang.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Richtlijn 2009/28
4.
Overweging 60 van richtlijn 2009/28/EG2. luidt:
‘Voorrang inzake toegang en gewaarborgde toegang voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen is van belang om hernieuwbare energiebronnen in de interne markt voor elektriciteit te integreren, en is in overeenstemming met artikel 11, lid 2, en een verdere uitwerking van artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/54/EG[3.]. De voorschriften inzake de instandhouding van de betrouwbaarheid en veiligheid van het net en de dispatching kunnen naargelang de kenmerken van het nationale net en de veilige werking daarvan verschillen. Voorrang inzake nettoegang biedt de producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen de verzekering dat zij te allen tijde wanneer de bron beschikbaar is de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen overeenkomstig de connectieregels zullen kunnen verkopen en transporteren. Wanneer elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen geïntegreerd [wordt] in de ‘spotmarkt’, zorgt gegarandeerde toegang ervoor dat alle verkochte en gesteunde elektriciteit toegang krijgt tot het net en dat een maximale hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen van de op het net aangesloten installaties wordt gebruikt. Dit houdt geenszins de verplichting in dat lidstaten aankoopverplichtingen voor energie uit hernieuwbare bronnen moeten steunen of invoeren. In andere systemen wordt voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen gewoonlijk een vaste prijs vastgesteld, gewoonlijk in combinatie met een aankoopverplichting voor de systeembeheerder. In dit geval is reeds voorrang inzake toegang gegeven.’
5.
Artikel 16 van deze richtlijn, ‘Toegang tot en beheer van de netwerken’, bepaalt in lid 2:
‘Met inachtneming van de voorschriften inzake de instandhouding van de betrouwbaarheid en veiligheid van het net, die gebaseerd zijn op transparante, niet-discriminerende door de bevoegde nationale autoriteiten vastgestelde criteria:
[…]
- b)
zorgen de lidstaten er tevens voor dat elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen voorrang heeft op dan wel gewaarborgde toegang krijgt tot het net;
- c)
zorgen de lidstaten ervoor dat transmissiesysteembeheerders bij de dispatching van elektriciteitsopwekkingsinstallaties voorrang geven aan opwekkingsinstallaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, voor zover het veilige beheer van het nationale elektriciteitssysteem dit toelaat en dit gebeurt op basis van transparante en niet-discriminerende criteria. […]’
2. Richtlijn 2009/72
6.
Artikel 3 van richtlijn 2009/72/EG4., met als opschrift ‘Openbaredienstverplichtingen en bescherming van de afnemer’, bepaalt in de leden 2 en 14:
- ‘2.
Met volledige inachtneming van de toepasselijke bepalingen van het Verdrag, met name artikel 86, mogen de lidstaten in het algemeen economisch belang aan elektriciteitsbedrijven openbaredienstverplichtingen opleggen, die betrekking kunnen hebben op de zekerheid, waaronder de leverings- en voorzieningszekerheid, de regelmaat, de kwaliteit en de prijs van de leveringen zijn begrepen, alsmede op de bescherming van het milieu, met inbegrip van energie-efficiëntie, energie uit hernieuwbare bronnen en bescherming van het klimaat. Deze verplichtingen zijn duidelijk gedefinieerd, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar en waarborgen de gelijke toegang voor communautaire elektriciteitsbedrijven tot nationale consumenten […]. Met betrekking tot leverings- en voorzieningszekerheid en energie-efficiëntie/vraagzijdebeheer, alsmede ter verwezenlijking van milieudoelstellingen en doelstellingen voor energie uit hernieuwbare bronnen in de zin van dit lid, kunnen de lidstaten gebruikmaken van planning op lange termijn, daarbij rekening houdend met de mogelijkheid dat derden toegang tot het systeem wensen.
[…]
- 14.
De lidstaten kunnen besluiten de bepalingen van de artikelen 7, 8, 32 en/of 34 niet toe te passen, voor zover de toepassing daarvan de elektriciteitsbedrijven in feite of in rechte verhindert zich van de hun in het algemeen economisch belang opgelegde verplichtingen te kwijten en mits de ontwikkeling van de handel niet wordt beïnvloed in een mate die strijdig is met de belangen van de Gemeenschap. De belangen van de Gemeenschap omvatten onder meer mededinging met betrekking tot de in aanmerking komende afnemers overeenkomstig deze richtlijn en artikel 86 van het Verdrag.’
7.
In artikel 15 van richtlijn 2009/72, met als opschrift ‘Inschakelen en balanceren’, is het volgende bepaald:
- ‘1.
Onverminderd de levering van elektriciteit op basis van contractuele verplichtingen, met inbegrip van die welke voortvloeien uit de in aanbestedingen vervatte specificaties, is de transmissiesysteembeheerder, wanneer hij deze functie vervult, verantwoordelijk voor de inschakeling van de stroomproductie-eenheden in zijn gebied en voor het bepalen van het gebruik van interconnectoren met andere systemen.
- 2.
De inschakeling van de stroomproductie-eenheden en het gebruik van interconnectoren geschieden op basis van criteria waaraan de bevoegde nationale regulerende instanties hun goedkeuring hechten en die objectief moeten zijn, bekendgemaakt moeten worden en op een niet-discriminerende wijze moeten worden toegepast om een goede werking van de interne markt voor elektriciteit te waarborgen. De criteria houden rekening met de economische rangorde van de elektriciteit uit beschikbare productie-eenheden of uit overdracht via interconnectoren en met de voor het systeem geldende technische beperkingen.
- 3.
Een lidstaat verplicht de transmissiesysteembeheerders ertoe om bij het inschakelen van stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen te handelen overeenkomstig artikel 16 van richtlijn [2009/28]. Tevens kunnen zij de systeembeheerder ertoe verplichten om bij het inschakelen van stroomproductie-eenheden prioriteit te geven aan stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van […] warmtekrachtkoppeling.
- 4.
Een lidstaat kan om redenen van leverings- en voorzieningszekerheid bepalen dat voorrang wordt gegeven aan de inschakeling van stroomproductie-eenheden die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken, voor zover het hierbij gaat om hoeveelheden die per kalenderjaar niet meer bedragen dan 15 % van de totale primaire energie die nodig is voor de productie van de in de betrokken lidstaat verbruikte elektriciteit.
[…]’
8.
Artikel 32 van richtlijn 2009/72, ‘Toegang van derden’, luidt:
- ‘1.
De lidstaten dragen zorg voor de invoering van een systeem voor toegang van derden tot de transmissie- en distributiesystemen, gebaseerd op bekendgemaakte tarieven die voor alle in aanmerking komende afnemers gelden en die objectief worden toegepast zonder onderscheid te maken tussen systeemgebruikers. De lidstaten zorgen ervoor dat deze tarieven of de aan de berekening daarvan ten grondslag liggende methoden voorafgaand aan hun toepassing worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 37 en dat deze tarieven en, wanneer alleen de methoden zijn goedgekeurd, de methoden worden bekendgemaakt voordat zij in werking treden.
- 2.
De beheerder van een transmissie- of distributiesysteem kan de toegang weigeren wanneer hij niet over de nodige capaciteit beschikt. De weigering moet naar behoren met redenen worden omkleed waarbij met name het bepaalde in artikel 3 in acht moet worden genomen, op basis van objectieve, technisch en economisch onderbouwde criteria. […]’
B. Roemeens recht
9.
Met het oog op de omzetting van richtlijn 2009/72 in nationaal recht heeft Roemenië een reeks handelingen vastgesteld, waaronder de Lege energiei electrice și a gazelor naturale nr. 123/2012 (wet nr. 123/2012 inzake elektriciteit en aardgas) van 10 juli 2012 (Monitorul Oficial al României, nr. 485 van 16 juli 2012) (hierna: ‘wet nr. 123/2012’) en, ter uitvoering van deze wet, HotĂrârea Guvernului nr. 138/2013 privind adoptarea unor mĂsuri pentru siguranța alimentĂrii cu energie electricĂ (regeringsbesluit nr. 138/2013 tot vaststelling van maatregelen voor de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit) van 3 april 2013 (Monitorul Oficial al României, nr. 196 van 8 april 2013) (hierna: ‘besluit nr. 138/2013’).
