Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.6.5.3
9.6.5.3 Uitstaprecht
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192531:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Tollenaar 2016, §2.6.6.4.
Tollenaar 2016, p. 76.
In §9.6.2.1 kwam aan bod dat de Engelse praktijk een de facto cross class cram down-mechanisme heeft ontwikkeld.
Vgl. §9.5.2.1 en 9.5.2.3.
Tollenaar 2016, p. 72.
Tollenaar 2016, p. 76.
Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 17; 69.
Tollenaar 2016, §3.4.7.4.
Vgl. nr. 534.
Tollenaar 2017b, p. 84. In het voorontwerp WHOA werden aandeelhouders nog niet genoemd in het voorgestelde art. 381 lid 4 sub e Fw.
PWC, Consultatiereactie WHOA, p. 7.
De Brauw, consultatiereactie WHOA, §2.2.14. De Brauw somt in haar reactie enkele fundamentele en praktische bezwaren op, maar stelt zich op het standpunt dat de bepaling in de kern moet worden behouden.
NautaDutilh, consultatiereactie WHOA, p. 4.
NautaDutilh, consultatiereactie WHOA, p. 4; De Brauw, consultatiereactie WHOA, §2.2.16.
Zie daarover nr. 301 en nr. 456.
De rechter wijst homologatie af wanneer aan een klasse die niet bij meerderheid voor het akkoord stemde, geen cash-out optie is aangeboden, zo volgt uit art. 384 lid 4 sub b Fw.
Behalve wellicht in het Ierse examinership: Re McInerney Homes Ltd [2010] IEHC 340, §4.16: “That a party who is owed money can, at the level of principle, be required as part of a scheme of arrangement to take less money, can hardly be doubted. That a contract can, in certain circumstances, be repudiated, cannot be doubled. It is certainly arguable that a scheme of arrangement may be able to provide for some delay in the payment of monies which are recorded as to be paid to creditors under the scheme. Precisely how far it might be legitimate to go in delaying such a payment is a matter which is yet to be subject of any significant determination. However requiring a bank to continue as an active lender to a company against the wishes of that bank is a matter which seems to me to have very significant practical and legal difficulties. It might be one thing to impose a partly deferred repayment to a bank such that the bank was required to accept payment over time of an existing liability. Even such an arrangement would be a matter that would require careful legal consideration as to whether it was permitted under the examinership legislation. However even such an arrangement would not be sufficient for McInerney who will, of course, require on-going finance to enable it to continue to do business. It is difficult to envisage circumstances in which a scheme of arrangement could oblige a creditor to provide further credit against his will. In addition there is the problem identified by counsel for the Banking Syndicate as to how, in practice, it would be possible for McInerney to continue to sell houses and retain some of the proceeds of sale as on-going working capital in circumstances where, it would appear (as the matter was not fully explored, I do not so decide) that the Banking Syndicate has full security which it can, under the existing terms of its arrangements with McInerney, only be required to release on payment of the full proceeds of sale. It is also possible to envisage other difficulties which might arise.”
Zie wederom NautaDutilh, consultatiereactie WHOA, p. 4.
− Het theoretische fundament van het uitstaprecht
583. In §9.6.3.2 kwam aan bod dat het Amerikaanse recht bijzondere waarborgen bevat om de positie van tegenstemmende klassen van zekerheidsgerechtigden te beschermen. Kort gezegd moet een dergelijke klasse op grond van het akkoord haar zekerheidspositie behouden en uitgestelde betalingen ontvangen met een contante waarde gelijk aan de reorganisatiewaarde van het onderpand. De WHOA kent geen soortgelijke bijzondere waarborgen voor zekerheidsgerechtigde klassen.
De WHOA biedt echter een verderstrekkende waarborg voor alle tegenstemmende klassen, ongeacht of deze klassen bestaan uit zekerheidsgerechtigden. Voorwaarde voor een cross class cram down is dat leden van een tegenstemmende klasse aanspraak moeten kunnen maken op ofwel een uitkering in natura ter grootte van hun aandeel in de reorganisatiewaarde conform de rangorde (zoals besproken in §9.6.5.2), ofwel op een contante uitkering ter grootte van het bedrag dat zij in het alternatieve liquidatiescenario in geld zouden krijgen. In deze paragraaf hanteer ik cash out-optie, cash out-recht en uitstaprecht als synoniemen voor deze regel.
