Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.2.2.1
2.2.1 De girale betaling aan en door een derde
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948018:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/28.
Zie F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.1 en B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020, nr. 21.3.
Zie B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.1, onder verwijzing naar W.A.K. Rank, Geld, geldschuld en betaling (R&P nr. 94) 1996, p. 190; R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 202; F.H.J. Mijnssen, Verbintenissen tot betaling van een geldsom (Mon. BW nr. B39) 2017/24 en Asser/Sieburgh 6-II 2021/204. Zie voorts F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.1.
Zie R.E. van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 202-203; B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.1; W.A.K. Rank, Geld, geldschuld en betaling (R&P nr. 94) 1996, p. 193-194 en F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.1.
Zie R.E. van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 202-203 en B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.1.
Zie met name HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3137, NJ 2005/199 (ING/Gunning); HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1943, NJ 2005/200 (Mendel q.q./ABN Amro); HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0653, NJ 2006/503 (Huijzer q.q./Rabobank); HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0614, NJ 2012/421 (ING/Manning q.q.); HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689, NJ 2015/264 (JPR/Gunning q.q.) en HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189 (Curatoren Eurocommerce/Rabobank).
Zie R.E. van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 202. Naar deze definitie wordt ook verwezen door B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.1.
Zie voor deze beschrijving B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.2, mede onder verwijzing naar HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0614, NJ 2012/421 (ING/Manning q.q.). Zie voorts B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/27, onder verwijzing naar HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0653, NJ 2006/503 (Huijzer q.q./Rabobank) en HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0614, NJ 2012/421 (ING/Manning q.q.). Zie tevens F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.1, alsmede R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, hoofdstuk 8.
Zie B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/27, onder verwijzing naar HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0653, NJ 2006/503 (Huijzer q.q./Rabobank). Zie voorts F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.1.
Zie B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.1.
Zie B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/28, onder verwijzing naar R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 279; W.A.K. Rank, Geld, geldschuld en betaling (R&P nr. 94) 1996, p. 249-251 en 255-260, alsmede J.W.H. Blomkwist, ‘Het girale betalingsverkeer wederom bezien’, WPNR 2008/6756, p. 399-401.
Zie Faber, Verrekening (O&R nr. 33) 2005/4 en A.J. Verdaas in zijn noten onder JOR 2005/18, JOR 2005/110 en JOR 2005/136.
Zie B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/28.
Zie B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/28, onder verwijzing naar HR 10 januari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4313, NJ 1976/249 (Postcheque- en Girodienst/Curatoren Standaardfilms); HR 8 juli 1987, ECLI:NL:HR:AC0457, NJ 1988/104 (Loeffen q.q./Mees & Hope I); HR 7 oktober 1988, NJ 1989/449 (AMRO/Curatoren THB); HR 3 december 2004, NJ 2005/200 (Mendel q.q./ABN AMRO) en HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189 (Curatoren Eurocommerce/Rabobank). Zie voorts B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.4, onder verwijzing naar dezelfde jurisprudentie en F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.1, onder verwijzing naar HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3137, NJ 2005/199 (ING/Gunning).
Zie B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/28, onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689, NJ 2015/264 (JPR/Gunning q.q.). Zie voorts R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 208-211; F.H.J. Mijnssen, Verbintenissen tot betaling van een geldsom (Mon. BW nr. B39) 2017/27.2; B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.2, onder verwijzing naar HR 3 december 2004, NJ 2005/200 (Mendel q.q./ABN AMRO) en F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.4, eveneens onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689, NJ 2015/264 (JPR/Gunning q.q.).
Zie HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1943, NJ 2005/200 (Mendel q.q./ABN AMRO).
Van Esch wijst erop dat dit tijdstip niet altijd precies vast te stellen zal zijn, omdat banken tegenwoordig enorme hoeveelheden betalingsopdrachten te verwerken krijgen. Deze betalingsopdrachten worden ‘batchgewijs’ door de bank verwerkt. Wat betreft de creditering van de rekening van de schuldeiser zal meestal wel vastgesteld kunnen worden op welk tijdstip verwerking van de batch waarin de betreffende girale betaling is opgenomen, is aangevangen en beëindigd. Het is volgens Van Esch echter ondoenlijk om ten aanzien van een specifieke betaling uit deze batch precies vast te stellen wanneer de creditering van de rekening van de schuldeiser is voltooid. Zie R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 210-211.
Zie F.H.J. Mijnssen, Verbintenissen tot betaling van een geldsom (Mon. BW nr. B39) 2017/24; F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.1; R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 279; B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.4 en Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/212.
