Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.4
Hoofdstuk III.4 Het doel van het strafproces: van afdoening van strafzaken naar betekenisvol interveniëren
Jan Crijns en Renée Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
Jan Crijns en Renée Kool
- JCDI
JCDI:ADS300735:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 334, p.12. Het betreft de beleidsreactie op de tussenevaluatie van de ZSM-werkwijze (Simon Thomas e.a. 2016).
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 334, p. 12: ‘In de ‘optimum- remediumgedachte’ is van belang dat voor een reactie op ongewenst gedrag de werkzame, werkbare en passende middelen beschikbaar zijn en dat van geval tot geval voor een bepaald middel of een mix van middelen wordt gekozen. In concrete casuïstiek zal het ‘optimum remedium’ betekenen dat de professionals in samenwerking met inzet van hun specifieke disciplines concluderen tot de meest passende reactie op een misdrijf: een betekenisvolle afdoening richting slachtoffer, dader en maatschappij.’
In dit verband worden onder meer genoemd: de inrichting van de fysieke omgeving, beveiliging, toezicht, handhaving met privaat- of bestuursrechtelijke middelen, zorg en hulpverlening.
Vgl. de in § 1.1 genoemde literatuur met betrekking tot het ontstaan van een veiligheidscultuur.
Bottoms en Tankebe stellen zich dan ook de vraag of er in het huidige maatschappelijk bestel wel ruimte is voor de aanname dat de (strafrechtelijke) autoriteiten aanspraak op gezag kunnen maken. De aanname dat dit zo zou zijn, mits de overheid op microniveau in voldoende mate tegemoet komt aan de behoefte aan procedurele rechtvaardigheid van de burgers, wordt door hen in twijfel getrokken (Bottoms en Tankebe 2012, p. 124). Zie eerder over de beperkingen van het strafrecht om tegemoet te komen aan slachtofferbehoeften Cleiren 2001 en Cleiren 2003.
Crawford bijvoorbeeld waarschuwt voor te vergaande betrokkenheid en verantwoordelijkheidstoedeling aan het slachtoffer. Hij signaleert een risico voor een ‘corporatist approach’ en bijbehorende ‘strategies of responsibalization’ (Crawford 2000, p. 290-291). Ook Ashworth (2002, p. 585), Von Hirsch, Ashworth en Shearing (2002, p. 22-24) en Bottoms (2003, p. 109-110) spreken zich in deze richting uit en benadrukken dat de door slachtoffers ten toon gespreide behoefte aan participatie niet moet worden opgevat als een aanspraak op ‘politieke zeggenschap’, maar als een op particularistische motieven ingegeven wens tot inspraak. Zie voorts Cleiren 2003.
Buruma noemt dit de miniaturisering van de strafrechtspleging (Buruma 2015). Zie voorts Lindeman 2013.
De achtergrond van de bovenbeschreven procesdifferentiatie en sanctiedifferentiatie via het buitengerechtelijk spoor lijkt blijk te geven van een fundamentele wijziging in de opvattingen van de wetgever en het beleid over het doel van strafrechtelijke rechtshandhaving. Die ontwikkeling tekende zich al langer af, maar heeft inmiddels haar beslag gekregen in de zogenoemde optimum remedium gedachte. Vertrekpunt daarbinnen is dat de van oudsher geldende opvatting dat het strafrecht als uiterste middel heeft te gelden (ultimum remedium) moet worden gerelativeerd. Sterker nog, de minister van Veiligheid en Justitie heeft de ultimum remedium gedachte ‘gekunsteld’ genoemd.1 Tegenwoordig geldt als uitgangspunt dat het strafrecht slechts één van de middelen is die de overheid ter hand staan om menselijk gedrag te sturen en daaruit voortvloeiende rechtsschendingen te voorkomen of te redresseren.2 Of inzet van het strafrecht in het individuele geval opportuun is moet worden bezien in het licht van de noties van subsidiariteit en evenredigheid alsmede in het licht van het grotere geheel van ter beschikking staande middelen.3 De mogelijkheid om strafbare feiten buitengerechtelijk af te doen en de besluitvorming daarover via de ZSM-werkwijze passen naadloos in deze nieuwe beleidsfilosofie.
Ogenschijnlijk lijkt er niet veel veranderd; de opportuniteit van het strafrechtelijk ingrijpen staat immers nog steeds voorop. Tegelijkertijd echter wordt vanuit de samenleving een groeiend appel gedaan op de strafrechtspleging om te acteren jegens (vermeende) normschenders.4 Ten behoeve daarvan wordt bovendien inspraak, inzage en verantwoording geëist door of in naam van ‘het slachtoffer’, en wordt aangedrongen op effectief normherstel via strafverzwaring.5 Optreden dat als effectief en daadkrachtig wordt ervaren, vormt zodoende de maatstaf voor de aanspraak op maatschappelijk gezag.6 Die roep om strafrechtelijke bescherming en redres vanuit samenleving en slachtoffer blijft echter niet beperkt tot zwaardere misdrijven, maar strekt zich ook uit tot allerhande lichtere vormen van onmaatschappelijk handelen. Gevolg is dat het strafrecht in toenemende mate wordt ingezet voor zaken waarbij de opportuniteit van strafvervolging kan worden betwijfeld.7 De triage via de ZSM-werkwijze, met de daarin gelegen samenloop van informatie en het achtergelegen appel om zoveel mogelijk strafrechtelijk te interveniëren waar andere middelen hebben gefaald, roept zo ook een risico voor inflatoir gebruik van het strafrecht in het leven.
In dit verband willen we dan ook met klem benadrukken dat het buitengerechtelijk spoor weliswaar de mogelijkheden biedt tot efficiënte afdoening van grote aantallen strafzaken, maar dat het ook binnen dit spoor zoveel mogelijk moet gaan om het streven strafzaken betekenisvol af te doen. Hierbij past een zorgvuldige beoordeling – mede op basis van noties als proportionaliteit en subsidiariteit – of strafrechtelijke handhaving in enigerlei vorm eigenlijk wel op haar plaats is. En indien wordt geoordeeld dat dit inderdaad het geval is, dan biedt juist de deels gedejuridiseerde en meer informele setting binnen het buitengerechtelijk spoor kansen voor op maat toegesneden afdoeningsbeslissingen. Het zou dan ook een gemiste kans zijn wanneer het buitengerechtelijk spoor door wetgever, beleid en direct betrokkenen primair vanuit de notie van efficiëntie wordt benaderd. Wij bepleiten daarom ook voor het buitengerechtelijk spoor minder nadruk op ‘kale afdoening’ van grote aantallen strafzaken en meer aandacht voor betekenisvol interveniëren in zaken die zich daarvoor lenen.