Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.3.2
6.3.2 Bevoegdheden ontlenen aan de Europese subsidieregelgeving in de Nederlandse rechtsorde: een dubbele bevoegdheidsgrondslag?
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400764:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voermans 2011, p. 27 en 41; Van Wijk/Konijnenbelt&Van Male 2011, p. 34.
Voermans 2011, p. 41.
Zie artikel 5:4, eerste lid, van de Awb. Vergelijk Barkhuysen & Van Emmerik 2009, p. 116.
Van Omroeren is deze mening toegedaan. Zie Van Ommeren 1996, p. 190, p. 153-154. Zie over deze opvatting ook Schlössels 2012, p. 46; Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 31; Van Wijk/Konijnenbelt&Van Male 2011, p. 34; Den Ouden 2002, p. 158; Damen 1999, p. 49; Verheij 1989, p. 193. Zie hieromtrent ook Jans e.a. 2011, p. 20; Ortlep 2011, p. 172; Hirsch Ballin 1988, p. 69 e.v.Vergelijk ook het Duitse onderscheid tussen 'Eingriffsverwaltung' en 'Leistungsverwaltung'. Zie Verhoeven 2011, p. 144 e.v. Zij laat echter zien dat in Duitsland de meeste vormen van 'Leistungsverwaltung' inmiddels zijn gebaseerd op een wettelijke grondslag. Zie ook Van der Vlies 1984, p. 107. Zij is van mening dat de bevoegdheid tot het nemen van ingrijpende besluiten moet zijn gebaseerd op een wettelijke grondslag.
Van Omroeren 1996, p. 190 en p. 378.
Zie hieromtrent uitgebreid Den Ouden 2010, p. 689-715, in het bijzonder p. 697. Volgens het CBb gaat het daarbij om een afgeleide bevoegdheid, zie CBb 29 september 2009, AB 2009, 395, m.nt. L Sewandono. In andere uitspraken wordt van een geïmpliceerde/impliciete bevoegdheid gesproken, zie bijvoorbeeld CBb 20 oktober 2008,AB 2008, 368, m.nt. R. Ortlep. Zie ook Van Wijk/Konijnenbelt&Van Male 2011, p. 375; Albers 2009, p.177 en Van Ommeren 2002, p. 128. Verheij en in navolging daarvan Ortlep spreken van impliciete bevoegdheid; zie Verheij in punt 2 onder ABRvS 10 juli 2002, AB 2003, 123 en Ortlep 2011, p. 172. In de Duitse doctrine wordt van 'Kehrseitentheorie' gesproken. Zie hieromtrent Verhoeven 2011, p. 146. Zoals in hoofdstuk 4, paragraaf 42.10.2, besproken hanteert het Gerecht in het arrest van 15 april 2011 (T-297/05 (IPK International/Commissie), n.n.g., AB 2011, 285, m.nt. A. Drahmann en SEW 2012, p. 121-125, m.nt. C. van Dam en J.E. van den Brink) een dergelijke redenering ook wat betreft de intrekking en terugvordering van Europese subsidies.
Den Ouden 2010, p. 697.
Zie bijvoorbeeld Bellekom e.a. 2007, p. 17-19; De Haan/Drupsteen/Fernhout 2001, p. 289; Damen 1999, p. 63; Schlössels 1998, p. 112; en Damen 1987, p. 269 e.v. en p. 807 e.v. Ook Kortmann lijkt hiervan uit te gaan door te spreken van 'elk overheidsoptreden', zie Kortmann 2008, p. 51. Van Wijk/Konijnenbelt&Van Male zijn van mening dat het nationaal legaliteitsbeginsel vereist dat een wettelijke grondslag bestaat voor presterend overheidsoptreden ('Leistungsverwaltung') dat tevens ingrijpend overheidsoptreden ('Eingriffsverwaltung') is. Zie Van Wijk/Konijnenbelt&Van Male 2011, p. 35. Schlössels en Zijlstra zijn van mening dat overheidsoptreden zoveel mogelijk van een wettelijke grondslag moet zijn voorzien. Zie Schlössels & Zijlstra 2010, p. 45-46. Schlössels schrijft dat het uitgangspunt moet zijn dat alle bestuursbevoegdheid op de wet steunt of daartoe in ieder geval herleidbaar is. Een wettelijke grondslag moet preciezer zijn, naarmate het bestuur op basis van een bevoegdheid indringender kan interfereren in de rechtsbelangen van burgers. Zie Schlössels 2012, p. 49.