Het uitstaprecht is gepropageerd door Tollenaar. Eén van de centrale stellingen in zijn proefschrift is dat het recht van crediteuren om te kunnen executeren en daarmee een betaling in contanten te kunnen realiseren een zwaarwegend recht is. Een inbreuk op dat recht op cash valt volgens hem niet te baseren op de creditors’ bargain theory. Eén van de pijlers van deze theorie is immers dat de vóór faillissement verkregen rechten van schuldeisers moeten worden gerespecteerd. Crediteuren die buiten faillissement een recht op een uitkering in contanten hebben, waardoor zij liquiditeit verkrijgen en het risico dat zij lopen op de schuldenaar wordt beëindigd, zouden volgens Tollenaar niet (tegen hun wil) opgezadeld mogen worden met een uitkering in natura. Een uitkering in natura is immers incourant, levert geen liquiditeit op en laat het risico voortbestaan.1
584. Tollenaar hanteert als uitgangspunt dat een herstructurering als alternatief voor liquidatie slechts verdedigbaar is, indien de vermogensverschaffers als groep erop vooruitgaan als gevolg van het akkoord, en er geen enkele klasse is aan te wijzen die erop achteruit gaat. Indien een klasse bij meerderheid instemt met een uitkering in natura, bestaat er democratisch draagvlak voor de afwijking van het liquidatie-uitgangspunt. Indien een klasse echter een akkoordaanbod verwerpt zijn er vier oplossingen denkbaar die waarborgen dat deze ‘tegenstemmende’ klasse er niet op achteruit gaat ten opzichte van liquidatie:
Indien een klasse bij meerderheid tegen de herstructurering stemt, volgt liquidatie;
De klasse die tegenstemt, ontvangt rechten met een marktwaarde ter grootte van de uitkering die zij naar verwachting onder het wettelijk liquidatiesysteem zou ontvangen;
De klasse die tegenstemt, ontvangt rechten met een executiewaarde ter grootte van de uitkering die zij naar verwachting onder het wettelijk liquidatiesysteem zou ontvangen; of
De tegenstemmende klasse ontvangt een uitkering in contanten ter grootte van de uitkering die zij in faillissement zou ontvangen.
Het onder i) beschreven systeem komt overeen met de benadering in de Engelse scheme of arrangement. In nr. 539 kwam aan bod dat een scheme door alle klassen moet worden aangenomen, wil de rechter het akkoord verbindend verklaren. Indien niet alle klassen instemmen komt het akkoord niet tot stand en volgt – in creditor schemes althans – zeer waarschijnlijk een administration procedure. Tollenaar meent dat een dergelijke regel goed verdedigbaar is.2 De Engelsen zien het ontbreken van een cross class cram down mechanisme echter als een gebrek, nu er daardoor geen (eenvoudige3) mogelijkheid bestaat out of the money-klassen uit de vermogensstructuur van een rechtspersoon te verwijderen.4 De eis dat alle klassen moeten instemmen met het akkoord, roept in wezen een nieuw hold out-probleem in het leven. De totstandkoming van akkoorden wordt daardoor bedreigd. In die gevallen waarin het akkoord tot opbrengstmaximalisatie zou leiden, brengt dat schade toe aan de groep vermogensverschaffers als geheel.
