Een korte beschrijving van [A] is (onder meer) ook opgenomen in par. 2.1 tot en met par. 2.3 van de motivering van het hoger beroep van de Staat.
HR, 29-01-2016, nr. 14/06530
ECLI:NL:HR:2016:144
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-01-2016
- Zaaknummer
14/06530
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:144, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑01‑2016; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑02‑2015
- Vindplaatsen
BNB 2016/73 met annotatie van J.A. MONSMA
Belastingblad 2016/120 met annotatie van J.P. Kruimel
NTFR 2016/614 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
FutD 2016-0275
Viditax (FutD) 2016012909
Uitspraak 29‑01‑2016
Inhoudsindicatie
Art. 17, lid 3, Wet WOZ. Gecorrigeerde vervangingswaarde [A]. Vervangingswaarde grond bepalen exclusief aanlegkosten. Excessieve gebruikskosten i.v.m. onrendabele grootte.
Partij(en)
29 januari 2016
nr. 14/06530
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staat der Nederlanden te Den Haag (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 november 2014, nrs. BK‑13/00368 en BK-13/00369, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 11/4661 en ROT 10/4786) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2008 alsmede de voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een grootschalige opslaglocatie voor verontreinigde baggerspecie op [Q], genaamd [A]. Dit complex bestaat uit onder meer een gebaggerde put met ringdijken (hierna: het waterbekken), wegen, talud en sedimentbekkens, een pompinstallatie en pijpleidingen, alsmede een kantoorgebouw.
2.1.2.
Het complex is in zee en in/op de zeebodem aangelegd aan de zuidwestkust van [Q]. Voor het grootste deel is het baggerslibdepot een diepe omdijkte put waarin zwaar verontreinigd slib wordt geborgen.
2.1.3.
De bergingscapaciteit van [A] is 150 miljoen m3 baggerspecie. Ten tijde van de openstelling in 1987 was de verwachting dat het depot omstreeks 2002 vol zou zijn. Thans is de verwachting dat dit pas in 2045 het geval zal zijn.
2.1.4.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van het complex voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) voor het jaar 2008, naar de toestand op 1 januari 2008 en naar de waardepeildatum 1 januari 2007, vastgesteld op € 88.582.000.
2.2.1.
Voor het Hof was de in 2.1.4 bedoelde waarde in geschil. Daarbij was niet in geschil dat deze waarde op de voet van artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ moet worden bepaald naar de gecorrigeerde vervangingswaarde.
In geschil is met name welke waarde aan de grond dient te worden toegekend en of een aftrek voor functionele veroudering wegens excessieve gebruikskosten in aanmerking dient te worden genomen en, zo ja, hoe hoog deze dient te zijn.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de ondergrond van het waterbekken op de waardepeildatum niet is aan te merken als zeebodem, doch als grond die bestemd en geschikt is voor de opslag van (sterk) vervuild rivier- en havenslib. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de door hem in aanmerking genomen waarde van € 16,50 per m2 niet te hoog is.
Daartegenover heeft belanghebbende naar ’s Hofs oordeel terecht gesteld dat sprake is van een dubbeltelling voor zover in die waarde zijn verdisconteerd de aanlegkosten van [A] als onderdeel van de vervangingswaarde van de infrastructuur. Het Hof schat die kosten op € 16 per m2. Het Hof brengt deze aanlegkosten, in totaal € 39.507.936, in mindering op de (ongecorrigeerde) vervangingswaarde van de infrastructuur ten bedrage van € 79.877.763. Op het dan resterende bedrag van € 40.369.827 past het Hof vervolgens correcties wegens technische en functionele veroudering toe.
2.2.3.
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat sprake is van een correctie voor excessieve gebruikskosten als onderdeel van de afschrijving wegens functionele veroudering, welke overeenkomstig het oordeel van de Rechtbank € 5.403.000 bedraagt. Het Hof overweegt daartoe dat de Rechtbank met het volgen van de door de heffingsambtenaar voorgestane methodiek op goede gronden juist heeft geoordeeld.
2.3.1.
De eerste klacht komt op tegen de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof.
Deze klacht slaagt voor zover zij betoogt dat het Hof daarbij is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de ondergrond van het waterbekken moet worden uitgegaan van de investering die nodig is om een identieke vervangende zaak, in dit geval de zeebodem, te verwerven. Daarbij dient geen rekening te worden gehouden met de investeringen die vervolgens na de verwerving zijn gedaan teneinde op die zeebodem de infrastructuur voor het aan te leggen waterbekken te vervaardigen. Die aanlegkosten dienen te worden gerekend tot de (ongecorrigeerde) vervangingswaarde van de infrastructuur, waarop – anders dan voor grond geldt – afschrijvingen wegens technische en functionele veroudering kunnen plaatsvinden.
Het Hof heeft derhalve weliswaar terecht aangenomen dat in de opstelling van de heffingsambtenaar een dubbeltelling was begrepen, maar ter correctie daarvan had het Hof de aanlegkosten van het waterbekken niet moeten toerekenen aan de vervangingswaarde van de grond, maar aan de vervangingswaarde van de infrastructuur.
2.3.2.
Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.1 is overwogen dient de waarde van de zeebodem opnieuw te worden vastgesteld.