Zie R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 280. Zie tevens W.A.K. Rank, Geld, geldschuld en betaling (R&P nr. 94) 1996, p. 262, met verdere literatuurverwijzingen.
Zie R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 280-281.
Zie R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 281.
Zie B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.4, onder verwijzing naar W. Snijders, ‘Betaling per giro’, in: Van Opstall-bundel 1972, p. 175-176. Zie voorts F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14; R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 279-280; Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/212; Faber, Verrekening (O&R nr. 33) 2005/187, alsmede W.A.K. Rank, Geld, geldschuld en betaling (R&P nr. 94) 1996, p. 193-194. Zie tevens HR 3 december 2004, NJ 2005/200 (Mendel q.q./ABN AMRO) en HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189 (Curatoren Eurocommerce/Rabobank).
Zie B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.4 en F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.1.
Zie F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/3.1. Zie voorts B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.4; B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/28 en Faber, Verrekening (O&R nr. 33) 2005/185.
Zie B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.4.
597. In de vorige paragraaf is duidelijk geworden dat een betaalrekening een rekening-courant tussen bank en rekeninghouder is, die ertoe dient om de vorderingen en schulden af te wikkelen die door betalingstransacties tussen de bank en de rekeninghouder ontstaan. Daarbij vormen inkomende girale betalingen een belangrijke bron van vorderingen van de rekeninghouder op zijn bank, terwijl uitgaande girale betalingen een belangrijke bron zijn voor het ontstaan van schulden van de rekeninghouder aan de bank.1 De bron voor deze girale betalingen is gelegen in artikel 6:114 lid 1 BW.2 Dat artikel bepaalt dat wanneer in een land waar de betaling moet of mag geschieden ten name van de schuldeiser een rekening bestaat, bestemd voor girale betaling, de schuldenaar de verbintenis kan voldoen door het verschuldigde bedrag op die rekening te doen bijschrijven, tenzij de schuldeiser betaling op die rekening geldig heeft uitgesloten. Een girale betaling vindt plaats rechtstreeks tussen de debiteur en de crediteur en leidt tot het tenietgaan van de geldschuld. Een girale betaling is dus geen betaling door de betaaldienstverlener als derde aan de begunstigde in opdracht van de betaler. De betaaldienstverlener is ‘slechts’ de hulppersoon die een betaling door de betaler tot stand brengt.3
598. Over het exacte juridische karakter van de girale betaling zijn veel verschillende theorieën verdedigd.4 Over de belangrijkste elementen bestaat echter geen discussie meer,5 waarbij ook de Hoge Raad in een aantal (met name insolventie-)uitspraken het karakter van de girale betaling nader heeft gespecificeerd.6 Van Esch geeft een beschrijving van de girale betaling waarin de belangrijkste elementen zijn terug te vinden. Hij beschrijft de girale betaling als een samenstel van handelingen van de daarbij betrokken partijen dat er uiteindelijk toe leidt dat de betaalrekening van de begunstigde wordt gecrediteerd. De creditering van de rekening betreft een administratieve verwerking van de vordering die de schuldeiser op zijn bank verkrijgt als gevolg van de overmaking. Strekt de betaling tot delging van een geldschuld, en voldoet zij aan hetgeen schuldeiser en schuldenaar hieromtrent hebben afgesproken, dan heeft de voltooiing van de girale betaling het rechtsgevolg dat de schuldeiser is bevrijd.7 Een schuldenaar die middels een girale betaling een schuld aan zijn schuldeiser wil voldoen zal middels een betaalopdracht aan zijn bank de opdracht geven om het verschuldigde bedrag over te maken naar de betaalrekening van de crediteur. De bank zal controleren of de verstrekte gegevens juist zijn, en of het beschikbare saldo toereikend is en past binnen eventueel eerder overeengekomen limieten. Als dat het geval is, dan aanvaardt de bank de betaalopdracht. Daardoor ontstaat een verbintenis om overeenkomstig de opdracht een betalingstransactie ten laste van de bankrekening uit te voeren.8 Na aanvaarding van de betaalopdracht is de bank gerechtigd de betaalrekening te debiteren voor het betrokken bedrag.9 In de literatuur bestaat geen eenstemmige visie over het antwoord op de vraag of een dergelijke debitering tot verrekening leidt.10 Volgens de ene opvatting verkrijgt de bank door uitvoering van de betaalopdracht een vordering op de rekeninghouder ter grootte van het overgemaakte bedrag. De bank zal deze vordering boeken ten laste van de rekening-courant door welke boeking deze vordering wordt verrekend met de schuld die de bank aan de rekeninghouder heeft uit hoofde van het bestaande creditsaldo.11 In de andere opvatting wordt het ontstaan van een vordering van de bank op de rekeninghouder juist bestreden. In deze visie berekent de bank na het uitvoeren van de betalingsopdracht slechts welk bedrag de rekeninghouder nog van de bank te vorderen heeft. De uitvoering van de betalingsopdracht door de bank leidt ertoe dat de bank zijn schuld uit hoofde van het creditsaldo voldoet ten belope van het overgemaakte bedrag. De schuld gaat dus teniet door nakoming, niet door verrekening. De enige vordering die de bank bij het uitvoeren van de betalingsopdracht op de rekeninghouder verkrijgt, is de (eventuele) vordering ter hoogte van de kosten die met de uitvoering van deze opdracht zijn gemoeid.12 De Hoge Raad laat deze kwestie in het midden,13 en voor de reikwijdte van hetgeen in dit hoofdstuk wordt onderzocht is het niet nodig om uit een van beide opvattingen te kiezen.