Zie Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 31; Den Ouden 2002, p. 158.
Zie hieromtrent ook Schlössels 2012, p. 46-47; Voermans 2011, p. 41; Damen 1999, p. 52.
Zie Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 31.
Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 132. Zie hieromtrent in het algemeen Ortlep 2011, p. 308.
Verhoeven 2010A, p. 39. Zie omtrent de democratische legitimatie van Europese verordeningen Voermans 2011, p. 33; Huisman & Jak 2010, p. 124; Voermans 2008, p. 87 e.v.; Voermans 2004, p. 36-38.
Dit geldt voor verordeningen in het algemeen. Vergelijk Huisman & Jak 2010, p. 123; Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 161; Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 25; Griffioen 2006, p. 293.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.10.2.
Zie hieromtrent ook Voermans 2011, p. 35; Verhoeven 2010, p. 39; Steyger 1996, p. 28. In hoofdstuk 3 heb ik betoogd dat ik, anders dan Verhoeven (2011, p. 227-228), Jans e.a. (2011, p. 20-21) en Van der Vlies & Widdershoven (1998, p. 30-31), van mening ben dat het beginsel van institutionele autonomie zich er niet tegen verzet dat in een Europese verordening een specifiek bevoegd nationaal uitvoeringsorgaan wordt aangewezen. In dat geval kan aan een Europese verordening ook een bevoegdheid worden ontleend. Voermans en Huisman & Jak zijn dezelfde mening toegedaan, zie Voermans 2004, p. 30 e.v.; Huisman & Jak 2010, p. 124. Zie omtrent deze discussie ook Griffioen 2006, p. 294.
Zie hieromtrent Jans e.a. 2011, p. 20.
Zie ook Ortlep in zijn annotatie bij CBb 7 januari 2011, AB 2011, 244, onder het kopje 'Verordening'.
Zie Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 234; Jans e.a. 2011, p. 21; Voermans 2011, p. 34; Verhoeven 2010A, p. 39; Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 161; Jans e.a. 2007, p. 23-29. Zie hieromtrent ook Huisman & Jak 2010, p. 123.
Jans e.a. 2011, p. 26.
Huisman & Jak 2010, p. 123.
Zie bijvoorbeeld Voermans 2004, p. 31-33 e.v.; Steyger 1996, p. 28.
Hierop wordt in paragraaf 6.3.4 verder ingegaan.
Zie ABRvS 19 april 2006, AB 2006, 296, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden JB 2006/155 (Flevo Herb 1); CBb 22 december 2009, AB 2010, 74, m.nt. R. Ortlep en CBb 22 december 2009, LJN BL0649. In deze uitspraken kwam de bestuursrechter tot het oordeel dat in het nationale recht ten onrechte geen specifiek bevoegd nationaal bestuursorgaan was aangewezen.
Zie CBb (Voorzieningenrechter) 28 augustus 2008, AB 2008, 344, m.nt. R. Ortlep; CBb 7 januari 2011, AB 2011, 244, m.nt. R. Ortlep (dit betreft de hoofdzaak); CBb 22 maart 2011, LJN BP9337.
Namelijk artikel 2, eerste lid, van deze regeling. De materiële bevoegdheid tot het opleggen van klepkeuringen is te vinden in artikel 26, vierde lid, onder b, van de Verordening nr. 1/2005: indien een bevoegde autoriteit vaststelt dat een vervoerder deze verordening niet in acht heeft genomen (...) neemt zij, zo nodig, de volgende maatregelen: b) zij onderwerpt de betrokken vervoerder aan aanvullende controles, in het bijzonder controles die de aanwezigheid van een dierenarts bij het laden van de dieren vereisen. Het rechtsgevolg van de beslissing tot het opleggen van een regime van klepkeuringen, is dat het minder zware regime van stalkeuring niet langer voldoet. Zie CBb 7 januari 2011, AB 2011, 244, m.nt. R. Ortlep, r.o. 5.5.