De klachten over de door het Hof in aanmerking genomen waarde van € 16,50 per m2 inclusief de aanlegkosten van het waterbekken, behoeven geen behandeling.
2.4.1.
De klacht over het hiervoor in onderdeel 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof faalt voor zover deze het Hof verwijt dat het van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat van excessieve gebruikskosten sprake is als de gebruikskosten van een onroerende zaak in betekenende mate uitgaan boven de gebruikskosten van vergelijkbare objecten met dezelfde aard en bestemming.
2.4.2.
De klacht slaagt echter voor zover zij opkomt tegen de motivering van ’s Hofs oordeel aangaande de omvang van die excessieve gebruikskosten. Het Hof heeft zich op dat punt verenigd met het oordeel van de Rechtbank. Bij dit oordeel is de Rechtbank onder meer ervan uitgegaan dat de excessieve gebruikskosten zijn te schatten op 10 percent van de door de heffingsambtenaar berekende exploitatiekosten. In de in hoger beroep ingediende stukken heeft belanghebbende de hoogte van de aldus in aanmerking genomen exploitatiekosten en de daarop gebaseerde berekening van de heffingsambtenaar gemotiveerd bestreden. Door zonder nadere motivering aan te sluiten bij het door de Rechtbank gegeven oordeel heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in de aan zijn beslissing ten grondslag liggende gedachtegang, zodat dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd.
2.5.
Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.1 en 2.4.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent de voorlopige aanslag,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 493, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1984 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.
Beroepschrift 16‑02‑2015
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN.
Kenmerk: 14/06530
Datum: 16 februari 2015
Staat der Nederlanden (het Rijksvastgoedbedrijf)/College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam
Motivering van het beroep in cassatie van de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat of belanghebbende), ingediend bij pro forma beroepschrift in cassatie van 30 december 2014 tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) van 19 november 2014 (BK-13/00368 en BK-13/00369).
Middel van cassatie
De Staat voert tegen de onderhavige uitspraak van het Hof het navolgende middel van cassatie aan, houdende schending van het recht, in het bijzonder van artikel 18 lid 1 en artikel 17 lid 3 van de Wet waardering onroerende zaken en artikel 4 lid 2 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, dan wel artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld als vermeld in rov. 7.6.2 tot en met 7.6.4, rov. 7.7.1 tot en met 7.7.3, rov. 7.8 en 7.9, zulks ten onrechte, althans op gronden die die oordelen niet kunnen dragen, op grond van de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
1. Inleiding
1.1
De onderhavige zaak betreft de WOZ-waardering (op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde) van het object gelegen aan de [A-STRAAT], [Q] (hierna: [A]) per waardepeildatum 1 januari 2007 (toestandsdatum 1 januari 2008) voor belastingjaar 2008.
1.2
[A] is een grootschalige opslaglocatie voor verontreinigde baggerspecie en bestaat voor het grootste deel uit een in de zeebodem gebaggerde put, ringdijken, een pompinstallatie en pijpleidingen, en een kantoorgebouw.1. [A] is in de loop van de jaren 80 van de vorige eeuw door het Havenbedrijf Rotterdam en Rijkswaterstaat (directie Zuid-Holland) opgericht. Het kantoorgebouw is in 2005/2006 gerealiseerd.
1.3
[A] is in zee en in/op de zeebodem aangelegd ten zuidwesten van [Q].2.Voor het grootste deel is het baggerslibdepot niets anders dan een (40–45 meter) diepe omdijkte put waarin zwaar verontreinigd slib wordt geborgen, ‘afgedekt’ door een laag water. Het principe van de aanleg is eenvoudig (zand van de zeebodem uitbaggeren om daarmee een put en omdijking te maken) en de locatie is veilig (ver weg van menselijke bewoning en het zwaar verontreinigde slib wordt afgesloten door een natuurlijke zeekleilaag in/op de zeebodem). De bergingscapaciteit van [A] bedraagt circa 150 miljoen m3 baggerspecie. Ten tijde van de openstelling in 1987 was de verwachting dat er per jaar circa 10 miljoen m3 slib zou worden gestort en dat het depot uiteindelijk omstreeks 2002 vol zou zijn. Door diverse veranderingen in de wet- en regelgeving waardoor definitief storten van verontreinigd slib in een baggerslibdepot minder vaak nodig was en als gevolg van kwaliteitsveranderingen (verbeteringen) van het slib en veranderde baggertechnieken, bleek begin jaren negentig dat het jaarlijkse aanbod veel minder was dan de verwachte 10 miljoen m3 per jaar. De aanvoer in 2008 bedroeg circa 911.000 m3, derhalve 10 keer minder dan oorspronkelijk gepland. Thans verwacht men dat het depot pas (op zijn vroegst) in 2045 vol zal zijn, als het al ooit volledig zal worden gevuld. Na de bergingsperiode zal er sprake zijn van een zogenoemde ‘rijpingsperiode’ van 20 à 25 jaar. Na deze periode kan het depot worden afgedekt en zou het mogelijk geschikt kunnen worden gemaakt voor een beperkt alternatief gebruik; de mogelijkheden zijn beperkt nu immers ook na afdekking sprake is van een zwaar verontreinigde bodem met onvoldoende draagkracht voor bebouwing.3.