De onder ii) beschreven variant leidt volgens Tollenaar tot een verstoring van de rangorde. Volgens hem is de onderlinge rangorde gebaseerd op uitkeringen in geld, niet op uitkeringen van de hypothetische waarde in natura. Tollenaar noemt deze waarborg dan ook niet expliciet als optie omdat dit geen eerlijke compensatie zou bieden.5
Het derde systeem wordt door Tollenaar verworpen, omdat daarvoor (minstens) twee waarderingen zouden moeten geschieden. Immers, allereerst zou moeten worden vastgesteld wat crediteuren naar verwachting in het alternatieve faillissementsscenario zouden ontvangen. Om dat vast te kunnen stellen moet het hele vereffeningsscenario worden doorgedacht, inclusief een waardering van alle onderpanden. Daarnaast zou moeten worden vastgesteld wat de executiewaarde van de uitkering in natura zou zijn. Tollenaar verwerpt dit alternatief, nu het een dubbele (subjectieve) waardering vereist.6Tollenaar opteert dus voor de vierde optie. Indien crediteuren niet bij meerderheid voor een uitkering in natura kiezen, moeten zij aanspraak kunnen maken op een uitkering in contanten ter grootte van het bedrag dat zij naar verwachting in het liquidatiescenario zouden ontvangen. Deze optie is door het ministerie overgenomen in art. 384 lid 4 sub b Fw. De Memorie van Toelichting verduidelijkt dat deze bepaling als een extra waarborg fungeert voor schuldeisers geplaatst in klassen die niet met de vereiste meerderheid met het akkoord instemden. Zij kunnen niet gedwongen worden om de schuldenaar te blijven financieren, wanneer zij bij een faillissement van de schuldenaar een uitkering in contanten zouden krijgen.7
− De regel van art. 384 lid 4 sub b Fw
585. Om een tegenstemmende klasse aan het akkoord te kunnen binden moet deze klasse aanspraak kunnen maken op ofwel een contante betaling van het bedrag dat zij bij een vereffening van het vermogen van de schuldenaar in faillissement naar verwachting aan betaling in geld zou ontvangen ofwel een uitkering in natura die de reorganisatiewaarde conform de rangorde verdeelt. Vermogensverschaffers kunnen niet op beide aanspraak maken. De hogere reorganisatiewaarde bestaat immers slechts bij de gratie van het uitblijven van liquidatie, en het gegeven dat de onderneming in plaats daarvan in feite aan de vermogensverschaffers wordt verkocht.8
De uitkering in contanten zal voor zekerheidsgerechtigden neerkomen op het bedrag dat zij bij uitwinning van de zekerheden zouden hebben ontvangen. Deze opbrengst is afhankelijk van het alternatieve fictieve uitwinningsscenario. De waarborg van art. 384 lid 4 sub b Fw geldt voor alle klassen vermogensverschaffers. Om te bepalen wat niet-zekerheidsgerechtigde schuldeisers naar verwachting bij een vereffening in faillissement zouden ontvangen, dient eenzelfde hypothetische exercitie te worden doorlopen als bij de toepassing van de best interests-test.9 Nu het recht op contanten echter beperkt is tot het geldbedrag dat de vermogensverschaffers in het faillissementsscenario naar verwachting zouden ontvangen, heeft deze waarborg slechts betekenis voor partijen die in het alternatieve liquidatiescenario in the money zijn. Dit zullen doorgaans crediteuren met een vrij hoge rang zijn, zoals zekerheidsgerechtigden en preferente crediteuren. Het is echter geenszins uitgesloten dat ook concurrente crediteuren – en in zeer uitzonderlijke situaties zelfs aandeelhouders – aanspraak kunnen maken op deze bescherming.10
− Gemengde reacties op het uitstaprecht
586. Het uitstaprecht was reeds in het Voorontwerp WHOA opgenomen en is met gemengde gevoelens ontvangen. PWC merkt op dat het uitstaprecht (her)financiering vereist. De aanbieder van het akkoord zal ergens liquiditeiten vandaan moeten halen om de uitoefening van de cash out-optie te kunnen financieren. Wanneer daartoe geen enkele financier bereid kan worden gevonden, is dat een belangrijke aanwijzing dat de onderneming niet levensvatbaar is. Zo bezien wordt door middel van het uitstaprecht een marktmechanisme geïntroduceerd in de regeling.11
In haar consultatiereactie signaleert De Brauw dat de bepaling een herfinancieringsprobleem voor de schuldenaar in het leven roept. De Brauw merkt op dat financiering aantrekken in een herstructureringsscenario op zichzelf al lastig is, maar dat bovendien lange tijd niet duidelijk zal zijn hoe groot de liquiditeitsbehoefte precies is. Pas na de stemming wordt immers duidelijk hoeveel partijen voor een uitkering in contanten opteren.12 De Brauw wijst er bovendien op dat het voorgestelde systeem partijen een hold out-positie kan geven. Zij kunnen immers dreigen voor een uitkering in contanten te opteren zolang het akkoordaanbod niet wordt verbeterd.