10.
Allereerst was in artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012, onder het opschrift ‘Energieprogramma’, bepaald:
‘Bij regeringsbesluit kan om redenen van leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet worden verleend voor elektriciteit die geproduceerd is in elektriciteitscentrales waar in eigen land geproduceerde brandstof wordt gebruikt, voor zover het hierbij gaat om een hoeveelheid primaire energie die per jaar niet meer bedraagt dan 15 % van de totale hoeveelheid equivalente brandstof die nodig is voor de productie van elektriciteit ten behoeve van het bruto nationale eindverbruik.’
11.
Artikel 1 van besluit nr. 138/2013 bepaalde vervolgens:
‘Gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet wordt verleend aan elektriciteit die geproduceerd wordt in de thermo-elektrische centrale van Mintia, die eigendom is van Societatea ComercialĂ Complexul Energetic Hunedoara SA [hierna: ‘SC Complexul Energetic Hunedoara'], waardoor de continue werking van deze centrale met een gemiddeld elektrisch vermogen van ten minste 200 MW is verzekerd.’
12.
Artikel 2 van dat besluit bepaalde in dezelfde zin:
‘Gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet wordt verleend aan de elektriciteit die door Societatea ComercialĂ Complexul Energetic Oltenia SA [hierna: ‘SC Complexul Energetic Oltenia'] wordt geproduceerd, waardoor de continue werking van deze centrale met een gemiddeld elektrisch vermogen van ten minste 500 MW is verzekerd.’
13.
In artikel 3 van besluit nr. 138/2013 was het volgende bepaald:
‘Compania NaționalĂ de Transport al Energiei Electrice ‘Transelectrica’ SA, in haar hoedanigheid van transmissiesysteembeheerder, is verplicht om bij het inschakelen voorrang te verlenen aan de elektriciteit die wordt geproduceerd door de in de artikelen 1 en 2 bedoelde thermo-elektrische centrales, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de door de Autoritate NaționalĂ de Reglementare în Domeniul Energiei [nationale regulerende instantie op het gebied van energie; hierna: ‘ANRE'] vastgestelde regeling.’
14.
Artikel 4 van besluit nr. 138/2013 luidde als volgt:
‘Teneinde het zekerheidsniveau van de nationale elektriciteitsvoorziening in stand te houden, is [SC Complexul Energetic Hunedoara] verplicht om aan de transmissiesysteembeheerder ondersteunende diensten met een elektrisch vermogen van ten minste 400 MW te leveren, zulks overeenkomstig de door de [ANRE] vastgestelde regeling.’
15.
Artikel 5 van dat besluit luidde in dezelfde zin:
‘Teneinde het zekerheidsniveau van de nationale elektriciteitsvoorziening in stand te houden, is [SC Complexul Energetic Oltenia] verplicht om aan de transmissiesysteembeheerder ondersteunende diensten met een elektrisch vermogen van ten minste 600 MW te leveren, zulks overeenkomstig de door de [ANRE] vastgestelde regeling.’
16.
In artikel 6 van besluit nr. 138/2013 was bepaald dat ‘de in dit besluit genoemde maatregelen […] van toepassing [zijn] van 15 april 2013 tot 1 juli 2015’.
17.
Bij regeringsbesluit nr. 941/2014 was de termijn voor toepassing van de in de artikelen 1, 3 en 4 van besluit nr. 138/2013 bedoelde maatregelen op SC Complexul Energetic Hunedoara verlengd tot en met 31 december 2017.
II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
18.
SC Complexul Energetic Hunedoara en SC Complexul Energetic Oltenia zijn twee vennootschappen die elektriciteit produceren met behulp van niet-hernieuwbare energiebronnen. Het Roemeense recht, dat ik zojuist heb geschetst, legt hun drie maatregelen op die als volgt kunnen worden samengevat:
- —
inschakeling met voorrang door Transelectrica5. van de elektriciteit die wordt geproduceerd door de thermo-elektrische centrale van Mintia die toebehoort aan SC Complexul Energetic Hunedoara en de elektriciteit die wordt geproduceerd door SC Complexul Energetic Oltenia (artikel 3 van besluit nr. 138/2013)6.;
- —
gewaarborgde toegang tot de transmissie- en distributienetwerken voor de elektriciteit die door deze thermo-elektrische centrales wordt geproduceerd, waarbij hun continue werking met een gemiddeld elektrisch vermogen van ten minste 200 MW respectievelijk 500 MW wordt verzekerd (artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 en de artikelen 1 en 2 van besluit nr. 138/2013; hierna: ‘betrokken maatregel’);
- —
de verplichting voor SC Complexul Energetic Hunedoara en SC Complexul Energetic Oltenia om ondersteunende diensten aan Transelectrica te leveren voor een elektrisch vermogen van ten minste 400 MW respectievelijk 600 MW (artikelen 4 en 5 van besluit nr. 138/2013).
19.
Fondul Proprietatea SA, aandeelhouder van Hidroelectrica SA, een producent van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, is van mening dat zij nadelige gevolgen heeft ondervonden van de vaststelling van deze maatregelen door Roemenië, aangezien deze volgens haar staatssteun vormen ten gunste van SC Complexul Energetic Hunedoara en SC Complexul Energetic Oltenia, die zij als twee van haar concurrenten beschouwt.
20.
Ter bescherming van haar belangen heeft Fondul Proprietatea dan ook beroep tot nietigverklaring van besluit nr. 138/2013 ingesteld bij de Curte de Apel Bucureşti (bestuursrechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië). Bij vonnis van 10 maart 2015 heeft deze haar beroep verworpen.
21.
Verzoekster heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld bij de Înalta Curte de Casație și Justiție — Secția de Contencios Administrativ și Fiscal (hoogste rechterlijke instantie — afdeling bestuursrechtelijke en fiscale geschillen, Roemenië). Bij arrest van 22 mei 2018 heeft deze rechterlijke instantie het bestreden vonnis gedeeltelijk vernietigd op grond dat de Curte de Apel Bucureşti niet alle door verzoekster aangevoerde middelen van onrechtmatigheid had onderzocht. Bijgevolg heeft de Înalta Curte de Casație și Justiție de zaak terugverwezen naar de Curte de Apel Bucureşti voor een beoordeling van deze middelen.
22.
Bij de behandeling van de terugverwijzing van het beroep tot nietigverklaring heeft de Curte de Apel Bucureşti, op verzoek van verzoekster, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Artikel 107 en artikel 108, lid 3, VWEU: Is de vaststelling door de Roemeense Staat van een regeling die bepaalt dat twee vennootschappen waarin de staat een meerderheidsaandeel heeft:
- a)
met voorrang toegang krijgen tot de inschakeling, waarbij de transmissiesysteembeheerder verplicht wordt om ondersteunende diensten van deze vennootschappen af te nemen, en
- b)
gewaarborgde toegang krijgen tot het elektriciteitsnet voor de elektriciteit die zij produceren, zodat zij ononderbroken in bedrijf kunnen zijn,
staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU, dat wil zeggen een selectieve, door de staat of met staatsmiddelen bekostigde maatregel die het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden? Zo ja, moest deze staatssteun dan overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU aangemeld worden?
- 2)
Artikel 15, lid 4, van richtlijn [2009/72]: Is de gewaarborgde toegang tot het elektriciteitsnet die door de Roemeense Staat wordt verleend aan twee vennootschappen waarin hij een meerderheidsaandeel heeft, zodat hun ononderbroken werking gewaarborgd is, verenigbaar met artikel 15, lid 4, van [deze richtlijn]?’
III. Procedure bij het Hof
23.
Fondul Proprietatea, SC Complexul Energetic Oltenia en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen over deze vragen ingediend.
24.
Fondul Proprietatea en de Commissie zijn gehoord ter terechtzitting op 2 juni 2021.
IV. Analyse
25.
Zoals hierboven is opgemerkt, zal op verzoek van het Hof in deze conclusie enkel de tweede vraag worden onderzocht.