1.4
[A] is derhalve zowel qua ligging als qua grootte een uniek object in Nederland. [A] wordt door
- (i)
de Staat, Rijkswaterstaat, en
- (ii)
het Havenbedrijf geëxploiteerd binnen het samenwerkingsverband ‘Beheerorganisatie [A]’.
De Beheerorganisatie bezit geen rechtspersoonlijkheid. Het Havenbedrijf is penvoerder van de Beheerorganisatie.
1.5
De waarde van [A] was in de voorlopige aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2008 aanvankelijk bepaald op € 192.539.000. Na bezwaar hiertegen is deze aanslag door de heffingsambtenaar verminderd en gebaseerd op een waarde € 88.582.966. In de WOZ-beschikking van 31 december 2010 is de waarde voor het belastingjaar 2008 (met peildatum 1 januari 2007) vervolgens vastgesteld op € 88.582.000. In beroep heeft de Rechtbank Rotterdam (hierna: de Rechtbank), na advies van de Stichting advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) van 16 april 2012, de waarde van [A] in goede justitie (en dus zonder herleidbare berekening) vastgesteld op € 54.000.000.4. De Rechtbank is daarbij (in navolging van het advies van de StAB) uitgegaan van een grondwaarde van € 0,25 per m2 voor het waterbekken (de put en de ringdijken). Met betrekking tot de correctie voor excessieve gebruikskosten heeft de Rechtbank het standpunt van de gemeente Rotterdam gevolgd (een factor van 13%).
1.6
De Staat heeft tegen deze uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep-was met name gericht tegen het oordeel van de Rechtbank over de correctie voor excessieve gebruikskosten. Ook is (onder meer) aangevoerd dat de door de Rechtbank vastgestelde waarde niet aansluit bij de door de Rechtbank vastgestelde uitgangspunten (kort gezegd zouden die uitgangspunten leiden tot een waarde van circa € 46.000.000) en is benadrukt dat partijen gebaat zijn bij een uitspraak over de WOZ-waarde van [A] op basis van heldere uitgangspunten die ook voor andere belastingjaren tot uitgangspunt kan dienen. De Staat heeft geconcludeerd tot een vermindering van de WOZ-waarde van [A] voor het belastingjaar 2008 naar een waarde van primair ten hoogste € 14.547.000 en subsidiair ten hoogste € 32.770.000. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld; dit beroep was met name gericht tegen het oordeel van de Rechtbank over de grondwaarde van [A] Het Hof heeft het hoger beroep van de Staat ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar gegrond verklaard en de (gecorrigeerde vervangings-)waarde van [A] voor het belastingjaar 2008 (waardepeildatum 1 januari 2007) vastgesteld op € 65.586.117.
2. Klachten en toelichting
Oordelen Hof over grondwaarde waterbekken
2.1
Het Hof is er — evenals partijen — van uitgegaan dat de waarde van [A] op de voet van artikel 17 lid 3 Wet WOZ dient te worden bepaald op de vervangingswaarde (zie rov. 7.2). Met betrekking tot de vraag voor welke waarde de tot [A] behorende grond bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde in aanmerking dient te worden genomen, overweegt het Hof in rov. 7.6.2 dat hij het door de heffingsambtenaar gekozen uitgangspunt (betreffende het waterbekken5.) juist acht. Dienaangaande overweegt het Hof vervolgens:
‘Ingevolge artikel 18, lid 1, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak op waardepeildatum heeft naar de staat waarin de zaak op die dag verkeert. Dit betekent dat bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van het complex de in dat verband aan de grond toe te kennen waarde gesteld dient te worden op de prijs waarvoor de eigenaar van het complex de grond op waardepeildatum zou kunnen verwerven in de staat waarin de grond zich op die dag bevindt. De ondergrond van het waterbekken is op de waardepeildatum niet aan te merken als zeebodem, doch als grond die bestemd en geschikt is voor de opslag van (sterk) vervuilde rivieren havenslib. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met de door hem overgelegde marktgegevens, te weten de prijzen die zijn gerealiseerd bij de verkoop van min of meer vergelijkbare objecten, met name het slibdepot [B] aannemelijk gemaakt dat de door hem in aanmerking genomen waarde van € 16,50 per m2 niet te hoog is.’
2.2
In rov. 7.6.3 oordeelt het Hof vervolgens dat de Staat terecht heeft gesteld dat met het in aanmerking nemen van enerzijds een grondwaarde van € 16,50 per m2 en van anderzijds de kosten die zijn gemaakt voor de aanleg van [A] als onderdeel van de vervangingswaarde van de infrastructuur in zoverre sprake is van een dubbeltelling. Het Hof overweegt vervolgens:
‘De kosten van de aanleg van [A], waarbij zee is omgezet in land (ringdijk) en stortput, zijn verdisconteerd in de door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen grondwaarde op de waardepeildatum van € 16,50. Nu partijen geen concreet bedrag van de kosten van de aanleg van [A] hebben genoemd, schat het Hof deze kosten met inachtneming van al hetgeen in geding is gebracht met betrekking tot de door belanghebbende gepleegde investeringen, op € 16 per m2.’
2.3
Dit brengt het Hof (in rov. 7.6.4) tot de conclusie dat de waarde van de grond te bepalen is op 2.469.246 × € 16,50 = € 40.742.559 (voor het waterbekken) te vermeerderen met 237.888 × € 23 = € 5.471.424 (voor de overige gronden6.), in totaal derhalve op € 46.213.983.
