NJB 2017/1990:Bij memorie van grieven stellen appellanten een incidentele vordering in waarbij zij vorderen dat geïntimeerde bepaalde geschriften overlegt. Het hof wijst de vordering toe. Geïntimeerde legt geschriften over. Bij pleidooi in hoger beroep doen appellanten een beroep op de inhoud van de geschriften. Het hof acht dat beroep tardief. Verder merkt het hof een van de appellanten als partijgetuige aan in het geschil tussen geïntimeerde en een andere appellant. Hoge Raad: 1. Tweeconclusieregel. Het oordeel van het hof dat het betoog tardief is op de grond dat het in strijd met de tweeconclusieregel bij pleidooi naar voren is gebracht, is onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd. Onjuist is het standpunt dat appellanten het betoog hadden moeten aanvoeren in hun memorie van antwoord in incidenteel appel of in een akte. 2. Partijgetuige. Subjectieve cumulatie. De appellant kan niet als partijgetuige worden aangemerkt voor zover de procedure de verhouding tussen geïntimeerde en een andere appellant betreft. Het betreft hier immers geschilpunten die ook in afzonderlijke gedingen hadden kunnen worden berecht