Dit is alleen mogelijk indien de desbetreffende bepaling zich leent voor rechtstreekse toepassing. Ortlep is van mening dat het niet onwenselijk zou zijn geweest wanneer de bepaling wel zou zijn uitgewerkt in het nationale recht (zie punt 2 van de annotatie van R. Ortlep bij CBb (Voorzieningenrechter) 28 augustus 2008, AB 2008, 344). Noodzakelijk is het echter niet.
Zie hieromtrent hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.4.
Zie hieromtrent uitgebreid hoofdstuk 4.
A. van den Brink 2004, p. 84 en Mortelmans 1982, p. 138.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 42.7.
Zie hieromtrent ook Jans e.a. 2011, p. 13 en p. 20.
Hierop wordt in de volgende paragrafen verder ingegaan.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.72.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 30 juli 2003, LJN AI0558 (gemeente Hoorn), r.o. 2.2.1 waarin de Regeling Communautair Initiatief Werkgelegenheid als samenstel van beleidsregels wordt aangemerkt. Zie ook ABRvS 30 juli 2003, LJN AI0588, r.o. 2.2.1. In deze uitspraak merkt de Afdeling de Regeling Communautair Initiatief Adapt als samenstel van beleidsregels aan. Zie voor een definitie van de beleidsregel artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Het gaat om een algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. De bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen is neergelegd in artikel 4:81 van de Awb.
Een beleidsregel bindt immers slechts het bestuursorgaan. Zie Van Wijk/Konijnenbelt 2011, p. 225; Tollenaar 2008, p. 22. Zie echter wel ABRvS 30 juli 2003, LJN A10558 (gemeente Hoorn) waaruit blijkt dat beleidsregels verbindend zijn omdat de subsidieontvanger moet geacht worden voor de aanvaarding van de subsidietoekenning tevens in de beleidsregel neergelegde voorwaarden en verplichtingen te hebben aanvaard. Uit deze uitspraak blijkt niet dat in het besluit tot subsidieverlening naar de beleidsregel is verwezen.
Dit is alleen mogelijk in bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is vrijwel nooit sprake. Zie hieromtrent bijvoorbeeld ABRvS 18 februari 2009, JB 2009/94, m.nt. Heldeweg; CRvB 15 oktober 2008, AB 2008, 380, m.nt. A. Tollenaar en ABRvS 12 december 2007, AB 2008, 25, m.nt. A. van Hall.
In dat geval moet immers sprake zijn van regels van dwingende kracht. Zie ook A. van den Brink 2004, p. 62. Een voorbeeld van een geval waarin ten onrechte een gebonden bevoegdheid uit een Europese verordening wordt neergelegd in een beleidsregel, biedt artikel 7 van de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB. Deze bepaling geeft overeenkomstig artikel 71, vijfde lid, van de Commissieverordening nr. 1122/2009 weer dat het percentage van de verlaging dat is vastgesteld moet worden vermenigvuldigd met de factor drie. Met het opnemen van deze regel in voormelde beleidsregels wordt ten onrechte de indruk gewekt dat daarvan kan worden afgeweken. Europeesrechtelijk is dat echter niet toegestaan.
Zie A. van den Brink 2004, p. 84. Het verdient opmerking dat het ministerie van EL&I momenteel bezig is met een Wet Uitvoering Structuurfondsen, waarin ook meer regels zijn te vinden dan louter de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften. Zie Kamerstukken II 2011/12, 22 112, nr. 1246, p. 13. Voor EFRO bestaat momenteel een zelfstandige amvb, kortweg het Besluit EFRO.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.
