Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/7.5.2
7.5.2 Voorstellen voor grensoverschrijdende sfeerovergangen
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630397:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een regeling voor het in rekening brengen door ondernemingen van de verliezen van hun in andere lidstaten gevestigde vaste inrichtingen en dochterondernemingen, COM(90) 595 def. van 6 december 1990. OJ C/1991/53.
Art. 9 lid 1 COM(90)595.
Art. 9 lid 2 COM(90)595.
Mededeling van de Commissie, ‘Een interne markt zonder belemmeringen op het gebied van de vennootschapsbelasting – Verwezenlijkingen, lopende initiatieven en resterende uitdagingen’, Brussel, 24.11.2003, COM(2003)726 def., onderdeel 3.1:’De Commissie zal voorstellen dat – zolang de volledige consolidatie van de CCCTB nog niet is ingevoerd – groepsentiteiten de winsten en verliezen die zij in verschillende lidstaten genereren, moeten kunnen verrekenen. De interne markt zou hierdoor een aanzienlijke fiscale belemmering armer zijn; ondernemingen zouden tijdelijk in aanmerking komen voor grensoverschrijdende belastingaftrek van verliezen en dus belasting betalenover hun nettowinsten in de EU. Om te waarborgen dat de ene lidstaat niet voorgoed de last hoeft te dragen van de in de andere lidstaat geleden verliezen, zou er een inhaalmechanisme in werking treden zodra de groepsentiteit weer winstgevend is. De Commissie is van plan dit initiatief op te nemen als een van de fasen in haar herziene voorstel betreffende de CCCTB.’
Uit de jurisprudentie van het HvJ EU blijkt dat ‘uitputting van de mogelijkheden’ zich alleen kan voordoen in een situatie waarin de andere staat een juridische mogelijkheid tot verliesverrekening kent.
HvJ EU 19 juni 2019, C-607/17 (Memira Holding AB).
Voor de waardedalingen die al worden ondervangen door de liquidatieregeling ex artikel 13d Wet Vpb 1969 of de stakingsverliesregeling ex artikel 15e Wet Vpb 1969 hoeft er geen tegemoetkoming te komen. Het zal met name gaan om de sfeerovergang omdat de vestigingsplaats wordt verplaatst (punt 3 van de onder de ATAD vallende sfeerovergangen). Volgens de ATAD-richtlijn moet er een exitheffing plaatsvinden indien (1) een belastingplichtige vermogensbestanddelen van zijn hoofdhuis overbrengt naar een vaste inrichting in een andere staat, (2) een belastingplichtige vermogensbestanddelen van zijn vaste inrichting in Nederland overbrengt naar het hoofdhuis of een vaste inrichting in een andere staat, (3) een belastingplichtige zijn fiscale vestigingsplaats naar een andere staat overbrengt (de feitelijke leiding van een onderneming wordt bijvoorbeeld naar een andere staat verplaatst) of (4) een belastingplichtige het bedrijf van een vaste inrichting in Nederland naar een andere staat overbrengt (het gehele filiaal wordt bijvoorbeeld naar een andere staat verplaatst).
Zoals beschreven, dient de netto-voordeeltoerekening beperkt te worden tot de binnenlandse sfeerovergangen, omdat de grensoverschrijdende sfeerovergangen recent zijn geharmoniseerd en een alternatief systeem in internationale verhoudingen alleen werkt als hierover internationale afstemming bestaat.