2.4
Het Hof brengt op de ongecorrigeerde vervangingswaarde van de infrastructuur (van € 79.877.763) een bedrag van € 39.507.936 (= 2.469.246 m2 × € 16) in mindering (zie rov. 7.7.1). Uitgaande van een ongecorrigeerde vervangingswaarde van de infrastructuur van € 40.369.827 past het Hof de correctie voor de technische veroudering van de infrastructuur van factor 0,95 toe. Over deze factor bestaat tussen partijen geen geschil. Dat geldt ook voor de correctie voor de functionele veroudering van de infrastructuur van 0,551, indien geen rekening wordt gehouden met het element excessieve gebruikskosten.
Klachten grondwaarde waterbekken
2.5
De hiervoor weergegeven oordelen van het Hof (in rov. 7.6.2 tot en met 7.6.4 en 7.7.1) die, samengevat, inhouden dat voor de ondergrond van het waterbekken van [A] uitgegaan moet worden van een waarde van € 16,50 per m2, terwijl — om dubbeltelling te voorkomen — de kosten van de aanleg van [A] (stortput met ringdijk) ter grootte van € 16 per m2 in mindering moeten worden gebracht op de ongecorrigeerde vervangingswaarde van de infrastructuur, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn niet naar behoren gemotiveerd.
Onjuiste wijze van vaststelling gecorrigeerde vervangingswaarde
2.6
Het Hof heeft (in rov. 7.6.2) geoordeeld dat de aan de grond toe te kennen waarde gesteld dient te worden op de prijs waarvoor de eigenaar van het complex de grond op waardepeildatum zou kunnen verwerven ‘in de staat waarin de grond zich op die dag bevindt’ en daaraan ten onrechte de conclusie verbonden in het onderhavige geval dat de ondergrond van het waterbekken op de waardepeildatum niet is aan te merken als zeebodem, doch als grond die bestemd is voor de opslag van (sterk) vervuilde rivieren havenslib waaraan een waarde van € 16,50 per m2 kan worden toegekend. Het Hof heeft in het onderhavige geval de gecorrigeerde vervangingswaarde, die bestaat uit de vervangingswaarde van de grond en de opstal (art. 4 lid 2 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken), op een onjuiste wijze bepaald.
2.7
Het Hof heeft miskend dat de fysieke toestand van [A] (in het bijzonder van het waterbekken) op de waardepeildatum bestaat uit de ondergrond van het waterbekken en de op en in die grond gedane investeringen die hebben geleid tot de infrastructuur/opstal (de stortput met ringdijken). Op de waardepeildatum is de ondergrond van het waterbekken wél aan te merken als zeebodem, althans als bodem met een waarde die gelijk is aan de waarde van de zeebodem (zie onder meer: par. 1.1.4 van het antwoord van de Staat op het incidenteel appel). De op en in de zeebodem gedane investeringen hebben immers geleid tot het ontstaan van het baggerslibdepot, dat als infrastructuur/opstal moet worden aangemerkt en als zodanig (na correcties voor technische en functionele veroudering) in de gecorrigeerde vervangingswaarde betrokken wordt. Bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde dient te worden uitgegaan van de investeringen die nodig zijn om een identieke vervangende zaak tot stand te brengen (vergelijk HR 5 juni 1996, BNB 1996/250). Deze fictieve herbouw van [A] wederom plaatsvinden op de zeebodem (zie onder meer: par. 1.1.5 van de het antwoord van de Staat op het incidenteel appel). Het Hof is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.
Ook de StAB heeft aangegeven dat voor de gecorrigeerde vervangingswaarde in eerste instantie wordt gekeken naar de aanvangssituatie en dat het daarom logisch is om ook de oorspronkelijke toestand ter plaatse — en dus de waarde van de zeebodem — in de waardering een rol te laten spelen (zie p. 21 het verslag van de StAB).
Zie ook rov. 6.1 van de uitspraak van de Rechtbank.
2.8
Bij de waardering van de grond van het waterbekken heeft de Staat daarom ter onderbouwing van de grondwaarde van € 0,25 per m2 terecht aangesloten bij transacties van zeebodem in het kader van de aanleg van […] en een vestiging van erfpacht met betrekking tot grond en water in [R] (zie de conclusie van dupliek in het incidenteel appel, par. 1.4 en 1.5).
De StAB (en in navolging daarvan de Rechtbank) heeft aangegeven dat een grondwaarde van € 0,25 per m2 het best aansluit bij de grond van het waterbekken, mede gezien de transactie van zeebodem ten behoeve van […] (zie p. 22 en 23 van het verslag van de StAB).
Door bij de grondwaarde van het waterbekken de grondwaarde van de overige gronden (wegen, talud en sedimentatiebekkens) en de stichtingskosten van [A] op te tellen, op welke stichtingskosten (eerst) correcties voor technische en functionele veroudering zijn toegepast, wordt gekomen tot het offer dat op de toestandsdatum nodig is om het object in dezelfde staat te vervaardigen en daarmee tot de gecorrigeerde vervangingswaarde van [A]. Het Hof is aan het vorenstaande ten onrechte voorbij gegaan.