A. Opmerkingen vooraf over de begrippen ‘inschakeling met voorrang’ en ‘gewaarborgde toegang’
26.
Aangezien de begrippen ‘inschakeling met voorrang’ en ‘gewaarborgde toegang’ in de bepalingen van richtlijnen 2009/28 en 2009/72 niet worden gedefinieerd, lijkt het mij noodzakelijk deze begrippen hier te behandelen.
1. Begrip ‘inschakeling met voorrang’
27.
Zoals bepaald in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2009/72 is de transmissiesysteembeheerder verantwoordelijk voor de inschakeling van de stroomproductie-eenheden. In dit verband kan het inschakelen, zoals het Hof in het arrest ENEL heeft overwogen, worden gedefinieerd als ‘de verrichting waarmee de netwerkbeheerder de productie-eenheden in zijn gebied die over een passende reservecapaciteit beschikken, naargelang van de vraag ‘inschakelt’, teneinde steeds te zorgen voor een evenwicht tussen vraag en aanbod van elektriciteit op het net en aldus de continuïteit van de levering van elektriciteit te waarborgen.’7.
28.
Volgens artikel 15, lid 2, van richtlijn 2009/72 geschiedt de keuze van de stroomproductie-eenheden in dit verband op basis van criteria die objectief moeten zijn, bekendgemaakt moeten worden en op een niet-discriminerende wijze moeten worden toegepast, waarbij met name rekening wordt gehouden met de economische rangorde. In dit verband wordt laatstgenoemd criterium gedefinieerd als ‘een aan de hand van economische criteria bepaalde rangorde van bronnen voor de levering van elektriciteit’.8. Concreet worden de stroomproductie-eenheden in principe ingeschakeld uitgaande van het gunstigste verkoopaanbod, waarbij vervolgens in oplopende volgorde wordt gewerkt totdat aan alle vraag is voldaan.9.
29.
De wetgever heeft de inschakeling zoals ik die zojuist heb beschreven echter aangepast door het begrip ‘inschakeling met voorrang’ (ook ‘prioritaire dispatching’ genoemd) in te voeren. Inschakeling met voorrang houdt in dat de transmissiesysteembeheerder stroomproductie-eenheden inschakelt op basis van andere criteria dan die van de economische rangorde. Na de vaststelling van richtlijn 2009/72 heeft de wetgever deze term gedefinieerd als ‘met betrekking tot het self-dispatchingmodel, de dispatching van elektriciteitscentrales op basis van criteria die verschillen van de economische volgorde van biedingen en, met betrekking tot het centraal dispatchingmodel, dispatching van elektriciteitscentrales op basis van criteria die verschillen van de economische volgorde en van de netbeperkingen, waarbij prioriteit wordt gegeven aan dispatching van bepaalde productietechnologieën’.10. In dit geval voorziet richtlijn 2009/72 voor twee categorieën van stroomproductie-eenheden in inschakeling met voorrang.
30.
Ten eerste moeten de lidstaten krachtens artikel 16, lid 2, onder c), van richtlijn 2009/28, waarnaar artikel 15, lid 3, van richtlijn 2009/72 verwijst, bij de dispatching voorrang geven aan opwekkingsinstallaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen.11. Deze inschakeling met voorrang, die gebaseerd is op milieubeschermingsoverwegingen12., is bedoeld als een steunmechanisme voor dergelijke installaties.13.
31.
Ten tweede kunnen de lidstaten overeenkomstig artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 bepalen dat voorrang wordt gegeven aan de inschakeling van stroomproductie-eenheden die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken14.. Deze inschakeling met voorrang, die gebaseerd is op redenen van leverings- en voorzieningszekerheid, is echter beperkt tot ‘15 % van de totale primaire energie die nodig is voor de productie van de in de betrokken lidstaat verbruikte elektriciteit [per kalenderjaar]’.
2. Begrip ‘gewaarborgde toegang’
32.
Artikel 16 van richtlijn 2009/28, met als opschrift ‘Toegang tot en beheer van de netwerken’, bepaalt in lid 2, onder b), ervan dat de lidstaten ervoor zorgen dat ‘elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen voorrang heeft op dan wel gewaarborgde toegang krijgt tot het net.’15.
33.
Deze bepaling geeft echter geen definitie van het begrip ‘gewaarborgde toegang’ en bevat geen uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de lidstaten om de betekenis en de draagwijdte ervan te bepalen. Bijgevolg moet dit begrip volgens vaste rechtspraak van het Hof autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend niet alleen met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context van de bepaling en de doelstelling van de betrokken regeling.16.
34.
In dit verband wordt in overweging 60 van richtlijn 2009/28 uiteengezet wat de functie van gewaarborgde toegang is, welke gevolgen de toepassing ervan heeft en welk doel ermee wordt nagestreefd. Volgens deze overweging zorgt gewaarborgde toegang ervoor ‘dat alle verkochte en gesteunde elektriciteit toegang krijgt tot het net’. Gezien zijn functie heeft de toepassing van gewaarborgde toegang noodzakelijkerwijs tot gevolg dat ‘een maximale hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen van de op het net aangesloten installaties wordt gebruikt.’ Tot slot was het doel van de Uniewetgever om ‘hernieuwbare energiebronnen in de interne markt voor elektriciteit te integreren’ en de inschakeling met voorrang die wordt verleend aan opwekkingsinstallaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen verder uit te werken.
35.
Kortom, de weinige aanwijzingen die er zijn om de term ‘gewaarborgde toegang’ te verduidelijken, dragen ontegenzeggelijk niet bij tot het begrip ervan. Zonder dat het voor het onderzoek van de prejudiciële vraag noodzakelijk is dit begrip nader te definiëren, ben ik evenwel van mening dat de in overweging 60 van richtlijn 2009/28 bedoelde gewaarborgde toegang een mechanisme is dat verzekert dat de stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen toegang hebben tot het net om de verkochte elektriciteit te transporteren.
B. Herformulering van de tweede prejudiciële vraag
36.
Vast staat dat Roemenië, door artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 en de artikelen 1 en 2 van besluit nr. 138/2013 vast te stellen, gewaarborgde toegang tot het net heeft verleend aan stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van niet-hernieuwbare energiebronnen.
37.
De formulering van artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 kan echter leiden tot een qui pro quo tussen gewaarborgde toegang en inschakeling met voorrang, aangezien deze bepaling de verlening van gewaarborgde toegang afhankelijk stelt van de naleving van de voorwaarden voor inschakeling met voorrang als bedoeld in artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72. Volgens artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 kan gewaarborgde toegang tot het net namelijk alleen worden verleend aan ‘elektriciteitscentrales waar in eigen land geproduceerde brandstof wordt gebruikt, voor zover het hierbij gaat om een hoeveelheid primaire energie die per jaar niet meer bedraagt dan 15 % van de totale hoeveelheid equivalente brandstof die nodig is voor de productie van elektriciteit ten behoeve van het uiteindelijke bruto nationale eindverbruik’.17.
38.
Bovendien heeft de Roemeense regering bij de Curte de Apel Bucureşti aangevoerd dat artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 tot doel had de inschakeling met voorrang als bedoeld in artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 in nationaal recht om te zetten. Het lijkt mij dat deze omstandigheid de verwijzende rechter ertoe heeft gebracht om bij de formulering van zijn tweede vraag over de verenigbaarheid van de in artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 neergelegde gewaarborgde toegang met het Unierecht, te verwijzen naar artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72.
39.
Voor de beantwoording van de vraag, die in wezen betrekking heeft op de mogelijkheid voor een lidstaat om bepaalde stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van niet-hernieuwbare energiebronnen gewaarborgde toegang tot het net te verlenen, staat artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 mijns inziens echter niet centraal. Deze bepaling van de richtlijn heeft immers uitsluitend betrekking op het — onder bepaalde voorwaarden — met voorrang inschakelen van bepaalde stroomproductie-eenheden die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken.
40.