Door implementatie van de ATAD-richtlijn wordt na een sfeerovergang binnen de Europese Unie opgekomen waardedaling volledig toegerekend aan het ontvangstland. Hoewel dit past bij het territorialiteitsbeginsel is er sprake van een nadeel voor de belastingplichtige als het verlies als gevolg van deze waardedaling in het ontvangstland niet kan worden verrekend. Deze problematiek is al eerder door de Europese Commissie aangekaart bij verliezen binnen concernverband. Op 16 december 1990 heeft de Europese Commissie voor het eerst een voorstel ingediend voor een richtlijn inzake verrekening van verliezen van buitenlandse vaste inrichtingen en buitenlandse dochtermaatschappijen bij binnenlandse vennootschappen.1 Voorgesteld werd dat de verliezen van buitenlandse dochtermaatschappijen in aanmerking konden worden genomen bij de belastbare winst van de moedermaatschappij over dezelfde periode, gevolgd door het opnemen van latere winsten van de buitenlandse dochtermaatschappij in de belastinggrondslag van de moedermaatschappij totdat de eerder afgetrokken verliezen zijn ingehaald.2 De verliezen en latere winsten moesten worden vastgesteld volgens de belastingregels van de dochterstaat.3 Het voorstel is uiteindelijk ingetrokken. In een mededeling uit 2003 gaf de Commissie echter wederom aan dat het ontbreken van een regeling inzake grensoverschrijdende verliesverrekening een grote belemmering vormt voor de ontplooiing van economische activiteiten in meer dan één lidstaat.4 Bij een sfeerovergang gaat het niet over de verliesverdeling binnen concern (moeder/dochter), maar het verlies van één juridische entiteit die moet worden toegerekend aan verschillende lidstaten. De problematiek kent echter wel grote gelijkenissen. Ook dan kan het zo zijn dat verliezen effectief niet in aftrek komen. Om de nadelige gevolgen bij een grensoverschrijdende sfeerovergang te verhelpen en recht te doen aan het draagkrachtbeginsel dient mijns inziens (voortbouwend op het voorstel van de Europese Commissie) bij een grensoverschrijdende sfeerovergang een tegemoetkoming te worden gegeven. Ik stel daarom voor dat als er een exitheffing heeft plaatsgevonden en het vermogensbestanddeel vervolgens blijvend in waarde is gedaald (anders dan door het gebruik in het ontvangstland (toerekening aan ontvangstland is de hoofdregel)) het verlies ‘altijd ergens’ in aftrek moet worden gebracht. Dat wil zeggen dat een definitief verlies effectief in aftrek moet komen. Volgens het HvJ EU is sprak van een definitief verlies als is voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden (i) de bestaande mogelijkheden van verliesverrekening in de andere staat zijn uitgeput voor het huidige jaar en de voorafgaande jaren,5 en (ii) er bestaat geen mogelijkheid dat het verlies in de toekomstige jaren in de andere staat wordt verrekend of economisch benut, eventueel door een derde.6 Hiervoor is het wel van belang dat er eerst internationale afstemming plaatsvindt, omdat anders het risico bestaat dat Nederland wel de tegemoetkoming geeft, maar dat ondernemingen waarbij sprake is van een sfeerovergang waardoor de belastingplicht in Nederland aanvangt geen gebruik kunnen maken van deze tegemoetkoming.7 Voor deze sfeerovergangen en de sfeerovergang van de belaste naar de onbelaste periode dient in de Invorderingswet 1990 te worden opgenomen:
Indien binnen 10 jaar na het einde van de belastingplicht een vermogensbestanddeel wordt vervreemd waarvan de waarde in het economische verkeer is gedaald in vergelijking met de waarde ten tijde van het belastbare feit ter zake waarvan de belastingaanslag is vastgesteld (de eindafrekening), wordt, krachtens bij ministeriële regeling te stellen regels, op verzoek een teruggaaf van inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting verleend die toerekenbaar is aan die waardedaling. De eerste volzin blijft buiten toepassing indien de waardedaling het gevolg is van het gebruik van het vermogensbestanddeel in de periode na het einde van de belastingplicht. Als de belastingplicht is geëindigd, omdat het lichaam of de ondernemer niet meer wordt aangemerkt als inwoner van Nederland, wordt alleen een teruggaaf verleend als de waardedaling kwalificeert als ‘definitief verlies’ waarvoor op geen andere wijze een tegemoetkoming in het ontvangstland wordt verleend.