Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/4.2.2
4.2.2 Uitzondering: consumentenbeschermende richtlijnen
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS303401:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hartkamp 2010, p. 136; Ancery & Krans 2009, p. 191-192; Hartkamp 2009b, p. 774 (nr. 4); Snijders 2009, p. 1000; Snijders 2008, p. 548 (nr. 4) e.v.; Freudenthal & Van Ooik 2007, p. 71; Hartkamp 2007a, p. 13; Snijders 2007, p. 89; Prechal 2001, p. 106;
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, Pb 1993 L 095 (21 april 1993), p. 29-34.
Vgl. artikel 3, lid 1 van de Richtlijn oneerlijke bedingen, dat bepaalt dat deze bedingen in dat geval ‘als oneerlijk [worden] beschouwd.’
HvJ EU 27 juni 2000, C-240-244/98, Jur. 2000, p. I-4941 (Océano), pt. 21. Het is kwestieus dat het HvJ EU op een dergelijk stellige toon oordeelt dat een beding oneerlijk is, omdat het in HvJ EU 1 april 2004, C-237/02, Jur. 2004, p. I-3403 (Freiburger Kommunalbauten/Hofstetter) oordeelde (na Océano) dat het Hof zich niet kan uitspreken over de oneerlijkheid van een specifiek beding (vgl. pt. 22). Het HvJ EU probeert de overweging uit Océano in zoverre te rechtvaardigen door de stelling dat een forumkeuzebeding geen onderzoek van alle omstandigheden van het geval vergt voordat kan worden vastgesteld dat het een oneerlijk beding betreft (vgl. HvJ EU Freiburger Kommunalbauten, pt. 23). In HvJ EU 4 juni 2009, C-243/08, Jur. 2009, p. I-4713 (Pannon) overweegt het HvJ EU echter uitdrukkelijk met betrekking tot een forumkeuzebeding dat het niet in het specifieke geval kan beoordelen of dat beding oneerlijk is (pt. 42), maar herziet dit oordeel kennelijk alweer in HvJ EU 9 november 2010, C-137/08, Jur. 2010, p. I-10847 (Pénzügyi) met het oordeel dat een forumkeuzebeding een oneerlijk beding betreft (pt. 52-54). Over het algemeen zal een forumkeuzebeding inderdaad als oneerlijk hebben te gelden, maar het oordeel daaromtrent lijkt mij te moeten worden overgelaten aan de nationale gerechten. Immers, het uitwijken naar een andere, niet krachtens de wettelijke regeling bevoegde rechter, kan ook gunstig uitpakken voor de consument. Zie uitgebreider over dit aspect: Stuyk 2001, p. 728 e.v.; kritisch: Osztovits & Nemessanyi 2010, p. 24 e.v.; Pavillon 2011.
HvJ EU 27 juni 2000, C-240-244/98, Jur. 2000, p. I-4941 (Océano), pt. 26.
HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, Jur. 2007, p. I-S017 (Rampion); HvJ EU 17 december 2009, C-227/0S (Martin Martin). De precieze reikwijdte wordt in het volgende hoofdstuk besproken.
143.
Een groot deel van het EU-recht bestaat uit richtlijnen die door lidstaten moeten worden omgezet in nationaalrechtelijke bepalingen. Een deel van dat omgezette EU-recht bestaat uit consumentenrechtelijke bepalingen. Nu doet de consument dikwijls geen beroep op de hem beschermende bepaling, ofwel omdat hij deze niet kent, ofwel omdat hij überhaupt niet in de procedure verschijnt. Op een dergelijk moment zal een rechter zich afvragen of hij ambtshalve toepassing kan geven aan de beschermende bepaling, waarop het antwoord naar nationaal recht dikwijls ontkennend luidt gelet op het beginsel van partijautonomie. Nu dient een dergelijke beperking van het EU-recht te worden getoetst aan de randvoorwaarden uit Rewe en Comet. Het kan dan ook geen bevreemding wekken dat dergelijke vragen al meermaals zijn voorgelegd aan het HvJ EU, wat soms leidde tot verrassende antwoorden. In de literatuur wordt aangevoerd dat de rechtspraak van het HvJ EU met betrekking tot de ambtshalve aanvulling van consumentenbeschermende omzettingswetgeving binnen het leerstuk van de ambtshalve aanvulling van EU-recht een aparte categorie vormt.1 Of dat inderdaad het geval is, wordt in het volgende hoofdstuk beoordeeld. Eerst dient te worden bezien wat het HvJ EU precies van de nationale rechter vraagt wanneer hij wordt geconfronteerd met een geschil waarin een consumentenbeschermende EU-richtlijn op de een of andere manier een rol speelt.
144.