599. Bekijkt men de girale betaling vanuit de positie van de schuldeiser wiens vordering middels een girale betaling wordt voldaan, dan is het vaste uitgangspunt van de Hoge Raad dat de bank door creditering van een bankrekening aan de rekeninghouder een vordering op zichzelf verschaft.14 Deze vordering wordt in rekening-courant geboekt. Artikel 6:114 lid 2 BW bepaalt dat bij een girale betaling de betaling geschiedt op het moment waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. Een girale betaling is daarmee voltooid op het moment dat het bedrag wordt gecrediteerd op de betaalrekening.15 In Mendel q.q./ABN AMRO overwoog de Hoge Raad dat in geval van voldoening van een schuld door overboeking van het verschuldigde bedrag op een bankrekening van de crediteur in het algemeen de betaling wordt geëffectueerd door en op het tijdstip van creditering van deze bankrekening. Op dit tijdstip verkrijgt de crediteur een vordering op de bank ter grootte van het overgeboekte bedrag, hetgeen leidt tot een verhoging van zijn creditsaldo, dan wel een afname van zijn debetsaldo met eenzelfde bedrag.16 Dit is vervolgens ook het moment waarop de schuldenaar bevrijdend aan de schuldeiser heeft betaald (zie artikel 6:114 lid 2 BW).17 Dat betekent dat de vordering van de schuldeiser op de schuldenaar op dat moment tenietgaat. Deze vordering wordt vervangen door een vordering van de schuldeiser op zijn bank.18 Daarbij wordt aangenomen dat de vordering van de schuldeiser op zijn bank ontstaat en opeisbaar is op het tijdstip dat de bank de voor de creditering benodigde dekking heeft ontvangen.19 Indien de betaler en de betalingsbegunstigde bij dezelfde bank een betaalrekening houden, ontstaat de vordering van de betalingsbegunstigde op de bank op het moment waarop de bank de betaalrekening van de betaler debiteert voor het bedrag van de betaalopdracht.20 Houden de betaler en de betalingsbegunstigde bij verschillende banken een bankrekening aan, dan ontstaat de vordering van de betalingsbegunstigde zodra de bank van de betalingsbegunstigde van de bank van de betaler in het kader van de verevening tussen hen beiden de dekking voor de bijschrijving heeft ontvangen. Doorgaans zal dat het geval zijn zodra de rekening van de bank van de betalingsbegunstigde bij de bank van de betaler is gecrediteerd met het bedrag van de overschrijving.21
600. Zet men dit alles op een rij, dan luidt de conclusie dat door een girale betaling van een vordering tot betaling van een geldsom de vordering die de schuldeiser op zijn schuldenaar had tenietgaat, en wordt vervangen door een vordering van de schuldeiser op zijn bank. Dit betreft (dus) een nieuwe vordering.22 In dat opzicht wijkt de bankrekening-courant af van de ‘gewone’ rekening-courant.23 Bij de gewone rekening-courant geldt als uitgangspunt dat vorderingen die daarin worden opgenomen niet veranderen. Dit heeft tot gevolg dat aan deze vorderingen verbonden nevenrechten, zoals zekerheidsrechten, blijven bestaan zolang de vordering het saldo doorleeft.24 Bij de bankrekening-courant is dit identiteitsbehoud van de vorderingen die in rekening-courant worden opgenomen minder relevant; de vorderingen en schulden die door girale betaling ontstaan zijn immers nieuwe vorderingen, die nog niet eerder bestonden.25 Dit neemt echter niet weg dat óók de in bankrekening-courant geboekte vorderingen als afzonderlijke vorderingen blijven bestaan zolang zij niet door verrekening teniet zijn gegaan. In paragraaf 2.3 zal daar nog op terug worden gekomen.