Ook NautaDutilh werpt enkele fundamentele bezwaren tegen het voorgestelde uitstaprecht op en concludeert:
“Het vereiste van een cash consideration zal een zeer serieus obstakel opleveren om bij grote herstructureringen de akkoordprocedure in Nederland te laten plaatsvinden en zal Nederland daarmee op achterstand zetten. Regels die niet vergelijkbaar zijn met regels in andere rechtsstelsels en die bij voorbaat al niet worden gesteund door de toonaangevende adviseurs moeten niet in onze akkoordwetgeving terechtkomen omdat dit afdoet aan het uiteindelijke succes van de voorgestelde akkoordregeling.”13
Zowel door NautaDutilh als door De Brauw wordt gesuggereerd dat de in the money-partijen ook volledig zouden worden gecompenseerd voor het gedwongen doorfinancieren, wanneer in de waardering van de uitkering in natura het non cash-karakter zou worden verdisconteerd. Daardoor zou van een breuk met de creditors’ bargain theory geen sprake zijn. Het uitstaprecht zou daarmee kunnen komen te vervallen.14 Voordat ik zelf een standpunt inneem over het uitstaprecht, sta ik eerst nader stil bij de praktische uitwerking ervan.
− Praktische uitwerking uitstaprecht
587. Hoewel de onderliggende gedachte van het Nederlandse uitstaprecht duidelijk is, is niet direct helder hoe een en ander in de praktijk zal werken. De Memorie van Toelichting licht de werking van art. 384 lid 4 sub b Fw in het geheel niet toe. Daardoor rijst onder meer de vraag of het recht op contanten aan individuele partijen toekomt, of slechts aan een gehele klasse die bij meerderheid voor een uitkering in contanten stemt? Of is het voldoende dat de klasse bij meerderheid tegen het voorstel betreffende een uitkering in natura stemt? En in hoeverre moet de optie om voor een uitkering in contanten te kiezen reeds vóór de stemming over het akkoord worden voorgelegd? Of kan ook nog nadat blijkt dat de vereiste meerderheid voor een uitkering in natura niet gehaald is, een aanbod voor een uitkering in contanten worden gedaan?
Uit de tekst van art. 384 lid 4 sub b Fw kan worden afgeleid dat het akkoord zelf reeds moet voorzien in een keuze voor een geldelijke uitkering, wil een cross class cram down mogelijk zijn. De schuldenaar die over een pre-insolventieakkoord onderhandelt zal in de praktijk niet voor elke klasse dit recht op contanten opnemen, maar slechts voor die klassen waarvan hij niet zeker is of de vereiste meerderheid zal worden gerealiseerd. De schuldenaar kan zichzelf enig ‘comfort’ bieden door te werken met ‘lock-up agreements’ of ‘restructuring support agreements’, zoals ook in de Engelse en Amerikaanse herstructureringspraktijk gebruikelijk is.15 Op basis van dergelijke overeenkomsten leggen vermogensverschaffers zich vast op bepaald stemgedrag. Op die manier kan de schuldenaar reeds voor de stemming duidelijkheid krijgen over het draagvlak voor het akkoord. De schuldenaar zal de klassen waarvan onzeker is of de vereiste meerderheid zal worden gehaald, dan een cash out-optie bieden. Deze optie kan op verschillende manieren worden vormgegeven.
588. In de eerste plaats kan sprake zijn van een alternatief akkoordaanbod, dat een klasse het recht geeft te kiezen voor ofwel een uitkering in natura (aandeel in de reorganisatiewaarde) of een uitkering in contanten ter grootte van de liquidatiewaarde. Het stemformulier ziet er dan als volgt uit:
voorgestelde uitkering in natura
voorgestelde uitkering in cash
In dat geval zijn drie stemuitslagen mogelijk: i) de vereiste meerderheid kiest voor een uitkering in natura, ii) de vereiste meerderheid kiest voor een uitkering in contanten en iii) voor geen van de twee opties wordt de vereiste meerderheid gerealiseerd. In de onder i) en ii) beschreven situaties komt het niet tot een cross class cram down. Art. 384 lid 4 Fw is immers pas aan de orde indien een klasse niet bij meerderheid instemt met het akkoordvoorstel. Mocht de onder iii) beschreven situatie zich voordoen, dan dient de rechter te beoordelen of een cross class cram down mogelijk is. Omdat een recht op een uitkering in contanten is aangeboden in het akkoord, is van de onder 384 lid 4 sub b Fw genoemde weigeringsgrond op het eerste gezicht geen sprake. Mijns inziens moet de rechter echter niet alleen nagaan of een cash out-optie is aangeboden, maar ook of dat aanbod daadwerkelijk overeenstemt met het bedrag dat de vermogensverschaffers bij een vereffening van het vermogen van de schuldenaar in faillissement naar verwachting in geld zouden ontvangen. Ook moet de rechter nagaan of voldaan is aan art. 384 lid 4 sub a Fw: deelt de klasse conform haar rang in de reorganisatiewaarde? Indien dat het geval is, voldoet het akkoord aan de vereisten voor cross class cram down, omdat beide aangeboden opties de juiste waarde vertegenwoordigen.