De rechtspraak van het HvJ EU met betrekking tot de ambtshalve toepassing van consumentenrechtelijke bepalingen nam een aanvang met de Océano-zaak. Het is een zaak met betrekking tot de Richtlijn oneerlijke bedingen.2 Die Richtlijn is van toepassing op overeenkomsten tussen consumenten en (rechts)personen die handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf. Wanneer in die overeenkomsten bedingen voorkomen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en deze bedingen in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, biedt deze Richtlijn de consument bescherming.3 Artikel 6 van de Richtlijn bepaalt namelijk dat oneerlijke bedingen de consument niet binden, maar tevens dat de toepassing van die bescherming onder de in het nationale recht geldende voorwaarden zal plaatsvinden. In de praktijk van veel rechtstelsels in de Europese Unie betekent dit dat een consument zelf een beroep moet doen op de hem toekomende bescherming. Dat wordt vaak verzuimd door consumenten, zo ook in de Océano-zaak. In de overeenkomst die in die zaak centraal stond, was een forumkeuzebeding opgenomen, dat bepaalde dat, in geval van uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen, de rechter van de plaats van vestiging van de gebruiker van het beding bevoegd was kennis te nemen van het geschil. Op basis van dat beding werd een zaak aangebracht tegen de consument voor de rechter van de plaats van vestiging van de gebruiker van het beding. Dit beding werd door de rechter opgemerkt, temeer nu het Spaans Hooggerechtshof een dergelijk beding al meermaals als oneerlijk had beoordeeld. Naar Spaans recht was niet geheel duidelijk of de rechter dit oneerlijke karakter ambtshalve mocht opwerpen. De rechter hield de zaak dan ook aan en stelde het HvJ EU de vraag of de Richtlijn een ambtshalve toetsing van een dergelijk beding mogelijk maakte.
Het HvJ EU merkte om te beginnen op dat het forumkeuzebeding voldeed aan alle voorwaarden om als een oneerlijk beding te worden aangemerkt.4 Een dergelijk beding mag door de rechter ambtshalve op haar (on)eerlijkheid worden getoetst. De consument bevindt zich namelijk in een zwakkere onderhandelingspositie ten opzichte van de gebruiker van de algemene voorwaarden, waardoor de consument niet in staat zal zijn om invloed uit te oefenen op de precieze inhoud van deze voorwaarden. Het is ook juist hierom dat de Richtlijn de consument van bescherming voorziet in de vorm van het niet-binden van het oneerlijke beding. Als voor het effectueren van die bescherming een beroep van de consument op de oneerlijkheid van het beding is vereist, zou de door de Richtlijn geboden bescherming illusoir kunnen worden:
“De doelstelling van artikel 6 van de richtlijn, volgens hetwelk de lidstaten moeten bepalen dat oneerlijke bedingen de consument niet binden, kan mogelijk niet worden bereikt, wanneer de consument het oneerlijke karakter van dergelijke bedingen zelf aan de orde zou moeten stellen. In geschillen betreffende kleine geldvorderingen kunnen de advocatenhonoraria hoger zijn dan het gevorderde bedrag, hetgeen de consument ervan kan afhouden zich te verweren tegen de toepassing van een oneerlijk beding. Volgens de procesregels van tal van lidstaten mogen particulieren in dergelijke geschillen weliswaar zelf verweer voeren, doch bestaat er een niet te verwaarlozen gevaar, dat de consument met name uit onwetendheid geen beroep doet op het oneerlijke karakter van het beding dat hem wordt tegengeworpen. Bijgevolg kan een doeltreffende bescherming van consumenten enkel worden bereikt, indien aan de nationale rechter de bevoegdheid wordt toegekend om een dergelijk beding ambtshalve te toetsen.”5
De tussen de consument en gebruiker bestaande ongelijkheid dient dus te worden opgeheven door een ambtshalve ingrijpen van de rechter. Er is dus een zekere bijzonderheid verbonden aan consumenten die rechtvaardigt dat de rechter ambtshalve ingrijpt teneinde deze groep te beschermen. Waar het HvJ EU in Van Schijndel nog overging tot toetsing van het nationale procesrecht aan het uit Rewe en Comet voortvloeiende gelijkwaardigheids- en effectiviteitsbeginsel, lijkt het nationale procesrecht in Océano van minder groot belang te zijn geweest voor het HvJ EU. In de zaken die volgden op de Océano-zaak koos het HvJ EU voor vergelijkbare bewoordingen. De ambtshalve toetsing door de rechter komt dus in de plaats van een beroep door de consument op de potentiële oneerlijkheid van het beding. En deze rechtspraak is blijkens de arresten in de zaken-Rampion en -Martin Martin niet beperkt tot oneerlijke bedingen, maar strekt zich tot op zekere hoogte ook uit tot de Richtlijn consumentenkrediet en de Richtlijn buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten.6