Het betrof het besluit nr. 2003/766 van de Commissie van 24 oktober 2003 tot vaststelling van noodmaatregelen om de verspreiding in de Gemeenschap van Diabrotica virgifera Le Conté (maïskever) te voorkomen, Pb. 2003, L 275/49. Blijkens artikel 8 van dit besluit is het gericht tot alle lidstaten.
CBb 18 september 2008, AB 2008, 359, m.nt. R. Ortlep.
HvJEG 21 juni 2007, C-158/06 (Stichting ROM), Jur. 2007, p. 1-5103, AB 2007, 239, m.nt. H. Griffioen en W. den Ouden. Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.3.3.
In deze paragraaf wordt bezien hoe in de Nederlandse juridische literatuur en jurisprudentie wordt omgegaan met de vraag in hoeverre Nederlandse bestuursorganen rechtstreeks bevoegdheden kunnen ontlenen aan de Europese subsidieregelgeving. In dat kader is het legaliteitsbeginsel relevant in de betekenis van de wetmatigheid van bestuur:1 een bestuur kan in beginsel alleen binden op basis van bevoegdheden die berusten op een wettelijke grondslag en is daarbij gebonden aan de wet.2 Op grond van het legaliteitsbeginsel dient het uitoefenen van controles en het opleggen van (punitieve) sancties3 in het kader van de verstrekking van subsidies wegens het ingrijpend karakter daarvan op een wettelijke grondslag te berusten.
Sommigen nemen aan dat het vereiste van een wettelijke grondslag alleen geldt voor handelen van de overheid dat de vrijheid of eigendom van de burgers beperkt.4 Een wettelijke grondslag zou niet nodig zijn voor begunstigend overheidshandelen, zoals het verstrekken van de subsidie.5 Voorts wordt aangenomen dat indien een bestuursorgaan de bevoegdheid heeft een - in hoofdzaak - begunstigend besluit te nemen, daarmee de bevoegdheid om deze beschikking in te trekken is gegeven en daarvoor geen expliciete wettelijke grondslag noodzakelijk is.6 Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid moeten wel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel in acht worden genomen.7 Er zijn echter ook auteurs die bepleiten dat voor á het overheidsoptreden een wettelijke grondslag noodzakelijk is, ongeacht of het om een belastend of begunstigend besluit gaat.8
Wat de verstrekking van Awb-subsidies betreft, is het vorenstaande achterhaald. Werd voor de totstandkoming van de subsidietitel van de Awb aangenomen dat subsidies zonder wettelijke grondslag mochten worden verstrekt,9 sinds de inwerkingtreding van de subsidietitel is dat in beginsel niet meer toegestaan.10 De terechte gedachte is dat ook door middel van subsidies diep in het leven van burgers wordt ingegrepen.11 Voorts is het nationaal-rechtelijk niet mogelijk dat het bestuursorgaan op andere gronden dan voorzien in de subsidietitel van de Awb tot intrekking of wijziging van de Awb-subsidie overgaat, behoudens uitzonderingen in een wet in formele zin.12
De vraag rijst in hoeverre een bevoegdheid tot het verstrekken van een Awb-subsidie, tot het intrekken daarvan, tot het houden van controles en het opleggen van sancties ook zou kunnen worden ontleend aan een Europese subsidieverordening. Een Europese subsidieverordening heeft immers een eigen Europese legaliteit, nu zij is vastgesteld door daartoe bevoegde Europese instellingen.13 Daarbij komt dat in artikel 288 VWEU is neergelegd dat een verordening rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaat. Problematisch is echter dat in de Europese subsidieverordeningen nooit het specifieke bevoegde Nederlandse bestuursorgaan wordt genoemd dat bevoegd is de daarin neergelegde taken en bevoegdheden uit te voeren.14 Er wordt verwezen naar 'de bevoegde autoriteiten', de lidstaat of 'de beheersautoriteit'. In hoofdstuk 4 is besproken dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie niet duidelijk blijkt of dit tot gevolg heeft dat het Europees legaliteitsbeginsel vereist dat ook een nationaalrechtelijke grondslag bestaat.15 Vanuit het Nederlandse legaliteitsbeginsel bezien, moet echter worden gecondudeerd dat Nederlandse bestuursorganen aan dergelijke Europese bepalingen geen bevoegdheid kunnen ontlenen.16 Het Europese recht staat er niet aan in de weg dat de uit hoofde van het nationale legaliteitsbeginsel nodige bevoegdheden in het nationale recht worden gecreëerd om uitvoering