2.9
Weliswaar heeft het Hof (terecht) onderkend dat met het in aanmerking nemen van enerzijds een grondwaarde van € 16,50 per m2 en anderzijds de kosten die de Staat heeft gemaakt voor de aanleg van [A] (de stortput met ringdijk) als onderdeel van de vervangingswaarde van de infrastructuur, sprake is van een dubbeltelling omdat de kosten van de aanleg van [A], waarbij zee is omgezet in land (ringdijk) en stortput, zijn verdisconteerd in de door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen grondwaarde van € 16,50 (zie rov. 7.6.3). Uit de wijze waarop het Hof deze dubbeltelling corrigeert, door € 16 per m2 in mindering te brengen op de door de Staat gepleegde investeringen, blijkt echter dat het Hof heeft miskend dat bij de bepaling van de waarde van de grond aanlegkosten niet mogen worden meegenomen en deze tot uitdrukking dienen te komen in de vervangingswaarde van de infrastuctuur/opstal waarop vervolgens nog correcties mogelijk zijn (zie par. 1.1.3 en 1.1.9 van het antwoord op het incidenteel appel).7.
2.10
De wijze waarop het Hof de gecorrigeerde vervangingswaarde heeft vastgesteld, leidt kortom niet tot de waarde die [A] in economische zin voor de eigenaar zelf, de Staat, heeft. In ieder geval heeft het Hof onvoldoende gemotiveerd waarom de ondergrond van het waterbekken op de waardepeildatum niet als zeebodem kan worden aangemerkt.
2.11
Indien er niettemin van uit moet worden gegaan dat de ondergrond van het waterbekken niet als zeebodem, althans als bodem met een waarde die gelijk is aan de waarde van de zeebodem kan worden aangemerkt, geldt dat het Hof de correctie van € 16 per m2 ten onrechte heeft toegepast op de vervangingswaarde van de infrastructuur en niet op de grondwaarde. De Staat heeft in hoger beroep — subsidiair — aangevoerd dat indien de aan de taxatiewijzers en transacties ontleende grondprijzen toch het startpunt van de onderhavige waardering zouden moeten zijn, ontdubbeling moet plaatsvinden door een anders dan op zeebodem bepaalde grondwaarde te verminderen met de kosten voor het creëren van de stortput (zie par. 1.1.14 van het antwoord op het incidenteel appel).
2.12
De door het Hof gevolgde methode, waarbij de (ongecorrigeerde) vervangingswaarde van de infrastructuur wordt verminderd met de kosten van aanleg van de stortput (met ringdijk), leidt ertoe dat over de kosten van de aanleg van de stortput (met ringdijk) geen correcties voor technische en functionele veroudering plaatsvinden. Ook leidt de methode van het Hof ertoe dat bij een volledige technische en functionele afschrijving en een volledig gevulde [A] (naar verwachting in 2045) altijd nog een grondwaarde van € 46.213.983 zal resteren waarover nog onroerendezaakbelasting kan worden geheven, terwijl [A] dan niet meer wordt gebruikt terwijl er nog wel de nodige kosten van nazorg door de Staat zullen moeten worden voldaan en [A] voor andere doeleinden niet geschikt zal zijn vanwege de vervuilde en instabiele grond, althans niet eerder dan na een rijpingsperiode van 20 à 25 jaar na de beëindiging van het storten en de nodige investeringen. De door het Hof gehanteerde wijze van waardering leidt kortom tot een hogere waarde dan dat [A] in economische zin voor de eigenaar zelf heeft en derhalve tot een te hoge gecorrigeerde vervangingswaarde. In ieder geval heeft het Hof onvoldoende gemotiveerd waarom de correctie van € 16 per m2 in mindering moet worden gebracht op de (ongecorrigeerde) vervangingswaarde van de infrastructuur.
Aannemelijkheid waarde van € 16,50 per m2 is onbegrijpelijk
2.13
Gelet op al hetgeen de Staat omtrent de hoogte van de grondwaarde heeft aangevoerd, is het onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van € 16,50 niet te hoog is en dat het Hof daarbij wijst op de prijzen van min of meer vergelijkbare objecten, met name het slibdepot [B].
2.14
In (onder meer) par. 5.2.3 en 5.2.4 van de reactie op het verweerschrift van de heffingsambtenaar voor de Rechtbank is door de Staat uitvoerig uiteengezet dat de door de heffingsambtenaar genoemde vergelijkingsobjecten (waaronder [B]) onvergelijkbaar zijn met [A]:
‘Bij de door de heffingsambtenaar genoemde transacties gaat het (i) om bouwrijp of uitgeefbaar land, terwijl bij [A] slechts sprake was van zeebodem. Ook overigens zijn de transacties niet met [A] te vergelijken.
De transactie tussen de Staat en [D] B.V. is niet vergelijkbaar omdat — los van het feit dat het (ii) om een geheel andere locatie gaat in een ander deel van Rotterdam — (iii) de verontreinigde grond te saneren was en ook daadwerkelijk is/wordt gesaneerd. Bovendien (iv) rust op het in de transactie betrokken object een andere formele bestemming en wordt er (v) een ander feitelijk gebruik van gemaakt, namelijk commercieel bedrijfsterrein. Bij [A] is juist geen sprake van sanering omdat het bestemmingstechnisch en feitelijk om een locatie voor de definitieve berging van zwaar verontreinigd slib gaat.