Daarentegen merk ik op dat artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 de enige bepaling is die betrekking heeft op gewaarborgde toegang. De verplichting van de lidstaten om gewaarborgde toegang tot het net te bieden heeft echter, zoals de verwijzende rechter heeft vastgesteld, enkel betrekking op elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen (hierna: ‘groene elektriciteit’). Het lijkt mij derhalve noodzakelijk te bepalen of dit artikel dergelijke toegang uitsluitend voorbehoudt aan groene elektriciteit.
41.
Voorts meen ik dat de gewaarborgde toegang tot het net als bedoeld in artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 gedeeltelijk en alleen voor groene elektriciteit een aanpassing inhoudt van de in artikel 32 van richtlijn 2009/72 vervatte regels inzake toegang van derden tot het net.
42.
Artikel 32 van richtlijn 2009/72, en meer in het bijzonder lid 1 ervan, formuleert immers het beginsel van vrije toegang van derden tot het net, een beginsel waarvan het verbod voor lidstaten om voor gebruikers discriminerende regels inzake de toegang tot het net vast te stellen een rechtstreeks uitvloeisel is. Gewaarborgde toegang, een mechanisme dat de begunstigde stroomproductie-eenheden toegang tot het net garandeert voor het transport van de verkochte elektriciteit, heeft onmiskenbaar gevolgen voor de toegang tot datzelfde net van de stroomproductie-eenheden die geen gewaarborgde toegang hebben. Gelet op deze gevolgen acht ik het noodzakelijk de in het Roemeense recht vastgestelde gewaarborgde toegang te onderzoeken in het licht van artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72.
43.
In het kader van dit onderzoek acht ik het tevens noodzakelijk om na te gaan of artikel 3, leden 2 en 14, van richtlijn 2009/72 in de weg staat aan de gewaarborgde toegang zoals vastgesteld in het Roemeense recht. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat bij de verwijzende rechter is aangevoerd dat de verlening van gewaarborgde toegang gerechtvaardigd is om redenen van leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit. Wanneer een dergelijke rechtvaardiging voor het Hof werd aangevoerd, werd zij door het Hof steevast getoetst aan artikel 3, leden 2 en 14, van richtlijn 2009/72, dat de lidstaten de mogelijkheid biedt om onder bepaalde voorwaarden de vrije toegang van derden tot het net als bedoeld in artikel 32, lid 1, van die richtlijn te beperken wanneer de toepassing van die bepaling de elektriciteitsbedrijven verhindert zich van de hun opgelegde openbaredienstverplichtingen te kwijten.
44.
In die omstandigheden lijkt het mij noodzakelijk, teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten, de aan het Hof voorgelegde tweede vraag te herformuleren.18.
45.
Ik stel daarom voor de tweede vraag als volgt te herformuleren:
‘Dienen artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28, alsmede artikel 3, leden 2 en 14, en artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in de onderhavige zaak aan de orde is, die bepaalde stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van niet-hernieuwbare energiebronnen gewaarborgde toegang tot de transmissie- en distributiesystemen verleent om redenen van leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit?’
C. Beoordeling van de geherformuleerde prejudiciële vraag
46.
Zoals hierboven uiteengezet, zal ik eerst onderzoeken of artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 de gewaarborgde toegang tot het net uitsluitend voorbehoudt aan groene elektriciteit. Ten tweede zal ik nagaan welke beperking de gewaarborgde toegang als bedoeld in het Roemeense recht inhoudt voor het in artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 geformuleerde beginsel van vrije toegang van derden tot de systemen, alsook de mogelijke rechtvaardiging van die beperking in het licht van artikel 3, leden 2 en 14, van diezelfde richtlijn.
1. Verenigbaarheid van gewaarborgde toegang tot het net voor elektriciteit uit niet-hernieuwbare energiebronnen met de gewaarborgde toegang als bedoeld in richtlijn 2009/28
47.
Krachtens artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 ‘zorgen de lidstaten er tevens voor dat elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen voorrang heeft op dan wel gewaarborgde toegang krijgt tot het net’. Om te bepalen of de Uniewetgever met deze bewoordingen de gewaarborgde toegang tot het net heeft willen voorbehouden aan groene elektriciteit, zal ik overgaan tot een letterlijke en teleologische uitlegging van deze bepaling.19. Deze analyse moet mijns inziens tot de conclusie leiden dat de verlening van gewaarborgde toegang aan bepaalde stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van niet-hernieuwbare energiebronnen, onder voorwaarden verenigbaar is met richtlijn 2009/28.
a) Letterlijke uitlegging
48.
Uit de letterlijke uitlegging van artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 kan ik niet afleiden dat het de lidstaten verboden is om bepaalde stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van niet-hernieuwbare energiebronnen gewaarborgde toegang tot het net te verlenen.
49.
Zo is in de Franse taalversie van artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 bepaald: ‘Les États membres prévoient, en outre, soit un accès prioritaire, soit un accès garanti au réseau pour l'électricité produite à partir de sources d'énergie renouvelables’. In de Engelse taalversie van deze bepaling staat: ‘Member States shall also provide for either priority access or guaranteed access to the grid-system of electricity produced from renewable energy sources’. Ten slotte staat in de Estse taalversie van deze bepaling dat de lidstaten ‘sätestavad ka taastuvatest energiaallikatest toodetud elektrienergia kas eelistatud või tagatud juurdepääsu võrgusüsteemile.’
50.
Hoewel elk van deze taalversies dus een verplichting bevat, bestaat die verplichting erin dat de lidstaten groene elektriciteit voorrang op dan wel gewaarborgde toegang tot het net verlenen, zonder dat zij een dergelijke voorrang of toegang uitsluitend voorbehouden aan die elektriciteit. Met andere woorden, uit geen van deze onderzochte taalversies van artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 kan ik afleiden dat de Uniewetgever de lidstaten heeft verboden om andere stroomproductie-eenheden dan die welke gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, gewaarborgde toegang tot het net te verlenen.
b) Teleologische uitlegging
51.
Met het oog op de teleologische uitlegging van de betreffende bepaling moet ik erop wijzen dat de transmissie- en distributiesystemen per definitie een beperkte capaciteit hebben om elektriciteit te transporteren. Het is mogelijk dat deze systemen niet alle elektriciteit kunnen transporteren die geproduceerd wordt of geproduceerd kan worden door de productie-eenheden die daaronder vallen.20.
52.
Wat meer bepaald artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 betreft, volgt uit overweging 60 van die richtlijn dat de gewaarborgde nettoegang met name tot doel heeft hernieuwbare energiebronnen in de interne markt voor elektriciteit te integreren door het gebruik van een maximale hoeveelheid groene elektriciteit. Ik leid hieruit dus af dat netwerkbeheerders aan stroomproductie-eenheden die gewaarborgde toegang genieten, een transmissiecapaciteit toewijzen die overeenstemt met de hoeveelheid groene elektriciteit die kan worden gebruikt.
53.
Gelet op de per definitie beperkte capaciteit van de transmissie- en distributiesystemen in de eerste plaats en de capaciteitstoewijzing waartoe de gewaarborgde toegang leidt in de tweede plaats, ben ik van mening dat de verlening van gewaarborgde toegang tot het net aan elektriciteit uit niet-hernieuwbare energiebronnen er slechts in bepaalde omstandigheden toe kan leiden dat de aan groene elektriciteit verleende toegang niet wordt verzekerd.21.
54.
Deze omstandigheden mogen mijns inziens echter niet leiden tot een uitlegging volgens welke artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 het in alle gevallen verbiedt om bepaalde stroomproductie-eenheden die geen gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, gewaarborgde toegang tot het net te verlenen.
55.
Oordelen dat artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 eraan in de weg staat dat gewaarborgde toegang tot het net wordt verleend aan productie-eenheden die geen gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, is immers niet noodzakelijk om het met die bepaling nagestreefde doel te bereiken, namelijk hernieuwbare energiebronnen in de interne markt voor elektriciteit te integreren door een maximale hoeveelheid groene elektriciteit te gebruiken.
56.