te geven aan het Europese recht.17 Het Nederlandse legaliteitsbeginsel vereist dat - voor zover dat in de Europese verordening niet is geregeld - in het Nederlandse recht wordt geregeld welk Nederlands bestuursorgaan bevoegd is de in de Europese subsidieverordening neergelegde taken en bevoegdheden uit te voeren.18 Dit betekent dat indien de materiële bevoegdheid is neergelegd in een Europese subsidieverordening, in het Nederlandse recht de institutionele bevoegdheid moet worden neergelegd. Dit wordt ook wel de leer van de dubbele bevoegdheidsgrondslag genoemd.19 Een louter materiële bevoegdheid in een Europese verordening leidt slechts tot een 'halve legaliteit' .20 Huisman en Jak spreken van een aanvulling naar nationaal recht van de bevoegdheidsgrondslag.21
Overigens zijn er ook auteurs die er minder problemen mee hebben dat bij het ontbreken van de institutionele bevoegdheid in het nationale recht, een bevoegdheid wordt ontleend aan het Eu-recht.22 Problematisch is in dat geval dat niet duidelijk is welk Nederlands bestuursorgaan de desbetreffende bevoegdheid dient uit te oefenen. Het zou wel zo kunnen zijn dat indien - in het geval van het verstrekken van Europese subsidies - in het nationale recht is voorzien in een institutionele bevoegdheid voor subsidieverstrekking, daarmee tevens voor het bestuursorgaan de bevoegdheid is gegeven daarmee samenhangende bevoegdheden uit te oefenen, zoals het intrekken en terugvorderen van deze subsidie en het opleggen van de Europese administratieve sancties. Vraag is wel hoe zich dit verhoudt tot de subsidietitel van de Awb die het intrekken en terugvorderen van Awb-subsidies limiteert.23
De leer van de dubbele bevoegdheidsgrondslag is ook door de Nederlandse bestuursrechters erkend. Indien een Europese verordening weliswaar een materiële bevoegdheidsgrondslag bevat, maar niet is geregeld welk specifiek Nederlands bestuursorgaan bevoegd is, is een nationaal wettelijk voorschrift noodzakelijk waarin een concreet bestuursorgaan wordt aangewezen.24 Uit een drietal uitspraken van het CBb25 waarin het gaat om de vraag in hoeverre de bevoegdheid tot het opleggen van een maatregel van klepkeuring als een besluit kan worden aangemerkt in de zin van de Awb, kan worden afgeleid dat het voldoende is dat de institutionele bevoegdheid is neergelegd in een ministeriële regeling zoals de Regeling Dierenvervoer 2007.26 Voor deze regeling geldt echter wel dat zij is gebaseerd op artikel 59a, eerste en vijfde lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, waarin is bepaald dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld voor een goede uitvoering van EG-verordeningen en dat die regels onder meer betrekking kunnen hebben op het aanwijzen van een bevoegde autoriteit. Uit de jurisprudentie van het CBb kan verder worden afgeleid dat het niet noodzakelijk is dat de bevoegdheid uit de Europese verordening is uitgewerkt; voldoende is dat is bepaald dat de minister van EL&I de bevoegde autoriteit is.27
Het is de vraag of het noodzakelijk is dat de institutionele bevoegdheid uiteindelijk is te herleiden tot een nationale wet in formele zin. Vanuit het nationaal legaliteitsbeginsel bezien komen de wetten in formele zin, afkomstig van de democratische gelegitimeerde wetgever, het primaat toe.28 Indien Europese subsidieverordeningen rechtstreeks door nationale uitvoeringsorganen kunnen worden toegepast29 zou, in het licht van de zojuist weergegeven gedachte dat Europese subsidieverordeningen een eigen legaliteit hebben, betoogd kunnen worden dat de institutionele bevoegdheid ook in een lagere nationale regeling zou kunnen worden neergelegd, zonder dat deze bevoegdheid is te herleiden tot een wet in formele zin. Het argument dat delegatie een gedeeltelijk verlies aan democratische legitimatie tot gevolg heeft, gaat in dat geval niet op; de materiële bevoegdheid is immers neergelegd in een Europese verordening. Het vaststellen van implementatiewetgeving is in die visie eerder te beschouwen als een uitvoeringshandeling dan een wetgevingshandeling.30 Hiermee wordt strikt genomen de Nederlandse eis van een wettelijke grondslag losgelaten. Daarbij valt een aantal kanttekeningen te plaatsen.
