Hof Arnhem-Leeuwarden, 15-01-2015, nr. 200.142.461
ECLI:NL:GHARL:2015:235
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
15-01-2015
- Zaaknummer
200.142.461
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2015:235, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 15‑01‑2015; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2014:6013, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 29‑07‑2014; (Hoger beroep)
Uitspraak 15‑01‑2015
Inhoudsindicatie
Vaststelling kinderalimentatie. Bewindvoerder is formele procespartij. Draagkracht conform nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.142.461
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 354623)
beschikking van de familiekamer van 15 januari 2015
inzake
AV Inkomensbeheer,
gevestigd te [vestigingsplaats],
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: AV Inkomensbeheer,
advocaat: mr. E.M.G. Pouls te Utrecht,
en
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W.J. Aberson te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats],verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.M.G. Pouls te Utrecht.
1. Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van het geding tot 29 juli 2014 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een journaalbericht van mr. Pouls van 2 oktober 2014 met bijlage, ingekomen op 6 oktober 2014.
1.3
Op 27 november 2014 is de mondelinge behandeling voortgezet. [A] is verschenen namens AV Inkomensbeheer, bijgestaan door mr. Pouls. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de man is mr. Pouls verschenen.
1.4
Met toestemming van de wederpartij en het hof heeft mr. Aberson ter mondelinge behandeling een inkomensspecificatie van de vrouw van oktober 2014 overgelegd.
2. De vaststaande feiten
2.1
Het huwelijk van partijen is op 1 augustus 2006 ontbonden door echtscheiding.
2.2
De vrouw en de man zijn de ouders van:
- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1998, en
- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2000,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
2.3
Bij convenant, ondertekend door partijen op 23 december 2005 en 4 januari 2006, zijn partijen met betrekking tot de minderjarige kinderen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:
“Zodra de wettelijke schuldsanering van de man is geëindigd zullen partijen in overleg een bedrag vaststellen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dan nog minderjarige kinderen dient te voldoen. Partijen zullen voor de vaststelling van dit bedrag aansluiting zoeken bij de wettelijke maatstaven en de uitwerking daarvan in de tremanormen. Indien partijen hierover niet tot overeenstemming komen kan elk van partijen vaststelling door de rechter verzoeken.”
2.4
De man, geboren op [geboortedatum] 1958, is alleenstaand.
De man ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO), die blijkens de jaaropgave van 2013 € 21.213,- bruto bedraagt. Daarnaast ontvangt hij een uitkering van Achmea Schadeverzekeringen die blijkens de jaaropgave van 2013 € 6.523,- bruto bedraagt.
Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Utrecht van 25 november 2010 zijn de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de man onder bewind gesteld, met benoeming van de stichting AV Inkomensbeheer te [vestigingsplaats] tot bewindvoerder.
2.5
De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1965, vormt met de minderjarige kinderen van partijen een gezin.
De vrouw ontvangt volgens de betalingsspecificatie van januari 2014 een arbeidsongeschiktheidsuitkering (Wajong) van € 984,63 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. De vrouw ontvangt volgens de betalingsspecificatie van juni 2014 een arbeidsongeschiktheidsuitkering (Wajong) van € 940,87 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.
3. De omvang van het geschil
3.1
In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van 1 november 2013 vastgesteld op € 150,- per kind per maand.
3.2
De man is met één algemene grief in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man. De man verzoekt het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie af te wijzen en vast te stellen op nihil.
3.3
Het hof zal de grief per onderwerp bespreken.
4. De motivering van de beslissing
4.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 29 juli 2014, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
4.2
In die beschikking heeft het hof de vrouw in de gelegenheid gesteld de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de man te voeren en iedere verdere beslissing aangehouden.
4.3
Uit de bij het onder 1.2 vermelde journaalbericht overgelegde brief van mr. Pouls blijkt dat de bewindvoerder in het geding zal verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen.
4.4
In de eerste plaats stelt de man dat zich geen relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), dat niet van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan in de zin van artikel 1:401 lid 4 BW en dat geen sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven in de zin van artikel 1:401 lid 5 BW, hetgeen er (zo begrijpt het hof) volgens de man toe leidt dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen.