Vervolgens rijst de vraag of de individuele partijen die tijdens de stemming vóór een uitkering in contanten opteerden aanspraak kunnen maken op deze uitkering in contanten. Verdedigd kan worden dat individuele partijen die behoren tot de minderheid die voor een uitkering in contanten heeft gekozen, daar toch geen aanspraak op kunnen maken nu de klasse niet bij meerderheid voor een dergelijke uitkering heeft gekozen. De wet, noch de toelichting geeft hier enige richting.
589. In het scenario waarin met een alternatief aanbod wordt gewerkt, worden partijen die op zichzelf wel genoegen willen nemen met een uitkering in natura, maar het voorgestelde akkoordaanbod te mager vinden, voor een lastig dilemma gesteld. Wanneer zij vóórstemmen en de vereiste meerderheid binnen die klasse wordt gehaald, hebben zij niet meer de mogelijkheid de waarde van die aangeboden uitkering aan de kaak te stellen. Omdat de klasse bij meerderheid instemde, komt de rechter immers niet toe aan de toets van art. 384 lid 4 sub b Fw. Hetzelfde geldt voor vermogensverschaffers die graag voor een uitkering in contanten opteren, maar zich niet kunnen vinden in de hoogte van deze uitkering. Zij missen als het ware een vakje op het stemformulier. De wet lijkt ruimte te laten voor de uitbreiding van dit stemformulier. Art. 384 lid 4 sub b Fw eist immers slechts dat het akkoord ten minste een recht op cash ter grootte van (kortgezegd) de liquidatiewaarde moet bevatten. Mijns inziens kan het stemformulier als volgt worden verfijnd:
voorgestelde uitkering in natura
voorgestelde uitkering in cash
uitkering in natura, maar ben het niet eens met de hoogte
uitkering in contanten, maar ben het niet eens met de hoogte
Indien geen van de vier opties de vereiste meerderheid haalt of de meerderheid voor optie iii of iv stemt, komt het aan op een cross class cram down. Indien de rechter tot de slotsom komt dat de voorgestelde uitkering in natura overeenkomt met het relatieve aandeel dat de klasse in de reorganisatiewaarde heeft, kan hij het akkoord homologeren. Opnieuw rijst de vraag of individuele vermogensverschaffers die tijdens de stemming voor een uitkering in contanten kozen, aanspraak kunnen maken op die uitkering. Wordt dat aangenomen, dan hebben de partijen die optie ii of iv aankruisten daar recht op. De groep die voor optie iv koos heeft zekerheid gekregen dat de uitkering in contanten een juiste waarde vertegenwoordigt. Die zekerheid had zij niet kunnen afdwingen met het stemformulier met twee opties. De rechter moet immers nagaan of de in het akkoord geboden optie overeenkomt met de liquidatiewaarde. Mocht de rechter tijdens dit onderzoek tot de conclusie komen dat de aangeboden liquidatiewaarde te laag is, dan dient hij het akkoord te weigeren omdat niet is voldaan aan art. 384 lid 4 sub b Fw. Dit uitgebreidere stemformulier lijkt dus grotendeels tegemoet te komen aan de mogelijke wensen van partijen. Slechts de opportunistische partij, de partij die eerst van de rechter wil horen hoeveel waarde haar relatieve aandeel in de reorganisatiewaarde vertegenwoordigt en hoe hoog haar uitkering in een liquidatiescenario precies zou zijn, komt een vakje tekort op het stemformulier.
Problematisch aan dit stemformulier is dat de kans dat één van de voorgestelde opties de vereiste twee derde meerderheid haalt lager wordt naarmate het aantal opties wordt uitgebreid. Daarmee zal ook het aantal verzoeken aan de rechter voor een cross class cram down toenemen.