In de eerste plaats is in een Europese subsidieverordening nooit geregeld welk specifiek Nederlands bestuursorgaan de daarin neergelegde bevoegdheden gaat uitvoeren.31 Voor het verstrekken van Europese subsidies en het opleggen van in de Europese subsidieverordeningen neergelegde Europese administratieve sancties waarvoor in het Nederlandse recht geen grondslag bestaat, zoals het opleggen van een uitsluiting of een korting, is op grond van het legaliteitsbeginsel dan ook een grondslag nodig in een wet in formele zin.
Het creëren van een institutionele bevoegdheidsgrondslag in een lagere nationale regeling heeft in de tweede plaats als nadeel dat dit tot de situatie kan leiden dat op grond van een lagere nationale regeling wordt afgeweken van een wet in formele zin.32 Nu deze afwijking uiteindelijk haar oorsprong heeft in een Europese subsidieverordening die voorrang heeft op het gehele nationale recht, zou dit niet problematisch hoeven te zijn. Maar verwarrend is het wel.33
In de derde plaats geldt voor veel bepalingen die zijn neergelegd in Europese subsidieverordeningen dat de materiële normstelling op Europees niveau beperkt is. In veel gevallen ziet zij slechts op de relatie tussen de Europese Commissie en de lidstaat en niet zozeer op de relatie tussen het nationale uitvoeringsorgaan en de eindontvanger van de Europese subsidie. Van een materiële normstelling op Europees niveau is dan geen sprake. Het zal daarom noodzakelijk zijn om de voor de lidstaat geldende verplichtingen door te vertalen in de nationale subsidieverhouding. In dat kader is van belang dat het Hof van Justitie eist dat implementatie van het Europese recht moet plaatsvinden in bindende regels.34 Eenvoudige administratieve praktijken die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en die niet worden bekendgemaakt, kunnen niet worden beschouwd als een correcte uitvoering van de verplichtingen die het Europese recht oplegt. Aangenomen kan worden dat het voorgaande ook geldt voor de implementatie van de Europese subsidieregelgeving. Om bindende regels te kunnen vaststellen voor eindontvangers van de Europese subsidies is het noodzakelijk dat — voor zover de Europese subsidieverordeningen niet zijn geoperationaliseerd in algemeen verbindende voorschriften afkomstig van de formele en provinciale wetgever en de productschappen — Nederlandse bestuursorganen die Europese subsidies verstrekken de bevoegdheid hebben algemeen verbindende voorschriften vast te stellen. Deze bevoegdheid hebben zij doorgaans alleen indien de grondslag voor het verstrekken van Europese subsidies is te herleiden tot een wet in formele zin, aangenomen dat deze bevoegdheid niet in een Europese subsidieverordening is neergelegd. Indien deze bevoegdheid niet bestaat, zullen door Nederlandse bestuursorganen opgestelde regels slechts als beleidsregel kunnen worden aangemerkt.35 In een beleidsregel kunnen echter geen verplichtingen voor eindontvangers van Europese subsidies worden neergelegd.36 Daarbij komt dat op grond van artikel 4:84 van de Awb van een beleidsregel kan worden afgeweken,37 hetgeen slecht past bij bepalingen neergelegd in Europese verordeningen die geen enkele afwijking toestaan.38
In de vierde plaats geldt meer in het algemeen dat regelgeving doorgaans inzichtelijker is indien zij is te herleiden tot een wet in formele zin. Ten slotte biedt een wet in formele zin meer rechtszekerheid — een dergelijke wet kan immers minder gemakkelijk worden gewijzigd — en doet zij meer recht aan de scheiding van staatsfuncties.39
Gelet op het voorgaande, dient de bevoegdheid van Nederlandse bestuursorganen tot het verstrekken van Europese subsidies zijn te herleiden tot een wet in formele zin. Alleen zo wordt gegarandeerd dat aan alle Europese verplichtingen uitvoering kan worden gegeven. Ten tweede dient de bevoegdheid tot het houden van controles en het opleggen van sancties ook als zij hun oorsprong hebben in een Europese verordening, gelet op het ingrijpend karakter daarvan, op grond van het legaliteitsbeginsel eveneens te zijn gebaseerd op een wet in formele zin.
