Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/4.2
4.2 De Wabo in het kort
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS355020:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2.1 lid 1 aanhef en onder a Wabo.
Art. 2.1 lid 1 aanhef en onder e Wabo.
Art. 2.2 lid 1 aanhef en onder g Wabo.
Art. 2.1 lid 3 Wabo.
Art. 2.19 Wabo.
Zie art. 46-46d Nb-wet 1998.
Zie art. 75b-75e Ffw.
Art. 2.4 lid 1 Wabo.
Art. 2.4 lid 2 en 3 Wabo.
Art. 2.4 lid 5 Wabo.
Art. 2.10-2.20 Wabo.
Art. 2.22 lid 2 laatste volzin Wabo.
Hfds. 4 Awb.
Art. 3.7 Wabo.
Afd. 3.4 Awb.
Volgens art. 6.2 Wtw is het verboden om stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij een daartoe strekkende vergunning is verleend door Onze Minister of, ten aanzien van regionale wateren, het bestuur van het betrokken waterschap, daarvoor vrijstelling is verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of art. 6.3 Wtw van toepassing is (art. 6.2 lid 1 Wtw). Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen ten gevolge van het gebruik van meststoffen op agrarische gronden in uiterwaarden en buitendijkse gebieden in het kader van de normale agrarische bedrijfsuitoefening, voor zover daaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Meststoffenwet (art. 6.2 lid 4 Wtw). Het is eveneens verboden met behulp van een werk, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, water of stoffen te brengen op een zuiveringtechnisch werk, tenzij een daartoe strekkende vergunning is verleend door het bestuur van het in artikel 3.4 bedoelde waterschap of daarvoor vrijstelling is verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (art. 6.2 lid 2 Wtw).
Art. 4.1 Wabo.
Art. 4.2 en 4.3 Wabo.
Art. 5.26 Wabo.
Overgangsbepalingen staan ook in art. 1.2-1.10 Invoeringswet Wabo (Stb. 2010, 142).
Stb. 2010, 143.
Stcrt. 2010, 5162. Het is mij overigens een raadsel waarom deze regeling niet wordt afgekort met Ror.
Zie par. 2.5.3.
Het wetssysteem van de Wabo bevat acht hoofdstukken. De kern van de Wabo wordt gevormd door de omgevingsvergunning. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit een aantal met name genoemde activiteiten, zoals het bouwen van een bouwwerk,1 het oprichten van een inrichting of mijn-bouwwerk,2 en het vellen of doen vellen van een houtopstand.3
Na hoofdstuk 1 Begripsbepalingen volgt hoofdstuk 2 De omgevingsvergunning dat onder meer het genoemde verbod bevat om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit een aantal met name genoemde activiteiten. Die activiteiten zijn opgesomd in artikel 2.1 lid 1 en artikel 2.2 lid 1 Wabo. Daarnaast voorziet de Wabo in de mogelijkheid om een omgevingsvergunning verplicht te stellen voor categorieën activiteiten die zijn aangewezen in een algemene maatregel van bestuur4 dan wel een provinciale, gemeentelijke of waterschapsverordening.5 Voorts kunnen ook andere wetten dan de Wabo activiteiten aanwijzen waarvoor in bepaalde gevallen een omgevingsvergunning is vereist. Voorbeelden van vergunningen voor deze zogeheten aangehaakte activiteiten6 zijn de natuurbeschermingsvergunning7 en de ontheffing op grond van artikel 75 Flora- en faunawet (Ffw).8
In hoofdstuk 2vinden we onder meer ook de bepalingen inzake de aanwijzing van het bevoegd gezag, de wijze van aanvragen, de beoordeling daarvan, alsmede de wijziging en intrekking van de omgevingsvergunning. Als bevoegd gezag zijn aangewezen burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd.9 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen echter ook Gedeputeerde Staten of een minister als bevoegd gezag worden aangewezen.10 Er kan maar één bestuursorgaan bevoegd gezag zijn.11 Ten aanzien van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project dat bestaat uit een of meer aangewezen activiteiten kent de Wabo voor elke activiteit een eigen beoordelingskader.12 De toetsingskaders zijn immers nog niet inhoudelijk geïntegreerd. De aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften moeten wel op elkaar worden afgestemd.13
Hoofdstuk 3bevat regels over de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor een project. Daarbij wordt onder meer vaak verwezen naar de relevante bepalingen in de Awb. Hoofdregel is dat de in de Awb geregelde reguliere voorbereidingsprocedure14 van toepassing is op de voorbereiding van een omgevingsvergunning.15 Als het project echter met name genoemde activiteiten omvat,16 geldt de eveneens in de Awb geregelde uitgebreide voorbereidingsprocedure.17Hoofdstuk 3 regelt voorts de procedures voor wijziging en intrekking van de omgevingsvergunning, alsmede coördinatie van de voorbereiding van een omgevingsvergunning en een watervergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet (Wtw).18
Hoofdstuk 4bevat bepalingen inzake financiële zekerheid en vergoeding van kosten en schade. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen worden aangewezen waarin een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben. Degene die die activiteit verricht kan dan worden verplicht om financiële zekerheid te stellen voor het nakomen van krachtens de omgevingsvergunning voor hem geldende verplichtingen. ook kan financiële zekerheid worden verlangd ter dekking van zijn aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit de door de activiteit veroorzaakte nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving.19Het bevoegd gezag kan degene tot wie een omgevingsvergunning of andere met name genoemde beschikking op basis van de Wabo is gericht een vergoeding van kosten en schade toekennen die hij als gevolg van die beschikking maakt.20
Hoofdstuk 5bevat aanvullingen op de bepalingen van hoofdstuk 5 Awb inzake toezicht en handhaving van het bij of krachtens de Wabo21 bepaalde. Te denken is aan afstemming en coördinatie in verband met een doelmatige handhaving, de aanwijzing van toezichthouders en opsporingsambtenaren, de last onder dwangsom, de last onder bestuursdwang en de intrekking van de omgevingsvergunning. ook kostenverhaal met betrekking tot het beheer van afvalstoffen22 is geregeld in hoofdstuk 5.
Hoofdstuk 6kent onder meer regels over de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning en andere beschikkingen krachtens de Wabo. Het gaat hier om een aanvulling op de bepalingen van de Awb. Hetzelfde geldt voor de in hoofdstuk 6 van de Wabo opgenomen regels inzake rechtsbescherming. De hoofdstukken 7 en 8 bevatten 'verdere bepalingen', alsmede overgangs- en slotbepalingen.23
De Wabo kent in een groot aantal bepalingen de verplichting of de mogelijkheid om het onderwerp van die bepalingen nader uit te werken in een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling. Dat is gebeurd in het Besluit omgevingsrecht24 (Bor) en de ministeriële Regeling omgevingsrecht (Mor).25
In geval van de Wabo kan worden gesproken van codificerende herschikking.26 Bij vergelijking van de Wabo met de daarin door herschikking opgenomen regels van omgevingsrecht blijkt dat die regels mutatis mutandis grotendeels overeenkomen met de regels die tot 1 oktober 2010 waren opgenomen in andere wetssystemen, zoals de Wet milieubeheer (Wm) en de Woningwet. De beperkte wijzigingen die zijn aangebracht zijn gewoonlijk veeleer van tekstuele en redactionele aard dan dat zij beogen de geldende rechtsopvattingen te veranderen.