4.5
Het hof overweegt daarover het volgende. Bij convenant hebben de man en de vrouw (niet meer) afgesproken (dan) dat zij, zodra de wettelijke schuldsaneringsregeling van de man is geëindigd, in overleg een bedrag aan kinderalimentatie zullen vaststellen en daarbij aansluiting zullen zoeken bij de wettelijke maatstaven en de tremanormen. Een bedrag hebben zij noch bij convenant, noch daarna vastgesteld, zodat het verzoek van de vrouw dient te worden beschouwd als een (eerste) verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie. Artikel 1:401 BW mist daarom toepassing.
4.6
Niet in geschil is de ingangsdatum van 1 november 2013 van de (eventuele) bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
4.7
De man betwist dat de behoefte van de kinderen € 150,- per kind per maand bedraagt. Hij stelt dat de behoefte - bij een netto gezinskomen van € 2.000,- per maand in 2006 en destijds vier minderjarige kinderen - € 147,50 per kind per maand bedraagt en dat partijen die kosten dienen te verdelen naar rato van hun inkomen. De vrouw betwist de door de man gestelde hoogte van de behoefte niet, zodat het hof zal uitgaan van dat bedrag.
4.8
Overeenkomstig de nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen, zal het hof het bedrag aan draagkracht van elk der ouders vanaf 1 november 2013 vaststellen aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)]. Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.
4.9
Bij het bepalen van de bijdrage die de man moet leveren in de behoefte van de kinderen, dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken. Het hof gaat daarbij, net als de man, uit van de hiervoor onder 2.4 vermelde financiële gegevens en een NBI van
€ 1.596,-, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.
4.10
Het hof stelt de draagkracht ten behoeve van de betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, conform onder 4.7 genoemde formule vast op € 180,- per maand, te weten € 90,- per kind per maand.
4.11
De man stelt dat de uitkomst niet aanvaardbaar is, nu bij de vaststelling van de draagkracht geen rekening is gehouden met een bedrag van ongeveer € 60.000,- aan schulden, te weten:
- de schuld bij Portaal van € 11.220,- en
- de schuld bij de Rabobank van € 42.000,-.
4.12
Bij het bepalen van de draagkracht van de man is rekening gehouden met een redelijk lastenpatroon. Indien de man stelt dat zijn draagkracht zodanig wordt beperkt door de werkelijk op hem drukkende lasten, zodat deze lager is dan de op basis van redelijke lasten berekende bijdrage, dan ligt het op zijn weg om deze stelling te onderbouwen. Daartoe dient de onderhoudsplichtige een volledig overzicht te geven op welke wijze hij maandelijks zijn middelen aanwendt, met specificatie van de uitgaven. Bij betwisting van de noodzaak of onvermijdelijkheid van bepaalde uitgaven, rust op hem de stel- en bewijslast van die noodzaak en onvermijdelijkheid.
4.13
De man heeft diverse bescheiden overgelegd. Deze geven echter geen compleet beeld van de daadwerkelijk beschikbare middelen uit inkomsten en vermogen en daarop drukkende uitgaven. De man heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat hij lasten heeft die onvoldoende in de beschouwing zijn betrokken bij de hiervoor berekende bijdrage van
€ 180,- per maand, te weten € 90,- per kind per maand.
Daar komt nog bij dat naar het oordeel van het hof voor zowel de schuld bij Portaal als die bij de Rabobank geldt dat deze schulden te vermijden waren nu voor de man de mogelijkheid bestond om zich van die schuld te bevrijden. De man was toegelaten tot de Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) en had op die wijze tot een zogenaamde schone lei kunnen komen. De man heeft echter met de WSNP moeten stoppen, wat aan hemzelf te wijten is.
3. De slotsom
3.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven van de man gedeeltelijk, hetgeen leidt tot een lagere bijdrage. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.
3.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft.
4. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van27 november 2013, en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 november 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] € 90,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, A.W. Beversluis en G.J. Rijken, bijgestaan door mr. C. Nijhuis als griffier, en is op 15 januari 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 29‑07‑2014
Inhoudsindicatie
Vaststelling kinderalimentatie. Bewindvoerder is formele procespartij.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.142.461
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 354623)
beschikking van de familiekamer van 29 juli 2014
inzake
Richard Antonius van der Vlist,
wonende te [woonplaats],verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.M.G. Pouls te Utrecht,
en
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W.J. Aberson te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 november 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 25 februari 2014;
- het verweerschrift, ingekomen op 31 maart 2014;
- een journaalbericht van mr. Aberson van 1 juli 2014 met bijlage, ingekomen op 2 juli 2014;
- een journaalbericht van mr. Pouls van 1 juli 2014 met bijlagen, ingekomen op 2 juli 2014.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 15 juli 2014 plaatsgevonden. De man is niet verschenen. Namens hem was aanwezig zijn advocaat. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.
3. De vaststaande feiten
3.1
Het huwelijk van partijen is op 1 augustus 2006 ontbonden door echtscheiding.
3.2
Partijen zijn de ouders van:
- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1998, en
- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2000,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De beide andere kinderen van partijen, [kind 3] en [kind 4], zijn meerderjarig.
3.3
Bij convenant, ondertekend door partijen op 23 december 2005 en 4 januari 2006, zijn partijen met betrekking tot de minderjarige kinderen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:
“Zodra de wettelijke schuldsanering van de man is geëindigd zullen partijen in overleg een bedrag vaststellen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dan nog minderjarige kinderen dient te voldoen. Partijen zullen voor de vaststelling van dit bedrag aansluiting zoeken bij de wettelijke maatstaven en de uitwerking daarvan in de tremanormen. Indien partijen hierover niet tot overeenstemming komen kan elk van partijen vaststelling door de rechter verzoeken.”
3.4
Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Utrecht van 25 november 2010 zijn de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de man onder bewind gesteld, met benoeming van de stichting AV Inkomensbeheer te [plaats] tot bewindvoerder.
4. De omvang van het geschil
4.1
In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang 1 november 2013 vastgesteld op € 150,- per kind per maand.
4.2
De man is met één algemene grief in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man. De man verzoekt het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie af te wijzen en deze vast te stellen op nihil.
5. De motivering van de beslissing
5.1
Het hof stelt het volgende voorop. Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de man (als rechthebbende), maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden (artikel 1:438 leden 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW)). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (artikel 1:441 lid 1 BW). Hiermee strookt dat de bewindvoerder in een geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. Hetzelfde geldt wanneer met betrekking tot een rechterlijke uitspraak in een zodanige procedure een rechtsmiddel wordt aangewend (Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:625).
5.2
In voormelde uitspraak heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat, indien een procedure met betrekking tot een onder bewind gesteld goed tegen de rechthebbende zelf is ingesteld door een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, de redelijke belangen van de wederpartij en het algemene belang van een vlot verlopend rechtsverkeer vergen dat het bewind niet aan de wederpartij kan worden tegengeworpen. In een zodanig geval kan de procedure dus tegen de rechthebbende zelf aanhangig worden gemaakt en worden gevoerd. In artikel 1:440 lid 1 BW ligt besloten dat een eventuele veroordeling van de rechthebbende dan op de onder bewind gestelde goederen kan worden verhaald.
Gelet op het beschermingskarakter van het bewind brengt een redelijke wetstoepassing in een zodanig geval echter mee dat, indien de bewindvoerder tijdens het geding - zolang dit niet door een onherroepelijk geworden uitspraak is geëindigd - ervan op de hoogte raakt dat de rechthebbende zelf als partij is betrokken bij een geding over een onder bewind gesteld goed, hij in dat geding kan verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen.
5.3
Hoewel in het onderhavige geval de vrouw met het bewind bekend was dan wel had behoren te zijn, zal het hof - in de lijn van voormelde uitspraak - de vrouw, als de meest gerede partij, in de gelegenheid stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de man te voeren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
alvorens verder te beslissen:
stelt de vrouw in de gelegenheid de bewindvoerder op te roepen om te verschijnen in dit geding en het hof daaromtrent te berichten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum, waarvoor partijen zullen worden opgeroepen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, E.H. Schulten en R. Feunekes, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. E.H. Schulten en is op 29 juli 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.