Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/8.6.4
8.6.4 Statuten en reglement van vereniging van eigenaars
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS505962:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo valt — a contrario — af te leiden uit BR 24 september 1964 (De Rooy/Hillen), NJ 1965, 359, m.nt. MB met betrekking tot een bindendadviesbeding; de weigering van de eigenaren om in de reglementswijziging in te stemmen was onterecht aangezien het een wijziging betrof van een bestaand reglement met daarin een bindendadviesbeding dat van het begin af aan in het reglement was opgenomen en waarmee partijen en hun voorgangers steeds hadden ingestemd; anders zonder uitleg — en mijns inziens ten onrechte — Burg. Rv. (HEEmsKERK), Boek BI, titel 1 (oud), aant. 4.
HR 24 september 1964 (De Rooy/Hillen), NJ 1965, 359, m.nt.
Bij de vereniging van eigenaars mag niet hetzelfde worden aangenomen als zojuist in het algemeen bij de vereniging is opgemerkt. Appartementseigenaren zijn ingevolge art. 5:125 BW van rechtswege lid van de vereniging van eigenaars en zijn aldus aan het reglement en de statuten van de vereniging gebonden.
Ingevolge art. 5:111 BW moet bij een splitsing in appartementsrechten de akte van splitsing een reglement inhouden. Het reglement moet ingevolge art. 6:112 lid 1 (e) BW op zijn beurt de statuten van de vereniging van eigenaars inhouden.
Beperken wij ons tot art. 1020 lid 5 Rv, dan zouden zij ook aan een in het reglement of de statuten opgenomen arbitraal beding zijn gebonden. Zulks komt evenwel in strijd met de in art. 6 EVRM en art. 17 Grondwet verlangde wil tot arbitrage die ook in de voorwaarden van art. 1021 Rv tot uitdrukking komt.1 Indien een appartementseigenaar het bestaan van de arbitrageovereenkomst betwist, zal moeten worden vastgesteld of hij het geschrift dat in arbitrage voorziet (i.e. het reglement of de statuten van de vereniging) uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft aanvaard (art. 1021 Rv). Zulks kan wel worden aangenomen bij appartementseigenaren die zelf hebben deelgenomen aan de splitsing (van de goederen die in de splitsing in appartementsrechten zijn betrokken) en dusdoende (mede) het reglement en de statuten van de vereniging hebben bepaald (art. 5:109 BW jo. art. 5:111 (d) BW en art. 5:112 leden 1 (e) en 2 BW).2 De enkele verkrijging van een appartementsrecht en het als gevolg daarvan van rechtswege ingetreden lidmaatschap van de vereniging met binding aan het reglement en de statuten (met inbegrip van een mogelijk daarin opgenomen arbitraal beding) brengt mijns inziens nog geen aanvaarding van een geschrift als bedoeld in art. 1021 Rv met zich. Daartoe wordt verlangd dat de verkrijger van het appartementsrecht het geschrift dat in arbitrage voorziet, te weten het reglement en/of de statuten van de vereniging, heeft aanvaard. Zulks kan bijvoorbeeld worden aangenomen als vaststaat dat de verkrijger de inhoud van de statuten kende of heeft kunnen kennen voorafgaande aan de verkrijging, daartegen geen protest heeft aangetekend en niettemin is overgegaan tot verkrijging van het appartementsrecht.
Aanvaarding van het geschrift als bedoeld in art. 1021 Rv bestaat evenmin als de kantonrechter op grond van art. 5:140 BW jo. art. 5:139 leden 1 en 2 BW een machtiging verleent tot wijziging van een akte van splitsing en het daarin opgenomen reglement (dat tevens de statuten behelst) van een vereniging van eigenaars en het gewijzigde reglement in arbitrage voorziet, dit terwijl het reglement voordien niet in arbitrage voorzag.3 Indien het reglement ook voor wijziging een arbitraal beding behelsde bestaat in dit opzicht natuurlijk geen probleem en kan men geacht worden ook aan het arbitraal beding in het gewijzigde reglement te zijn gebonden (aldus luidt de beslissing van de Hoge Raad in de zaak De Rooy/Hillen):
’(…);
0. t.a.v. . onderdeel b:
dat, anders dan de Rb. in overweging 14 van de bestreden beschikking oordeelt, door een bepaling als vervat in art. 2 van het onderhavige reglement de pp. worden afgetrokken van de rechter die de wet haar toekent;
dat immers dit artikel aan pp. de mogelijkheid beneemt bepaalde geschillen aan het oordeel van de haar door de wet toegekende rechter te onderwerpen, waaraan niet afdoet, dat, indien de wijze van totstandkoming of de inhoud van de door de commissie gegeven beslissing daartoe aanleiding geeft, aan de rechter de stelling kan worden voorgelegd, dat de beslissing zozeer ingaat tegen hetgeen redelijk en billijk is, dat de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij in strijd met de goede trouw zou handelen door haar aan die beslissing gebonden te willen houden;
dat het onderdeel niettemin niet tot cassatie kan leiden;
dat immers de bepaling, dat de gewone rechter voor de berechting van bepaalde geschillen zal zijn uitgeschakeld, blijkens de bestreden beschikking van den aanvang af voorkwam in het bij de akte van splitsing in het leven geroepen reglement, en de verzoekers tot cassatie of hun rechtsvoorgangers daarmede derhalve hebben ingestemd; dat een reglementswijziging welke verandering brengt in de wijze van samenstelling van de commissie die in plaats van de gewone rechter over de genoemde geschillen een bindende beslissing zal geven, een eigenaar niet aftrekt van de rechter die de wet hem toekent, en een rechterlijke machtiging, die krachtens art. 638s BW de ontbrekende toestemming van die eigenaar vervangt, dit evenmin doet;
0. t.a.v. onderdeel c:
dat de Rb. heeft overwogen, dat voor de weigering van de verzoekers tot cassatie om in de ten processe bedoelde reglementswijziging toe te stemmen, geen redelijke grond voorhanden is bevonden;
dat deze overweging door het middel wordt bestreden met de stelling, dat voor een weigering van eigenaren om in een reglementswijziging als de onderhavige toe te stemmen, steeds redelijke gronden bestaan;
dat deze stelling in haar algemeenheid onjuist is, en onderdeel c, nu het voor het overige geen feitelijke grondslag heeft in de bestreden beschikking, derhalve niet tot cassatie kan leiden;
(...)"4
Ofschoon de zaak een bindendadviesbeding betreft, is de beschikking van de Hoge Raad mijns inziens ook voor het arbitraal beding van belang. Overigens zal mijn inziens wel betekenis toekomen aan de aard van de wijziging van het arbitraal beding. In de zojuist genoemde zaak De Rooy/Hillen betreft de wijziging van het beding de wijze van samenstelling van de bindendadviescommissie. Volgens de Hoge Raad bestonden geen gronden die de rechtbank zouden hebben moeten beletten te beslissen dat de wijziging niet wezenlijk was. Hieruit kan worden afgeleid dat, als de wijziging wel ingrijpend is, ook voor de wijziging van een bestaand arbitraal beding de instemming van de betrokkenen wordt verlangd en dat bij gebrek aan instemming de desbetreffende partij daaraan niet gebonden is.