Het feit dat het bij [A] om definitieve berging van zwaar verontreinigd slib gaat, geeft ook het verschil met de grond waarop de transactie tussen het Havenbedrijf en [E] CV betrekking heeft. Bij die transactie gaat het om gronden voor onder meer tijdelijke berging van verontreinigde stoffen.
(…)
In zoverre ten overvloede merkt de Staat nog op dat [B] (i) als stortlocatie — in tegenstelling tot [A] die op de zeebodem is aangelegd — is aangelegd op een reeds bestaande landtong.
Verder is [B] (ii) van veel kleinere omvang dan [A] en (iii) slechts is aangelegd en gebruikt als tijdelijke stortlocatie. Al het gestorte slib is uiteindelijk verwijderd en in [A] gestort. De gronden van [B] zijn (iv) daarna voor andere doeleinden aangewend. De gronden van [B] zijn (v) uiteindelijk verkocht, waarbij partijen overeenkomstig de realiteit zijn uitgegaan van schone bouwrijpe grond voor commerciële doeleinden. Daarvan is bij [A] geen sprake (o.a. vervuild, niet-bouwrijp want water, niet-commerciële bestemming/gebruik). [A] is en blijft een stortlocatie voor de definitieve eindberging van slib.’
Zie ook:
- —
par. 1.1.7 van het antwoord op het incidenteel appel;
- —
p. 22 en 23 van het verslag van de StAB;
- —
par. 6 van de notities van taxateur [C] voor de zitting bij de Rechtbank op 17 november 2011, die aan de pleitnotities van de Staat zijn gehecht.
2.15
Zoals de Rechtbank in rov. 6.1 terecht heeft overwogen, zijn de door de heffingsambtenaar aangevoerde vergelijkingen niet toepasbaar, omdat [A] een uniek object is, zowel qua ligging als qua grootte en gebruik, maar ook omdat bij [A] geen sprake is van een draagkrachtige bodem en geen braakliggend terrein. In ieder geval had het Hof zijn oordeel dat de heffingsambtenaar met de door hem overlegde marktgegevens aannemelijk gemaakt zou hebben dat de door hem in aanmerking genomen waarde van € 16,50 per m2 niet te hoog is, gelet op de uitvoerig gemotiveerde betwisting door de Staat, nader moeten motiveren.
Onbegrijpelijke uitleg stellingen van partijen
2.16
Door de kosten van de aanleg van [A] in mindering te brengen op de (ongecorrigeerde) vervangingswaarde van [A] en derhalve uit te gaan van lagere stichtingskosten dan waarvan beide partijen in bun waarderingen zijn uitgegaan, heeft het Hof een onbegrijpelijke uitlegging aan de stellingen van partijen gegeven en een andere maatstaf aangelegd op grond waarvan de waarde vervolgens is vastgesteld zonder dat partijen zich hierover hebben kunnen uitlaten. Aldus heeft het Hof gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van procesrecht dat partijen over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan de rechterlijke beslissing voldoende moeten zijn gehoord en niet mogen worden verrast met een beslissing van de rechter, waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening behoefden te houden.
2.17
Het Hof overweegt in rov. 7.7.1 dat partijen eenparig van mening zijn dat de vervangingswaarde van de infrastructuur (exclusief het kantoorgebouw), vóór de toepassing van correcties, op de waardepeildatum € 79.877.763 bedroeg. Het geschil spitste zich voor het Hof uitsluitend toe op de waarde van de grond (onder het waterbekken), waarbij de Staat een waarde van € 0,25 per m2 voorstaat en de heffingsambtenaar een waarde van € 16,50 per m2, en op de op de hiervoor genoemde (ongecorrigeerde) vervangingswaarde toe te passen correctie wegens excessieve gebruikskosten. Over een mogelijke correctie voor de kosten van de aanleg van [A] op de (ongecorrigeerde) vervangingswaarde van de infrastructuur hebben partijen zich niet uitgelaten en is — bijvoorbeeld tijdens de zitting bij het Hof naar aanleiding van vragen van het Hof daaromtrent — ook geen debat gevoerd, laat staan dat partijen zich over de hoogte van deze correctie hebben kunnen uitlaten.
Daardoor is de Staat voorts niet in de gelegenheid geweest om subsidiair bijvoorbeeld aan te voeren dat er gelet op de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval bij de bepaling van de waarde van de grond wel met een component technische en functionele veroudering rekening zou moeten worden gehouden.
Correctie kosten aanleg [A] is te laag
2.18
Het Hof oordeelt dat de kosten van de aanleg van [A] moeten worden gecorrigeerd om dubbeltelling te voorkomen. Door (in rov. 7.6.3) deze kosten te schatten op € 16 per m2, heeft het Hof een (veel) te lage correctie toegepast, althans heeft het Hof de hoogte van deze correctie onvoldoende gemotiveerd.