590. Naast het alternatieve aanbod is ook denkbaar dat het recht op contanten als een voorwaardelijk aanbod wordt opgenomen. Het voorgestelde akkoord bevat een uitkering in natura, maar indien en voor zover de meerderheid tegen stemt, zal de klasse aanspraak kunnen maken op een uitkering in contanten. Ook dit voorwaardelijke aanbod kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Zo is denkbaar dat het enkele feit dat de uitkering in natura niet het vereiste draagvlak heeft, de schuldenaar verplicht de gehele klasse in contanten te voldoen. Subtielere tussenvormen zijn ook denkbaar. Zo kan het voorwaardelijk aanbod als een optie worden geconstrueerd. Zodra blijkt dat partijen niet bij meerderheid instemden met de uitkering in natura, kunnen individuele partijen ná de stemming aangeven of zij gebruikmaken van het aanbod tot betaling in contanten. Het cash out-recht voldoet dan aan de vereisten van art. 384 lid 4 sub b Fw, dat immers slechts eist dat vermogensverschaffers ‘op basis van het akkoord het recht hebben te kiezen voor een uitkering in geld’. Ook hier rijst weer de vraag of het recht op cash een individueel recht is of slechts bestaat wanneer een klasse bij meerderheid voor dit type uitkering kiest.
591. Ik ben geneigd aan te nemen dat het recht op contanten een recht is dat individuele vermogensverschaffers toekomt. De wetgever heeft in navolging van Tollenaars betoog deze regeling ingevoerd teneinde ‘in the money’-partijen een uitstapmogelijkheid te bieden. Uit Tollenaars dissertatie valt niet af te leiden of hij een individuele, dan wel een klassegewijze waarborg voor ogen heeft. Een klassegewijs recht zou de beoogde bescherming echter behoorlijk uithollen, al helemaal vanwege het twee derde meerderheidsvereiste. Wanneer men aanneemt dat het uitstaprecht een individueel recht is, kan geen enkele partij tegen haar zin gedwongen worden genoegen te nemen met een uitkering in natura.
Een vervolgvraag is of het individuele recht op contanten niet beperkt zou moeten worden tot die gevallen waarin de vereiste meerderheid voor de uitkering in natura niet werd gerealiseerd. Met andere woorden: mag de minderheid die voor een cash out opteerde aanspraak maken op contanten als de meerderheid vóór een uitkering in natura is en een cross class cram down in het geheel niet aan de orde is? In die gevallen had het weglaten van een cash out optie immers niet aan homologatie in de weg gestaan.16 Ik heb sympathie voor deze beperking, mede gelet op de kritiek die in de consultatiefase geuit is op het uitstaprecht.
− Tussenconclusie
592. Het uitstaprecht biedt vermogensverschaffers die in geval van liquidatie een uitkering zouden ontvangen een belangrijke waarborg. Zij kunnen niet tegen hun wil gedwongen worden door te financieren. Op dit punt wijkt de WHOA fundamenteel af van Chapter 11. In §9.6.3.2 kwam aan bod dat de Amerikaanse rechter tegenstemmende klassen kan dwingen door te financieren en bovendien de toepasselijke cram down interest rate vast kan stellen. In diezelfde paragraaf werd beschreven hoezeer de Amerikanen worstelen met de vraag of de uitkering in natura die een klasse tegen haar wil krijgt opgedrongen, de juiste waarde vertegenwoordigt. Waardering is met zeer veel onzekerheden omgeven. Vanwege alle variabelen die een rol spelen is het goed denkbaar dat een crediteur die gedwongen wordt door te financieren, onvoldoende gecompenseerd wordt voor het voortgezette risico dat hij loopt. Dat leidt tot een inbreuk op het uitgangspunt dat de wettelijke rangorde moet worden gerespecteerd. In een systeem waarin een cash out-optie is opgenomen, heeft een vermogensverschaffer die geplaatst is in een klasse die bij meerderheid tegen het akkoord stemde echter het heft in eigen handen. Hij kan ervoor opteren om voor een uitkering in contanten te kiezen, waardoor afwijking van de rangorde niet optreedt, maar hij wel genoegen moet nemen met de lagere liquidatiewaarde. Hij kan er ook voor kiezen in te stemmen met de hogere uitkering in natura, daarbij zelf het risico nemend dat de geboden compensatie niet volledig is. Hoewel ook de toepassing van het uitstaprecht waarderingen vergt, zijn dat geen dubbel subjectieve waarderingen, omdat de uitkering eenvoudigweg in contanten plaatsvindt. Bovendien is er enige ervaring met dit type waardering, nu deze exercitie ook moet worden doorlopen in het kader van de best interests-test van art. 384 lid 3 Fw en in de vermogensvergelijking die de bestaande pre-insolventieakkoordregelingen voorschrijven.