Bovendien houdt een dergelijke uitlegging een soort radicalisme in dat mij niet verenigbaar lijkt met de ruime manoeuvreerruimte waarover de lidstaten op dit gebied beschikken. Het Hof is immers van oordeel dat de Uniewetgever met de vaststelling van richtlijn 2009/28 niet de bedoeling had om een uitputtende harmonisatie van de nationale steunregelingen voor de productie van groene energie tot stand te brengen.22. Deze uitlegging strookt overigens met de meer algemene vaststelling van het Hof dat ‘de Unieregeling op milieugebied geen volledige harmonisatie tot doel heeft’.23. Daarom ben ik van mening dat de lidstaten een aanzienlijke manoeuvreerruimte behouden wanneer zij dit instrument ten uitvoer leggen.24.
57.
Om al deze redenen ben ik, net als de Commissie, van mening dat het verenigbaar is met de verplichting van artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 indien een lidstaat gewaarborgde toegang tot het net verleent aan productie-eenheden die gebruikmaken van niet-hernieuwbare energiebronnen, zolang de gewaarborgde toegang die aan groene elektriciteit wordt verleend, verzekerd is. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of groene elektriciteit daadwerkelijk gewaarborgde toegang tot het net als bedoeld in artikel 16, lid 2, onder b), van deze richtlijn heeft gekregen.25.
2. Verenigbaarheid van gewaarborgde toegang tot het net voor bepaalde stroomproductie-eenheden met de toegangsregels van richtlijn 2009/72
58.
Bij het onderzoek naar de verenigbaarheid van nationale maatregelen met de regels inzake de toegang van derden tot het net waarin de richtlijnen betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit voorzien26., heeft het Hof een uniek beoordelingskader ontwikkeld dat voortvloeit uit de verhouding tussen de bepalingen die deze toegang regelen. Ik zal dat kader toelichten en erna volgen.
59.
Het beginsel van vrije toegang van derden tot het net als bedoeld in artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 is door het Hof aangemerkt als een ‘essentiële maatregel’ voor de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit.27. Het belang van dit beginsel heeft het Hof er dan ook toe gebracht te oordelen dat een lidstaat niet de mogelijkheid heeft om dit beginsel opzij te zetten in andere gevallen dan die waarvoor richtlijn 2009/72 in uitzonderingen of ontheffingen voorziet.28.
60.
Met betrekking tot dergelijke uitzonderingen of ontheffingen verricht het Hof een toetsing aan artikel 3, leden 2 en 14, van richtlijn 2009/72, dat de lidstaten de mogelijkheid biedt om onder bepaalde voorwaarden de vrije toegang van derden tot het in artikel 32, lid 1, van deze richtlijn bedoelde net te beperken wanneer de toepassing van deze bepaling zou verhinderen dat de openbaredienstverplichtingen worden nageleefd die aan de elektriciteitsbedrijven, waaronder stroomproductie-eenheden, zijn opgelegd en die betrekking kunnen hebben op de leverings- en voorzieningszekerheid.29.
61.
Aangezien het onderzoek naar de verenigbaarheid van nationale maatregelen met artikel 32, lid 1, en artikel 3, leden 2 en 14 van richtlijn 2009/72 een evenredigheidstoetsing voor elk van die bepalingen vereist, zal het Hof een dergelijke toetsing aan het einde van het onderzoek verrichten, teneinde, zo lijkt het mij, elke onnodige herhaling te vermijden.30.
a) Artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72
62.
Het beginsel van vrije toegang van derden tot het net was, zij het in de kiem, reeds geformuleerd bij de vaststelling van richtlijn 96/92.31. Vervolgens werd dit beginsel, dat systematisch werd overgenomen, nader uitgewerkt in de daaropvolgende richtlijnen betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit.32.
63.
Artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 voorziet onder meer in ‘de invoering [voor alle in aanmerking komende afnemers] van een systeem voor toegang van derden tot de transmissie- en distributiesystemen’. In dit verband is het vaste rechtspraak van het Hof dat dit recht ‘een van de essentiële maatregelen is die door de lidstaten moeten worden toegepast met het oog op de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit.’33.
64.
Bovendien verbiedt dit beginsel de lidstaten om de toegang van derden tot het net op discriminerende wijze te regelen. Artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 bepaalt immers dat het betrokken toegangssysteem ‘objectief [moet] worden toegepast zonder onderscheid te maken tussen systeemgebruikers’.34. Het Hof heeft het verbod voor de lidstaten om derden te discrimineren in verband gebracht met het algemenere verbod van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn35., volgens hetwelk de lidstaten elektriciteitsbedrijven, wat hun rechten en plichten betreft, niet verschillend mogen behandelen.
65.
Het Hof leidt daaruit af dat deze bepalingen ‘een bijzondere uitdrukking vormen van het algemene gelijkheidsbeginsel’36., dat vereist ‘dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.’37.
66.
Derhalve moet worden nagegaan of er in het onderhavige geval sprake is van een verschil in behandeling.
67.
In casu werd de nettoegang overeenkomstig artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 en de artikelen 1 en 2 van besluit nr. 138/2013 voor ten minste 700 MW gegarandeerd aan SC Complexul Energetic Hunedoara en SC Complexul Energetic Oltenia. Dit alleen al leidt tot de conclusie dat er sprake is van een verschil in behandeling ten nadele van de elektriciteitsproducenten die toegang hadden tot het betrokken net en die niet-hernieuwbare energiebronnen gebruikten.
68.
In tegenstelling tot wat de Commissie beweert, geloof ik niet dat het nodig is om de categorieën van stroomproductie-eenheden waarvoor sprake is van het zojuist vastgestelde verschil in behandeling, verder te verfijnen. Ten eerste, indien de betrokken maatregel gericht was geweest op alle stroomproductie-eenheden die brandstoffen uit eigen land gebruiken, zou ik evenzeer een verschil in behandeling hebben vastgesteld, aangezien de brandbaarheid van de energiebron en de geografische oorsprong ervan geen criteria voor differentiëring zijn die worden erkend door artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72, dat overigens geen enkel dergelijk criterium erkent. Ten tweede moet, zoals ik hieronder zal toelichten, in het kader van de beoordeling van artikel 3, leden 2 en 14, van richtlijn 2009/72 worden nagegaan of er andere stroomproductie-eenheden zijn die dezelfde diensten kunnen verrichten als de stroomproductie-eenheden waarop de betrokken maatregel betrekking heeft.
69.
In elk geval is de enkele vaststelling dat er sprake is van een verschil in behandeling onvoldoende om de betrokken maatregel als discriminerend aan te merken, indien deze maatregel een legitiem doel nastreeft.38.
70.
Wat de mogelijke rechtvaardiging van een dergelijk verschil in behandeling betreft, zij erop gewezen dat de verlening van gewaarborgde toegang aan elektriciteit die is geproduceerd door elektriciteitscentrales die brandstof uit eigen land gebruiken, in artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 wordt gerechtvaardigd aan de hand van redenen die verband houden met de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit. Bovendien blijkt uit lezing van de verwijzingsbeslissing dat deze rechtvaardiging werd aangevoerd door de partijen die zich op het standpunt stelden dat de gewaarborgde toegang als bedoeld in het Roemeense recht verenigbaar is met het Unierecht.
71.
Ik ben van mening dat de legitimiteit van het met de betrokken maatregel nagestreefde doel, namelijk de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit in Roemenië, geen twijfel lijdt.
72.
In dit verband herinner ik eraan dat ingevolge artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/72 de lidstaten aan elektriciteitsbedrijven openbaredienstverplichtingen mogen opleggen die betrekking kunnen hebben op de leverings- en voorzieningszekerheid.39. Wat voorts de bepalingen van het VWEU, en meer in het bijzonder artikel 36 daarvan, betreft, merk ik op dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het beschermen van de zekerheid van de energievoorziening een reden van openbare veiligheid is.40.
73.
Het enkele beroep op een legitiem doel volstaat evenwel niet om uit te sluiten dat een verschil in behandeling als ‘discriminerend’ wordt aangemerkt. De betrokken doelstelling moet immers in staat zijn om het bovengenoemde verschil in behandeling te rechtvaardigen, waarbij het ‘in wezen [erom gaat] vast te stellen of dit verschil berust op een objectief en redelijk criterium en evenredig is aan het nagestreefde doel’.41.