2.19
Het Hof overweegt in rov. 7.6.3 dat er geen concreet bedrag van de kosten van de aanleg van [A] door partijen is genoemd. Dit is onbegrijpelijk (in ieder geval) gelet op hetgeen door de Staat daaromtrent is aangevoerd. De Staat wijst op aangepaste taxatie van [C] van 17 februari 2010, waarin uiteengezet is dat de bruto vervangingswaarde is herleid uit de aangeleverde accountantsverklaringen waaruit volgt dat de (historische) stichtingskosten tot en met 1987 NLG 90.758.987 (€ 41.184.613,12) incl. 20% BTW bedragen. Vervolgens zijn alle (nadere) investeringen, voor zover niet vrijgesteld onder de werktuigenvrijstelling, toegevoegd aan de bruto vervangingswaarde en zijn alle bedragen geïndexeerd naar de respectievelijke waardepeildata (zie ook de bij het rapport gevoegde waardeberekeningen).
2.20
Uit het voorgaande volgt dat de door het Hof toegepaste correctie voor de kosten van de aanleg van [A] die (2.469.246 × € 16 =) € 39.507.936 bedraagt, te laag en onnavolgbaar is. Uitgaande van de historische kostprijs van de aanleg van [A] die uiteraard ook nog naar de huidige peildatum moet worden geïndexeerd, is in ieder geval onbegrijpelijk dat het Hof tot deze correctie is gekomen.
Oordeel Hof excessieve gebruikskosten
2.21
Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of de correctiefactor voor economische veroudering moet worden verhoogd wegens excessieve gebruikskosten en zo ja in welke mate. In rov. 7.7.2 overweegt het Hof dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat te dezen ‘de gemiddelde jaarlijkse exploitatiekosten als excessief zijn aan te merken’ en geeft het Hof weer wat partijen omtrent deze correctie hebben aangevoerd.
2.22
In rov. 7.7.3 oordeelt het Hof vervolgens:
‘Gelet op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is het Hof van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot de correctie voor excessieve gebruikskosten op goede gronden juist heeft geoordeeld door de door de heffingsambtenaar voorgestane en hierna verwoorde methodiek te volgen:
‘De volgende benadering sluit volgens [de heffingsambtenaar] aan bij hetgeen de StAB voor ogen staat. Volgens de StAB is een klein deel van de jaarlijkse exploitatiekosten mogelijkerwijs aan te merken als excessieve gebruikskosten. Volgens de StAB moet hierbij bijvoorbeeld gedacht worden aan extra onderhoudskosten. [De heffingsambtenaar] heeft op basis van de door de beheerder verstrekte exploitatiekosten naar waardepeildatum 1 januari 2007 een inschatting gemaakt van de extra onderhoudskosten tot het jaar 2014. Door aansluiting te zoeken bij die exploitatie wordt een relatie gelegd met het vullingstempo en de vullingsgraad Deze excessieve gebruikskosten zijn ingeschat op 10% van de exploitatiekosten (als invulling van ‘een klein deel van de kosten’) en over een periode vanaf de waardepeildatum tot 2045 netto contant gemaakt. Op basis hiervan kan een correctie wegens excessieve gebruikskosten van (afgerond) € 5.403.000,- worden becijferd Dit komt neer op een correctie voor excessieve gebruikskosten van 13% (factor 0,87). Door aansluiting te zoeken bij deze berekening wordt bereikt dat naar mate [A] gedurende de resterende exploitatieperiode meer zal worden gevuld, de hoogte van de excessieve gebruikskosten zal dalen. Tegelijkertijd stijgt de correctie wegens economische veroudering evenredig met de vullingsgraad. Naar het oordeel van [de heffingsambtenaar] wordt hiermee voor beide factoren een logische relatie gelegd met de vullingsgraad. (…)’
2.23
In rov. 7.8 komt het Hof op basis van het voorgaande tot een totale gecorrigeerde vervangingswaarde per 1 januari 2008 van € 65.586.117.
Klachten excessieve gebruikskosten
2.24
De hierboven weergegeven oordelen van het Hof (in rov. 7.7.2 en 7.7.3) met betrekking tot de correctie wegens excessieve gebruikskosten, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn niet naar behoren gemotiveerd.
Onjuiste weergave standpunt Staat omtrent excessieve gebruikskosten
2.25.
In rov. 7.7.2 overweegt het Hof dat de Staat zich op het standpunt stelt dat te dezen de gemiddelde jaarlijkse exploitatiekosten als excessief zijn aan te merken. Daarmee heeft het Hof het standpunt van de Staat onjuist weergegeven en is het oordeel van het Hof omtrent de correctie voor excessieve gebruikskosten op onjuiste uitgangspunten gebaseerd. De door de Staat voorgestane correctie betreft circa 88% van de (in het als productie 1 bij de motivering van het hoger beroep overgelegde overzicht van jaarlijkse exploitatiekosten, personeelskosten en investeringen) gemiddelde jaarlijkse exploitatiekosten over 2004 (de oorspronkelijke einddatum) tot en met de waardepeildatum (zie par. 3.15 van de motivering van het hoger beroep).
Onjuiste uitleg begrip excessieve gebruikskosten
2.26
Het Hof is in rov. 7.7.3 uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrip excessieve gebruikskosten door de door de heffingsambtenaar voorgestane (en in rov. 7.7.3 verwoorde) methodiek te volgen. Ten onrechte wordt ervan uitgegaan dat alleen de extra onderhoudskosten als excessieve gebruikskosten kunnen worden aangemerkt. [A] blijkt veel te groot gedimensioneerd en blijft daarom veel langer open dan ten tijde van het besluit tot stichting van [A] werd voorzien. Dat het baggerslibdepot in maatschappelijk opzicht in mindere mate functioneel is geworden, leidt tot excessieve gebruikskosten (zie motivering hoger beroep par. 3.10 en het verslag van de StAB, p. 26 en 27). De (veel) langere opstelling van [A] dan voorzien bij het nemen van de oorspronkelijke investeringsbeslissing, leidt ertoe dat in principe de meerkosten van de langere openstelling als excessieve kosten kunnen worden beschouwd.