Het voorgaande geldt ook wat betreft gevallen waarin de Europese subsidieregelgeving is neergelegd in Europese besluiten van algemene strekking die zijn gericht tot de lidstaten. Omdat het daarbij gaat om besluiten die zijn gericht tot de lidstaat en zij — anders dan verordeningen — niet rechtstreeks toepasselijk zijn in de lidstaten, moet worden betwijfeld of aan dergelijke Europese besluiten überhaupt bevoegdheden kunnen worden ontleend. De Europese jurisprudentie biedt — zoals in hoofdstuk 4 besproken — geen volstrekte duidelijkheid.40 Indien een bepaling uit een Europees besluit van algemene strekking ten voordele van een eindontvanger van een Europese subsidie strekt en rechtstreeks werkt, dient een nationaal uitvoeringsorgaan deze bepaling ten opzichte van de eindontvanger toe te passen. Niet duidelijk is of dit ook geldt voor bepalingen die ten nadele werken van de eindontvanger van de Europese subsidie. Omdat een Europees besluit niet rechtstreeks toepasselijk is, is gericht tot de lidstaten en dus niet tot de eindontvanger van de Europese subsidie, moet mijns inziens worden geconcludeerd dat het niet mogelijk zou moeten zijn om aan daarin neergelegde bepalingen een bevoegdheid te ontlenen. Of de daarin neergelegde bepalingen voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn, doet niet ter zake. Ook het CBb heeft in een uitspraak van 18 september 2008 ten aanzien van een Europees besluit van algemene strekking dat is gericht tot de lidstaten41 geoordeeld dat daaraan pas uitvoering kan worden gegeven aan daaruit voortvloeiende Europese verplichtingen, als het nationale recht daartoe in een bevoegdheid voorziet.42 Hoewel het voor de hand had gelegen wanneer het CBb een prejudiciële vraag had gesteld, valt voor dit standpunt veel te zeggen. Voor besluiten van de Commissie die zijn gericht tot een individuele lidstaat geldt dat aan daarin (impliciet) voor de eindontvanger neergelegde verplichtingen in ieder geval geen betekenis toekomt, wanneer dit besluit niet voor hem kenbaar is. Dit volgt uit het in hoofdstuk 4 besproken arrest Stichting ROM.43
In de twee volgende paragrafen wordt dieper ingegaan op de vraag in hoeverre in de Nederlandse wetgeving is voorzien in een bevoegdheidsgrondslag voor de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving door Nederlandse bestuursorganen. In paragraaf 6.3.3 wordt besproken in hoeverre voor het verstrekken van Europese subsidies een wettelijke grondslag bestaat, overeenkomstig artikel 4:23 van de Awb. In dat verband zal ook worden ingegaan op de op deze eis bestaande uitzonderingen. Indien deze uitzonderingen van toepassing zijn, behoeft de verstrekking van de Europese subsidies niet op een wettelijke grondslag te berusten. In paragraaf 6.3.4 ga ik in op de vraag in hoeverre in de Nederlandse wetgeving is voorzien in een bevoegdheidsgrondslag voor het opleggen van administratieve maatregelen en sancties zoals voorgeschreven in de Europese subsidieregelgeving.