74.
Gelet op het hierboven geschetste beoordelingskader, bewaar ik mijn opmerkingen over de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel echter voor een later stadium van mijn conclusie.
b) Artikel 3, leden 2 en 14, van richtlijn 2009/72
75.
Zoals reeds is opgemerkt, biedt de manoeuvreerruimte waarover de lidstaten beschikken om de nodige maatregelen te treffen voor de invoering van een systeem voor toegang van derden, hun niet de mogelijkheid om het in artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 bedoelde beginsel van vrije nettoegang opzij te zetten in andere gevallen dan die waarvoor deze richtlijn in uitzonderingen of ontheffingen voorziet.42.
76.
Zo bepaalt artikel 3, lid 14, van richtlijn 2009/72 dat de lidstaten kunnen besluiten de bepalingen van artikel 32 van deze richtlijn niet toe te passen ‘voor zover de toepassing daarvan de elektriciteitsbedrijven […] verhindert zich van de hun in het algemeen economisch belang opgelegde verplichtingen te kwijten en mits de ontwikkeling van de handel niet wordt beïnvloed in een mate die strijdig is met de belangen van de Gemeenschap.’
77.
In het verlengde van deze bepaling stelt artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/72 dat de lidstaten, met volledige inachtneming van artikel 86 EG (thans artikel 106 VWEU), aan elektriciteitsbedrijven openbaredienstverplichtingen mogen opleggen die betrekking kunnen hebben op de leverings- en voorzieningszekerheid.43.
78.
Deze verplichtingen moeten dan worden begrepen als ‘overheidsinterventie in de werking van deze markt, op grond waarvan elektriciteitsbedrijven met het oog op het nastreven van een algemeen economisch belang op deze markt moeten handelen op basis van door de overheid opgelegde criteria.’44.
79.
De openbaredienstverplichtingen die door een lidstaat aan elektriciteitsbedrijven kunnen worden opgelegd, zijn evenwel ingeperkt. Artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/72 bepaalt immers dat deze verplichtingen ‘duidelijk gedefinieerd, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar [moeten zijn] en […] de gelijke toegang voor communautaire elektriciteitsbedrijven tot nationale consumenten waarborgen’.
80.
Met het oog op de inachtneming van artikel 106 VWEU heeft het Hof overwogen dat uit de bewoordingen zelf van deze bepaling volgt dat de openbaredienstverplichtingen die krachtens artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/72 aan ondernemingen kunnen worden opgelegd, het evenredigheidsbeginsel moeten eerbiedigen.45.
81.
Uit al deze bepalingen leid ik af dat de lidstaten openbaredienstverplichtingen met betrekking tot de leverings- en voorzieningszekerheid aan stroomproductie-eenheden kunnen opleggen, zelfs indien de nakoming van deze verplichtingen de vrije toegang van derden tot het net zou belemmeren.
82.
Deze aan de lidstaten geboden mogelijkheid is echter niet onbeperkt, aangezien de nationale maatregelen, die in het algemeen economisch belang moeten worden vastgesteld, de ontwikkeling van de handel in geen geval mogen beïnvloeden in een mate die strijdig is met de belangen van de Unie. Bovendien moeten de in deze maatregelen vervatte verplichtingen duidelijk gedefinieerd, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar zijn. Bovenal moeten de openbaredienstverplichtingen de gelijke toegang voor stroomproductie-eenheden van de Unie tot nationale consumenten waarborgen. Ten slotte is op deze verplichtingen het evenredigheidsbeginsel van toepassing.
83.
Hoewel het aan de Curte de Apel Bucureşti staat om na te gaan of in de onderhavige zaak de betrokken maatregel in de eerste plaats daadwerkelijk openbaredienstverplichtingen oplegt en in de tweede plaats aan alle hierboven gestelde eisen voldoet, kan het Hof de verwijzende rechter alle gegevens verstrekken die hem in staat stellen om dit na te gaan.
84.
Bovendien stel ik met enige verbazing vast dat de partijen die aanvoeren dat de betrokken maatregel verenigbaar is met het Unierecht, verwijzen naar de leverings- en voorzieningszekerheid, terwijl geen van hen een beroep doet op artikel 3 van richtlijn 2009/72 en zij bijgevolg niet motiveren waarom de gewaarborgde toegang waarin het Roemeense recht voorziet, aan de in die bepaling gestelde eisen voldoet.
85.
Wat betreft het bestaan van openbaredienstverplichtingen die aan de betrokken stroomproductie-eenheden worden opgelegd, valt de gewaarborgde toegang waarin het Roemeense recht voorziet, mijns inziens niet onder dergelijke verplichtingen. De gewaarborgde nettoegang beperkt immers niet de handelingsvrijheid van de stroomproductie-eenheden die over die toegang beschikken op de elektriciteitsmarkt. Integendeel, de productie-eenheden waaraan een dergelijke toegang wordt verleend genieten een duidelijk economisch voordeel, omdat zij verzekerd zijn van de transmissie van de verkochte elektriciteit.
86.
Voorts ontgaan mij de door de Roemeense regering gevolgde procedure en de redenen die haar ertoe hebben gebracht de betrokken stroomproductie-eenheden aan te wijzen. Wat bijvoorbeeld het discriminerende karakter van de betrokken maatregel betreft, staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of er andere stroomproductie-eenheden waren die dezelfde openbaredienstverplichtingen konden uitvoeren als die welke bij besluit nr. 138/2013 waren aangewezen.46.
87.
Met betrekking tot het vereiste dat openbaredienstverplichtingen moeten waarborgen dat elektriciteitsbedrijven van de Unie gelijke toegang tot nationale consumenten hebben, is gewaarborgde toegang, zoals hierboven uiteengezet, een mechanisme dat de begunstigde stroomproductie-eenheden nettoegang verzekert met het oog op de transmissie van de verkochte elektriciteit.
88.
Uit de per definitie beperkte capaciteit van de transmissie- en distributiesystemen, enerzijds, en de capaciteitstoewijzing waartoe gewaarborgde toegang leidt, anderzijds, leid ik af dat de aldus toegewezen capaciteit in gelijke mate de capaciteit vermindert die kan worden aangewend voor de transmissie van elektriciteit die is geproduceerd door productie-eenheden die niet over een dergelijke toegang beschikken. Deze productie-eenheden zijn dan niet in staat alle of een deel van de gesloten transacties uit te voeren. Met andere woorden, de ontoereikende capaciteit van het net wordt weliswaar niet veroorzaakt door de verleende gewaarborgde toegang, maar een dergelijke toegang verergert de omvang ervan voor de productie-eenheden die dat voordeel niet genieten.
89.
In dit verband merk ik op dat in het onderhavige geval artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 en de artikelen 1 en 2 van besluit nr. 138/2013 de toegang tot het elektriciteitsnet hebben gewaarborgd voor de stroomproductie-eenheden ten belope van een elektrisch vermogen van ten minste 700 MW.
90.
Bijgevolg heeft de betrokken maatregel — in ieder geval potentieel en ten dele — verhinderd dat productie-eenheden die niet over een dergelijke toegang beschikken, de gesloten transacties nakwamen, en heeft aldus de gelijke toegang van de elektriciteitsproducenten van de Unie tot de nationale consumenten ongunstig beïnvloed.
91.
Indien het Hof het eens is met deze overwegingen, moet de betrokken maatregel onverenigbaar met artikel 3, leden 2 en 14, en artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 worden verklaard. Indien dit echter niet het geval is, wordt hieronder verder onderzocht of de betrokken maatregel verenigbaar is met de relevante bepalingen.
92.
Wat de inachtneming van artikel 106 VWEU betreft, heeft het Hof geoordeeld dat een nationale maatregel waarbij openbaredienstverplichtingen worden opgelegd, het evenredigheidsbeginsel moet eerbiedigen en derhalve ‘de verwezenlijking van het gestelde doel [moet] kunnen waarborgen en […] niet verder [mag] gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is’.47.
c) Eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel
93.