Zoals de Staat (in onder meer par. 3.17 van de motivering van het hoger beroep) uiteengezet heeft, leidt de toepassing van het door de heffingsambtenaar genoemde percentage van 13% tot een jaarlijks bedrag aan excessieve kosten van slechts € 228.385, hetgeen ten opzichte van de totale gemiddelde jaarlijkse kosten van € 6.460.625 als veel te laag moet worden beschouwd.
Onvoldoende inzicht in gedachtegang
2.27
Het Hof oordeelt in rov. 7.7.3 dat de door de heffingsambtenaar voorgestane methodiek voor de correctie voor excessieve gebruikskosten gevolgd moet worden. Dat motiveert het Hof slechts als volgt: ‘gelet op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is het Hof van oordeel is dat de rechtbank met betrekking tot de correctie voor excessieve gebruikskosten op goede gronden juist heeft geoordeeld door de door de heffingsambtenaar voorgestane methodiek te volgen’.
2.28
Tussen partijen heeft over de toe te passen correctie voor excessieve gebruikskosten in de processtukken een uitvoerig debat plaatsgevonden.
Zie voor de standpunten van de Staat onder meer:
- —
de reactie van de Staat op het definitief verslag van de StAB d.d. 30 augustus 2002, par. 5 en 6;
- —
motivering van het hoger beroep, par. 3.10–3.21;
- —
conclusie van repliek in hoger beroep, par. 2.2;
- —
nader stuk van de Staat d.d. 24 april 2014.
Gelet op dit uitvoerige debat heeft het Hof met zijn oordeel in rov. 7.7.3 onvoldoende inzicht gegeven in de aan zijn beslissing ten grondslag liggende gedachtegang en daarom zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het enkele opnemen van een citaat uit (kennelijk) de reactie van de heffingsambtenaar op het concept-verslag van de StAB, kan in ieder geval niet voldoende worden geacht. Dat geldt temeer nu de StAB in reactie hierop in zijn definitieve verslag op p. 36 het volgende heeft opgemerkt:
‘GBR doet een voorstel voor het berekenen van een correctiefactor vanwege excessieve gebruikskosten. Deze factor is gebaseerd op een inschatting van de onderhoudskosten. De onderhoudskosten zijn in het conceptverslag genoemd als een voorbeeld van kosten die excessief kunnen zijn. Een factor die alleen gebaseerd is op deze kosten en dan nog slechts op een inschatting hiervan, doet derhalve geen recht aan de totale omvang van de excessieve gebruikskosten.’
[…]
Voortbouwklacht
2.29
De waardevaststelling van het Hof in rov. 7.8 en de conclusie van het Hof in rov. 7.9 dat het hoger beroep van de Staat ongegrond is en het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar gegrond, bouwen voort op de hiervoor bestreden oordelen van het Hof, zodat de in de hiervoor opgenomen klachten ook het oordeel van het Hof in rov. 7.8 en 7.9 vitiëren.
3. Conclusie
Tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en met zodanig verdere beslissing als uw Raad zal vermenen te behoren; met veroordeling van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam in de kosten van deze procedure.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 16‑02‑2015
Tijdens de zitting bij het Hof is door de Staat een film vertoond waarin de realisatie van [A] in beeld wordt gebracht. De dvd is overgelegd en door het Hof genummerd als productie belanghebbende II, zo blijkt uit het p-v van de zitting.
Zie ook het verslag van de StAB d.d. 16 april 2012, p. 12.
Rechtbank Rotterdam 7 maart 2013, nrs. ROT 11/4661 en ROT 10/4786.
Het waterbekken betreft de stortput én de omliggende dijken; in totaal gaat het om 2.469.246 m2; zie.rov. 7.6.1 en (onder meer) de als productie 2 bij de motivering van het hoger beroep overgelegde berekening van de waarde van [A] door taxateur [C]. De grondwaarde van de overige gronden (aangeduid als wegen, talud en sedimentatiebekkens; aangelegd op bestaande grond) is berekend op 237.888 m2 × € 23 = € 5:471:424 (zie rov. 7.6.1 en 7.6.4 en de hiervoor genoemde waardeberekening) en Is niet in geschil.
Zie noot S hiervoor.
In de Vraagbaak waardebepaling Wet WOZ van de Waarderingskamer wordt over de taxatie volgens de gecorrigeerde vervangingswaarde op p. 126 opgemerkt:‘Bij de berekening van de vervangingswaarde van de grond worden aanlegkosten zoals verharding en parkeervoorzieningen niet meegenomen. Deze komen tot uiting bij de vervangingswaarde voor de opstal, omdat op deze voorzieningen wel correcties mogelijk zijn. (…) De vervangingswaarde van de opstal heeft betrekking op alle gebouwen, onderdelen en terreinvoorzieningen die tot de te taxeren onroerende zaak behoren.’