Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.2.3:15.2.3 Recht op toegang tot een advocaat
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.2.3
15.2.3 Recht op toegang tot een advocaat
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS452177:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na de Salduz-jurisprudentie van het EHRM en vervolgens voor Nederland de Hoge Raad, was het lang wachten op de totstandkoming van richtlijn 2013/48/EU, in strafrechtelijke kringen regelmatig aangeduid als ‘de Salduz-richtlijn’. Na een moeizaam onderhandelingsproces, niet in de laatste plaats door de inbreng van Nederlandse zijde, is de richtlijn uiteindelijk op 22 oktober 2013 tot stand gekomen. In artikel 3 is het centrale recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure opgenomen. In het tweede lid wordt een aantal momenten opgesomd vanaf welke de verdachte in elk geval toegang heeft tot een advocaat. Dat zijn (kort weergegeven) het verhoor, het verrichten van onderzoekshandelingen, de vrijheidsbeneming voorafgaand aan de verschijning in foro. In het derde lid wordt benoemd wat het recht op toegang tot de advocaat inhoudt, te weten consultatiebijstand, verhoorbijstand (aanwezigheid én deelname van de raadsman aan het verhoor) en bijstand tijdens onderzoekshandelingen.
Het bereik van de richtlijn wordt op verschillende wijzen ingeperkt. In elk geval wordt het recht op toegang tot een advocaat in artikel 1, vierde lid, beperkt tot procedures voor een in strafzaken bevoegde rechtbank wanneer het gaat om lichte feiten waarvoor door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank een sanctie kan worden opgelegd dan wel waarvoor geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd. Ook worden in artikel 3, derde lid, aanhef en onder c., de ‘advocaatplichtige’ onderzoekshandelingen beperkt tot al dan niet meervoudige confrontaties en reconstructies van de plaats delict. In het vijfde en zesde lid worden uitzonderingsgronden geformuleerd. In het vijfde lid gaat het om afwijking van het recht op toegang tot een advocaat zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming indien de geografische afstand waarborging van dat recht onmogelijk maakt. In het zesde lid gaat het om meer algemene, maar tijdelijke en tot het voorbereidende onderzoek beperkte afwijkingen van de in het derde lid vastgestelde rechten vanwege dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen of indien onmiddellijk optreden door de onderzoeksautoriteiten noodzakelijk is om te voorkomen dat de strafprocedure substantiële schade wordt toegebracht. Met name deze laatste grond laat ruimte voor interpretatie en bergt de mogelijkheid in zich dat de autoriteiten het recht op toegang tot een advocaat inperken omdat wordt gevreesd dat die toegang ertoe zal leiden dat de verdachte zich op het zwijgrecht beroept. Het dient echter te gaan om uitzonderlijke omstandigheden en naar mag worden aangenomen, zal een beroep op standaardnormale onderzoeksbelangen als het al dan niet zwijgen door de verdachte niet kunnen worden gehonoreerd. Bovendien worden in artikel 8 nadere algemene voorwaarden, zowel van inhoudelijke als procedurele aard, geformuleerd waaraan tijdelijke afwijkingen op grond van artikel 3, vijfde of zesde lid, moeten voldoen.
Naast het recht op toegang tot een advocaat, regelt de richtlijn in artikel 5 en 6 ook het recht om bijvoorbeeld een familielid of een werkgever op de hoogte te stellen in geval van de vrijheidsbeneming of gedurende de vrijheidsbeneming met een derde te communiceren. In geval van vrijheidsbeneming van een kind dient degene die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt dan wel, indien dat in strijd zou zijn met het belang van het kind, een andere in aanmerking komende volwassene op de hoogte te worden gebracht. Ook van deze rechten is onder bijzondere omstandigheden afwijking mogelijk, maar ook deze afwijkingen worden in artikel 8 strikt genormeerd.
In geval van vrijheidsbeneming van een persoon die geen onderdaan is van de desbetreffende lidstaat, wordt in artikel 7 het recht op communicatie met consulaire autoriteiten geregeld.
In artikel 9 ten slotte worden eisen geformuleerd waar de mogelijkheid van afstand van het recht op toegang tot een advocaat aan moet voldoen. Kort gezegd moet sprake zijn van ‘informed consent’ en is die afstand herroepbaar.
De richtlijn dient uiterlijk op 27 november 2016 te zijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. In Nederland geschiedt dit door het wetsvoorstel tot Implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294)1 dat samenhangt met het wetsvoorstel tot Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen.2 Implementatie geschiedt door wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafvordering, voornamelijk van, de tweede titel van het eerste boek en, voor wat betreft de toegang tot een advocaat in overleveringsprocedures, en van de Overleveringswet.
Implementatie van deze richtlijn in de rechtsstelsels van de lidstaten zorgt voor een belangrijke verbetering van de rechtspositie van de verdachte. Dat is in het algemeen al toe te juichen, en juist voor verdachten in strafzaken met een internationale component heeft de gegarandeerde toegang tot een raadsman bijzondere meerwaarde. In veel gevallen zal de betrokken burger bijvoorbeeld zijn aangehouden in of overgebracht naar een voor hem qua rechtsstelsel vreemd land. Waar de verdachte burger in het algemeen op achterstand staat ten opzichte van het politiële en justitiële apparaat, daar is die achterstand in het buitenland des te groter. Er is mogelijk sprake van een taalbarrière, de verdachte komt in aanraking met een voor hem onbekende instantie en heeft bijvoorbeeld ook niet de financiële middelen paraat om zelf in rechtsbijstand te voorzien. Gegarandeerde toegang tot een raadsman ondervangt dit. Belangrijk is daarbij dat daaraan uiteindelijk ook het recht op financiering van rechtsbijstand wordt gekoppeld. Dat laatste is ook onderdeel van de Routekaart, maar nog moet worden neergelegd in regelgeving. Het behoeft nauwelijks betoog dat gegarandeerde toegang tot een raadsman de kans vergroot dat de procedure in de lidstaten eerlijker verloopt ook voor- of nadat tussen lidstaten is samengewerkt. Dat komt het onderling vertrouwen tussen die lidstaten zonder twijfel ten goede.