Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/8.1
8.1 Inleiding
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493415:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld: Gieske 2012 (T&C Burgerlijke Rechtsvordering), art. 705, aant. 3c, Hugenholtz & Heemskerk 2009, p. 283-284 (nr. 246), Jansen (Onrechtmatige Daad I) losbladige Kluwer, art. 162 lid 3, aant. 43, Snijders, Klaassen & Meijer 2007, p. 419-420, 451 (nrs. 405 en 434), Stein & Rueb 2009, p. 436-437.
HR 26 juni 1998, rov. 3.3, LJN ZC2682, NJ 1998, 778 (Kramer/ABN Amro). In deze zaak werd de vordering inzake immateriële schade afgewezen. Mij zijn geen praktijkgevallen bekend waarin immateriële schade in het geval van onrechtmatig beslag werd toegewezen.
HR 15 april 1965, LJN AC4076, NJ 1965, 331, m.nt. Veegens (Snel/Ter Steege). Later herhaald in o.a. HR 21 februari 1992, LJN ZC0512, NJ 1992, 321 (Van Gastel & Van de Laar q.q./Elink-Schuurman q.q.), HR 13 januari 1995, LJN ZC1608, NJ 1997, 366, m.nt. C.J.H. Brunner (Ontvanger/Bos), HR 11 april 2003, LJN AF2841, NJ 2003, 440 (HodafMondi Foods) en HR 8 februari 2008, LJN BB6191, NJ 2008, 92 (Bruns/Golden Anchor c.s.).
HR 14 juni 1996, rov. 3.3, LJN ZC2149, NJ 1997, 481, m.nt. H.J. Snijders (De Ruiterij/MBO-Ruiters).
Zie paragraaf 1.6.
Deze auteur meent dat de aansprakelijkheid van de beslaglegger voor het geval het beslag achteraf bezien ten onrechte is gelegd, de beslagene onvoldoende compensatie biedt: Klaassen 2009, p. 345.
Conclusie voor HR 13 juni 2003, LJN AF5529, NJ 2005, 77 (Daan/Bremen), onder 4.13: ‘Men kan het standpunt verdedigen dat de wettelijke pleister op de wonde voor de beslagene in geval van afwijzing van de vordering ten gronde, namelijk aansprakelijkheid van de beslaglegger voor de schade door het beslag, onvoldoende tegenwicht biedt.’
Huydecoper 2006, p. 23-24 en zijn conclusie (nr. 12 t/m 32) voor HR 5 december 2003, LJN AL7059, in «JBPr» 2004, 14, m.nt. A. van Hees (Kranenburg/Kranenburg c.s.), waarin Huydecoper een lans breekt voor het (ook) langs de weg van risicoaansprakelijkheid zonder schuld benaderen van vorderingen die gedeeltelijk onterecht zijn.
Thoe Schwartzenberg 2007, p. 134. Zelfs als de beslaglegger schadeplichtig blijkt te zijn zal de beslagene de schadevergoeding pas toegewezen krijgen bij het (in kracht van gewijsde gegane) vonnis in hoofdzaak. Al die tijd heeft hij op zijn minst hinder gehad van het beslag.
Tjittes 2002, p. 65. Voordat de schade zal zijn vastgesteld, zal geruime tijd verstreken zijn. Belangrijker is dat de gevolgschade zeer moeilijk is vast te stellen. Het gaat om een bewijs technisch moeizame procedure, die jaren kan duren.
Naar aanleiding van HR 8 februari 2008, LJN BB6196, NJ 2008, 92 (Bruns c.s./Golden Anchor c.s.) en in navolging van Huydecoper, zie: De Knijff 2009, p. 43-44.
Wanneer de beslaglegger ten onrechte beslag heeft gelegd, is deze aansprakelijk voor schade die de beslagene hierdoor heeft geleden, zo vermelden alle juridische handboeken.1 Het kan hierbij gaan om zowel vermogensschade als immateriële schade.2 De Hoge Raad heeft in bestendige rechtspraak een duidelijk standpunt ingenomen over het risico voor onterecht gelegd beslag: dit dient bij de beslaglegger te berusten:
‘(…) Dat degene die een conservatoir beslag legt, voor eigen risico handelt, met dien verstande dat de door het beslag geleden schade – bijzondere omstandigheden daargelaten – door hem moet worden vergoed (…).’3
en:
‘(…) Dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor het door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken.’4
De schadevergoeding, waartoe de beslaglegger gehouden is in geval van een onrechtmatig beslag, is bedoeld als waarborg voor de beslagene en vervult als zodanig een rol in de zin van evenwichtigheid binnen de drie pijlers en de daaraan verbonden ‘compenserende werking’.5 In de doctrine is echter kritiek te beluisteren op de bescherming die uitgaat van de regeling inzake schadevergoeding. Klaassen6 en Verkade7 spreken twijfel uit bij het tegenwicht dat de regeling inzake aansprakelijkheid biedt, Huydecoper8 is kritisch in verband met het onderscheid dat de Hoge Raad maakt in de beoordeling van geheel en deels onterecht beslag en Thoe Schwartzenberg9 en Tjittes10 noemen de langdurigheid van de procedure en de bewijstechnische problemen. De Knijff stelt dat achteraf de mogelijkheden tot het verkrijgen van schadevergoeding nogal eens kunnen tegenvallen.11