Het feit dat de Nederlandse regeling een element introduceert dat niet voorkomt in andere (bekende) akkoordregelingen,17 is ook reden geweest voor kritiek.18 Het uitstaprecht leidt tot een geheel eigen dynamiek van het Nederlandse pre-insolventieakkoordproces. Het uitstaprecht is beschikbaar voor elke vermogensverschaffer die in faillissement enige uitkering tegemoet zou kunnen zien. Het recht zal in de praktijk met name van belang zijn voor partijen die een hoge rang hebben, zoals zekerheidsgerechtigde financiers en preferente schuldeisers. Ook concurrente crediteuren die bijvoorbeeld naar verwachting 2% van hun vordering voldaan zouden krijgen, kunnen echter gebruik maken van het uitstaprecht en op die manier aanspraak maken op die uitkering.
Het uitstaprecht verschaft vermogensverschaffers een zekere hold out-positie. Door te dreigen tegen te stemmen en zo aanspraak te maken op de liquidatiewaarde in contanten, kunnen zij proberen de aanbieder te bewegen het akkoordaanbod te verbeteren. Wanneer een klasse slechts uit één of enkele vermogensverschaffers bestaat, zoals de fiscus of een zekerheidsgerechtigde, kan door middel van een tegenstem vrij eenvoudig aanspraak worden gemaakt op contanten. Op die manier kunnen deze schuldeisers de onderneming de rug toekeren en definitief uitstappen. Schuldeisers die (bijna) de enige partij in een klasse zijn, lopen dus niet het risico door de meerderheid binnen die klasse gedwongen te worden door te financieren.
In §4.6.2.3 concludeerde ik dat een klasse gebonden kan worden aan een plan wanneer haar tegenstem in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid die – in een pre-insolventiescenario – de rechtsverhouding tussen crediteuren onderling beheerst. In het concrete geval dienen het belang van de gezamenlijke vermogensverschaffers dat de herstructurering tot stand komt (en de meerwaarde dus wordt gerealiseerd) en het belang van de tegenstemmende klassen om te kiezen voor een contante uitkering tegen elkaar afgewogen te worden. Bij deze beoordeling zouden de aard van het nieuwe recht, het draagvlak voor het akkoord en de reden waarom de crediteuren het kredietrisico op de schuldenaar willen beëindigen een rol kunnen spelen. Anders dan ik in die paragraaf tot uitgangspunt nam, leidt het respecteren van de ‘tegenstem’ van een klasse er in het systeem van de WHOA niet noodzakelijkerwijs toe dat het akkoord in het geheel geen doorgang vindt. Het akkoord kan immers gehomologeerd worden, zolang er voldoende financiering voorhanden is om de tegenstemmende klasse de liquidatiewaarde in contanten te kunnen betalen.
In een genuanceerdere regeling zou de rechter moeten afwegen of het in een concreet geval gerechtvaardigd is om de klasse aan het akkoord te binden. Een factor die daarbij – naast de reeds genoemde omstandigheden – gewicht in de schaal zou kunnen leggen is de mate waarin een beroep op het uitstaprecht het welslagen van de beoogde herstructurering in gevaar brengt. Ik licht dit toe aan de hand van een voorbeeld. Een klasse maakt door tegen te stemmen aanspraak op een omvangrijk bedrag in contanten dat voor de schuldenaar niet te financieren is, terwijl van die klasse slechts een beperkt offer wordt gevraagd, bijvoorbeeld een betalingsuitstel van zes maanden met een marktconforme rentevergoeding. Door een beroep te doen op het uitstaprecht, is in feite de gehele waardemaximaliserende herstructurering van tafel. De gezamenlijke vermogensverschaffers zijn daardoor slechter af. Ik vind het goed verdedigbaar dat in dat geval de tussen crediteuren geldende redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat de klasse gedwongen wordt tijdelijk door te financieren.
Vooralsnog opteert de Nederlandse wetgever echter voor een absoluut uitstaprecht. Het valt te bezien welke effecten dit uitstaprecht op de onderhandelingen over een akkoord zal hebben. Dat zal mede afhankelijk zijn van de precieze toepassing van art. 384 lid 2 sub b Fw in de praktijk. In nr. 587-591 kwam naar voren dat de regeling op dat punt nog veel vragen oproept. Het is te hopen dat het absolute karakter van de waarborg geen afbreuk zal doen aan de waardemaximaliserende potentie van het pre-insolventieakkoordproces.