Het Minister Economiei, Energiei și Mediului de Afaceri (Roemeens ministerie van economie, energie en het bedrijfsleven) heeft voor de verwijzende rechter verklaard dat de betrokken maatregel — tezamen met de inschakeling met voorrang en de verplichting om ondersteunende diensten te verrichten — is vastgesteld om productiecapaciteit te creëren, hetgeen noodzakelijk was geworden om verschillende redenen, die echter alle een bedreiging vormden voor de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit in Roemenië.
94.
Het ging er immers om productiecapaciteit te creëren met gebruikmaking van niet-hernieuwbare energiebronnen teneinde, ten eerste, te kunnen voldoen aan de vraag tijdens verbruikspieken, ten tweede, te beschikken over productie-eenheden die in de plaats kunnen komen van productie-eenheden die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen bij onbeschikbaarheid van deze bron en, ten derde en ten slotte, te reageren op de verwachte toename van het grensoverschrijdende handelsverkeer in het kader van de verwezenlijking van het project 4M MC.48.
95.
Wat de evenredigheidstoets betreft, moet in de eerste plaats worden nagegaan of de maatregel geschikt is om de doelstelling bestaande in het creëren van productiecapaciteit te bereiken. In dit verband heb ik mij afgevraagd waarom zowel in besluit nr. 138/2013 als in de verwijzingsbeslissing staat dat de gewaarborgde toegang waarin het Roemeense recht voorziet, de ‘continue werking’ van de begunstigde stroomproductie-eenheden heeft verzekerd. Naar mijn mening is een gewaarborgde toegang op zichzelf immers niet in staat om de continue werking van een productie-eenheid te verzekeren, aangezien het slechts een waarborg voor nettoegang vormt. Gelet op de hieronder uiteengezette redenen lijkt het mij juister om te stellen dat de continue werking van de productie-eenheden van SC Complexul Energetic Hunedoara en SC Complexul Energetic Oltenia voortvloeide uit de combinatie van inschakeling met voorrang en gewaarborgde toegang, zoals deze zijn vastgesteld in het Roemeense recht.49.
96.
Om te beginnen was het dankzij de inschakeling met voorrang mogelijk om de productie-eenheden van SC Complexul Energetic Hunedoara en SC Complexul Energetic Oltenia door Transelectrica aan te spreken zonder dat per definitie rekening werd gehouden met de volgorde van economische voorrang. Vervolgens garandeerde de gewaarborgde toegang deze productie-eenheden dat de geproduceerde en met voorrang ingeschakelde elektriciteit toegang zou krijgen tot het net, ook al zou de capaciteit daarvan dat waarschijnlijk niet hebben toegelaten.
97.
In dit verband merk ik op dat de waarde van de gewaarborgde toegang afhangt van de capaciteit van de transmissie- en distributiesystemen. Zo is de zekerheid die gewaarborgde toegang biedt, des te waardevoller voor de begunstigde stroomproductie-eenheden wanneer de transmissie- en distributiesystemen een structureel capaciteitsprobleem hebben. Omgekeerd verliest gewaarborgde nettoegang aan betekenis zodra de capaciteit van het net groter is dan de hoeveelheid toegevoerde elektriciteit.
98.
Aangezien de gewaarborgde toegang deels de continue werking van de begunstigde stroomproductie-eenheden verzekert, twijfel ik er niet aan dat de gewaarborgde toegang kan bijdragen tot het creëren van productiecapaciteit die het mogelijk maakt om de leverings- en voorzieningszekerheid van een lidstaat als Roemenië te waarborgen.50.
99.
In de tweede plaats moet worden nagegaan of de betrokken maatregel noodzakelijk kan worden geacht voor het bereiken van de doelstelling bestaande in het creëren van productiecapaciteit. Dienaangaande staat het aan de verwijzende rechter om enerzijds na te gaan of het ontbreken van gewaarborgde toegang zou verhinderen dat de begunstigde stroomproductie-eenheden hun openbaredienstverplichtingen naleven en anderzijds te onderzoeken of deze verplichtingen niet kunnen worden nagekomen met andere middelen die niet afdoen aan het recht van nettoegang.51.
100.
Wat betreft het risico dat de stroomproductie-eenheden bij de uitvoering van hun openbaredienstverplichtingen zouden worden gehinderd wanneer hun de betrokken maatregel wordt ontzegd, lijkt het mij dat de verwijzende rechter de capaciteit van de transmissie- en distributiesystemen zou kunnen onderzoeken, en meer in het bijzonder of deze structureel toereikend of ontoereikend zijn.
101.
Wat betreft het bestaan van andere middelen die niet afdoen aan het recht van toegang tot het net en die het mogelijk maken de openbaredienstverplichtingen na te komen, is het zinvol als het Hof herinnert aan zijn rechtspraak dat ‘de lidstaat die zich op artikel 90, lid 2, beroept, [weliswaar moet] aantonen dat de in deze bepaling gestelde voorwaarden zijn vervuld, maar [dat] deze bewijslast […] niet zo zwaar [kan] zijn dat deze lidstaat, wanneer hij uitvoerig uiteenzet waarom bij afschaffing van de bestreden maatregelen de vervulling, onder economisch aanvaardbare omstandigheden, van de door hem aan een onderneming toevertrouwde taken van algemeen economisch belang in zijn ogen in gevaar zou komen, vervolgens ook nog positief moet aantonen, dat met geen enkele andere voorstelbare, per definitie hypothetische, maatregel de vervulling van die taken onder dezelfde omstandigheden kan worden verzekerd.’52.
102.
Concluderend meen ik dat op de tweede prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat een lidstaat bepaalde stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van niet-hernieuwbare energiebronnen, gewaarborgde nettoegang kan verlenen ter waarborging van zijn leverings- en voorzieningszekerheid, op voorwaarde dat, ten eerste, de toegang tot het net voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, die is verleend krachtens artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28, verzekerd is en, ten tweede, is voldaan aan de vereisten van artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72, en, ingeval de verwijzende rechter vaststelt dat aan die stroomproductie-eenheden openbaredienstverplichtingen zijn opgelegd, aan de vereisten van artikel 3, leden 2 en 14, van deze richtlijn, voor zover deze regeling niet verder gaat dan noodzakelijk is om de doelstelling ervan te bereiken.
V. Conclusie
103.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de tweede prejudiciële vraag van de Curte de Apel Bucureşti, zoals geherformuleerd, te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG, artikel 3, leden 2 en 14, en artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, die bepaalde stroomproductie-eenheden die gebruikmaken van niet-hernieuwbare energiebronnen, gewaarborgde toegang tot de transmissie- en distributiesystemen verleent ter waarborging van de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit, op voorwaarde dat de toegang tot het net voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, die is verleend krachtens artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28, verzekerd is, en is voldaan aan de vereisten van artikel 32, lid 1, van richtlijn 2009/72 en, ingeval de verwijzende rechter vaststelt dat aan die stroomproductie-eenheden openbaredienstverplichtingen zijn opgelegd, aan de vereisten van artikel 3, leden 2 en 14, van deze richtlijn, voor zover deze regeling niet verder gaat dan noodzakelijk is om de doelstelling ervan te bereiken. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of in het hoofdgeding aan deze voorwaarden is voldaan.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑09‑2021
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG (PB 2009, L 140, blz. 16).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG (PB 2003, L 176, blz. 37).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (PB 2009, L 211, blz. 55).
Transelectrica is de transmissiesysteembeheerder in Roemenië.
Het lijkt mij dat artikel 3 van besluit nr. 138/2013 geen beperking stelt aan de hoeveelheid elektriciteit die door Transelectrica met voorrang wordt ingeschakeld, aangezien de in artikel 5, lid 3, van wet nr. 123/2012 vastgestelde beperking van 15 % enkel betrekking heeft op het mechanisme van gewaarborgde toegang. Het is echter mogelijk dat de hoeveelheid elektriciteit die is geproduceerd door de in artikel 3 van besluit nr. 138/2013 bedoelde stroomproductie-eenheden en die met voorrang is ingeschakeld, de in artikel 15, lid 4, van richtlijn 2009/72 bedoelde grens van 15 % niet heeft overschreden.
Arrest van 21 december 2011, ENEL (C 242/10, EU:C:2011:861, punt 11).
Artikel 2 van richtlijn 2009/72.
Zie arrest van 21 december 2011, ENEL (C-242/10, EU:C:2011:861, punt 87).
Artikel 2, punt 20, van verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB 2019, L 158, blz. 54).
De inschakeling met voorrang ten gunste van opwekkingsinstallaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen was reeds vastgesteld in de richtlijnen die voorafgingen aan richtlijn 2009/72 [artikel 8, lid 3, van richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (PB 1997, L 27, blz. 20), nadien artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/54]. Bovendien komt deze inschakeling ook ten goede aan opwekkingsinstallaties die gebruikmaken van warmtekrachtkoppeling (artikel 15, lid 3, van richtlijn 2009/72).
Zie overweging 28 van richtlijn 96/92.
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Voltooiing van de interne energiemarkt [COM(2001) 125 definitief, blz. 25].
Inschakeling met voorrang van stroomproductie-eenheden die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken, was reeds opgenomen in de richtlijnen die voorafgingen aan richtlijn 2009/72 (artikel 8, lid 4, van richtlijn 96/92, nadien artikel 11, lid 4, van richtlijn 2003/54).
Richtlijn 2009/28 is in de plaats gekomen van richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (PB 2001, L 283, blz. 33). Artikel 7, van richtlijn 2001/77, met als opschrift ‘Aspecten van het net’, bood de lidstaten in lid 1 de mogelijkheid om voorrang te verlenen aan elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen voor de toegang tot het net.
Arrest van 16 juli 2015, Abcur (C-544/13 en C-545/13, EU:C:2015:481, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Besluit nr. 138/2013 maakt echter een duidelijk onderscheid tussen gewaarborgde toegang (artikelen 1 en 2) en inschakeling met voorrang (artikel 3).
Zie in die zin arrest van 14 mei 2020, T-Systems Magyarország (C-263/19, EU:C:2020:373, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 10 september 2014, Ben Alaya (C-491/13, EU:C:2014:2187 punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Deze situatie wordt ook bestreken door artikel 32, lid 2, van richtlijn 2009/72, dat bepaalt dat ‘de beheerder van een transmissie- of distributiesysteem […] de toegang [kan] weigeren wanneer hij niet over de nodige capaciteit beschikt’.
Indien een lidstaat bijvoorbeeld aan alle aangesloten stroomproductie-eenheden gewaarborgde toegang tot zijn net zou verlenen, zou geen van deze productie-eenheden in feite aanspraak op deze toegang kunnen maken. In dat geval zou de lidstaat die deze toegang verleent, dus zijn verplichtingen krachtens artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 niet nakomen.
Arresten van 1 juli 2014, Ålands Vindkraft (C-573/12, EU:C:2014:2037, punt 59) en 4 oktober 2018, L.E.G.O. (C-242/17, EU:C:2018:804, punten 53 e.v.).
Arrest van 21 juli 2011, Azienda Agro-Zootecnica Franchini en Eolica di Altamura (C-2/10, EU:C:2011:502, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 4 oktober 2018, L.E.G.O. (C-242/17, EU:C:2018:804, punt 54).
Mijns inziens is artikel 16, lid 2, onder b), van richtlijn 2009/28 in nationaal recht omgezet bij artikel 70, onder a), van wet nr. 123/2012.
Richtlijn 2009/72 is in de plaats gekomen van richtlijn 2003/54, die zelf in de plaats was gekomen van richtlijn 96/92.
Arresten van 22 mei 2008, citiworks (C-439/06, EU:C:2008:298, punt 44); 29 september 2016, Essent Belgium (C-492/14, EU:C:2016:732, punt 76), en 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug (C-31/18, EU:C:2019:868, punt 41)
Arrest van 22 mei 2008, citiworks (C-439/06, EU:C:2008:298, punt 55).
Arrest van 22 mei 2008, citiworks (C-439/06, EU:C:2008:298, punt 58).
Arrest van 29 september 2016, Essent Belgium (C-492/14, EU:C:2016:732, punten 86 en 94).
Zie artikel 16 van richtlijn 96/92 en rechtspraak ter zake (arrest van 7 juni 2005, VEMW e.a., C-17/03, EU:C:2005:362, punten 37 en 46).
Zie artikel 20 van richtlijn 2003/54 en artikel 6 van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158, blz. 125).
Arresten van 22 mei 2008, citiworks (C-439/06, EU:C:2008:298, punt 44); 29 september 2016, Essent Belgium (C-492/14, EU:C:2016:732, punt 76), en 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug (C-31/18, EU:C:2019:868, punt 41).
Hidroelectrica heeft krachtens artikel 32 van richtlijn 2009/72 het recht om niet te worden gediscrimineerd (zie in dit verband arrest van 29 september 2016, Essent Belgium, C-492/14, EU:C:2016:732, punten 71–75).
Arrest van 7 juni 2005, VEMW e.a. (C-17/03, EU:C:2005:362, punt 46). Hoewel richtlijn 96/92 in het geding was, is artikel 3, lid 1, ervan in dit opzicht identiek aan artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/72.
Arresten van 7 juni 2005, VEMW e.a. (C-17/03, EU:C:2005:362, punt 47), en 29 september 2016, Essent Belgium (C-492/14, EU:C:2016:732, punt 79).
Arrest van 28 november 2018, Solvay Chimica Italia e.a. (C-262/17, C-263/17 en C-273/17, EU:C:2018:961, punt 66).
Arrest van 29 september 2016, Essent Belgium (C-492/14, EU:C:2016:732, punt 81).
Zie ook overweging 46 van richtlijn 2009/72.
Arrest van 17 september 2020, Hidroelectrica (C-648/18, EU:C:2020:723, punt 36).
Arrest van 29 september 2016, Essent Belgium (C-492/14, EU:C:2016:732, punt 85).
Arrest van 22 mei 2008, citiworks (C-439/06, EU:C:2008:298, punt 55).
Arresten van 21 december 2011, ENEL (C-242/10, EU:C:2011:861, punt 38), en 29 september 2016, Essent Belgium (C-492/14, EU:C:2016:732, punt 87).
Arrest van 19 december 2019, Engie Cartagena (C-523/18, EU:C:2019:1129, punt 45).
Arrest van 21 december 2011, ENEL (C-242/10, EU:C:2011:861, punt 42).
Zie arresten van 21 december 2011, ENEL (C-242/10, EU:C:2011:861, punt 86), en 29 september 2016, Essent Belgium (C-492/14, EU:C:2016:732, punt 89).
Arrest van 21 december 2011, ENEL (C-242/10, EU:C:2011:861, punt 55).
Sterpu, V., ‘The 4M Market coupling is the day ahead electricity trading platform of the CEE region’, The analysis of 4M MC electricity market, Erasmus University Rotterdam, 2018, blz. 8, https://thesis.eur.nl/pub/44746/Sterpu-V.-447658-.pdf.
Naast dit eerste mechanisme, bestaande in de inschakeling met voorrang en de gewaarborgde toegang, was er een tweede mechanisme, dat mijns inziens hetzelfde doel nastreeft als het eerste, en dat bestond in een verplichting voor SC Complexul Energetic Hunedoara en SC Complexul Energetic Oltenia om aan Transelectrica ondersteunende diensten met een elektrisch vermogen van ten minste 1 000 MW te leveren.
Zoals hierboven vermeld, staat in overweging 60 van richtlijn 2009/28 dat gegarandeerde toegang ervoor zorgt ‘dat een maximale hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen van de op het net aangesloten installaties wordt gebruikt.’
Arrest van het Hof van 22 mei 2008, citiworks (C-439/06, EU:C:2008:298, punt 60).
Arrest van 23 oktober 1997, Commissie/Frankrijk (C-159/94, EU:C:1997:501, punt 101).