Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.3.3
4.3.3 De verkeersopvatting
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644918:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De centrale vraag in deze discussie is of de verkeersopvatting de feiten of het recht behelst of dat zij een combinatie is van beide. In het eerste geval zal zij (empirisch) waarneembaar moeten zijn, in het tweede geval houdt zij ongeschreven recht in. De discussie wordt hier met rust gelaten. Voor een overzicht van de verschillende visies hieromtrent zie: Memelink (2009) en Rogmans (2007).
Memelink (2009), p. 49-55 en 86.
Memelink (2009), p. 262. Zie ook Wichers (2002), p. 31-32; Schuijling (2016), p. 103-104.
HR 28 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0131 (Steiger,Winter/Keja-Simons); HR 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, m.nt. H.J. Snijders (Prorail/Rijswijk Wonen).
HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0412 (Dépex/Bergel); Booms (2019), p. 255.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/67; Booms (2019), p. 254-255.
Zie noot bij het arrest J. Hijma, “Dépex/curatoren” Bergel c.s., AA 1992/5, p. 288; Zie ook in de conclusie van A-G. Hartkamp punt 13.
Vermeulen (2020), p. 27; Verheul WPNR 2015/7053, p. 238.
HR 06 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, m.nt. H.J. Snijders (Prorail/Rijswijk Wonen), ro. 3.5.2. Zie ook: Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019, p. 462.
HR 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, m.nt. H.J. Snijders (Prorail/Rijswijk Wonen), r.o. 3.5.2.
Memelink (2009), p. 280-284; Schuijling (2016), p. 104. Zie ook Wichers (2002), p. 36-37. Zij maakt een onderscheid tussen verkeersopvattingen die “in het recht liggen” en die “buiten het recht liggen” en ziet dit artikel dan als een verkeersopvatting uit de eerste groep. Of deze groep onder het begrip “verkeersopvatting” valt, wordt hier in het midden gelaten. In dit onderzoek worden ze aangeduid als “wettelijke regelingen”. Zie meer hierover: Memelink (2009), p. 282.
Dat vliegtuigmotoren vaak gehuurd worden is, staat in Gerechtshof ’s Hertogenbosch 15 augustus 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8293 (AAR Aircraft & Engine Group). Vreemd is echter hetgeen het Hof ’s Hertogenbosch daar ten overvloede vermeldt: “Ten overvloede merkt het hof nog op, dat ook indien de onderhavige vordering beoordeeld dient te worden naar Nederlands recht van natrekking geen sprake is. Noch door verkeersopvattingen, zoals uit het vorenstaande voldoende blijkt noch door hechte verbinding wordt de vliegtuigmotor bestanddeel van het vliegtuig. Zoals uit de verkregen informatie met name van de KLM voldoende blijkt, wordt de vliegtuigmotor immers niet zodanig met het vliegtuig verbonden, dat zij daarvan niet tamelijk eenvoudig kan worden afgescheiden en wel op een dergelijke manier, dat geen (enkele) beschadiging wordt toegebracht aan motor of vliegtuig.” Het hof lijkt hier de wettelijke bepalingen uit boek 8 BW gemist te hebben. Zie ook noot Hofland, JOR 2002/184.
Art. 8:3a lid 1 BW: “In dit wetboek worden onder luchtvaartuigen verstaan toestellen die in de dampkring kunnen worden gehouden ten gevolge van krachten die de lucht daarop uitoefent, met uitzondering van toestellen die blijkens hun constructie bestemd zijn zich te verplaatsen op een luchtkussen, dat wordt in stand gehouden tussen het toestel en het oppervlak der aarde.”
Zie ook: Memelink (2009), p. 281, voetnoot 183.
HR 14 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0505, met noot W.M. Kleijn (Hinck/Van der Werff & Visser, Love Love).
De wet noemt in art. 3:4 BW de “verkeersopvatting” als maatstaf aan de hand waarvan bestanddeelvorming respectievelijk natrekking moet worden vastgesteld. Wat houdt deze maatstaf in? Hierover bestaat discussie.1 Een definitie van het begrip is bewust niet in de wet opgenomen, zodat ruimte wordt geboden aan de (maatschappelijke) ontwikkelingen en om “recht te doen aan de diversiteit van gevallen”.2 Zo blijft het recht “elastisch” oftewel “flexibel”, waardoor het kan “meebewegen” met de tijd. De verkeersopvatting houdt een (objectieve) juridische kwalificatie van de feiten en omstandigheden in en vervult een schakelfunctie tussen deze feiten en omstandigheden en het rechtsgevolg.3 Aan de hand van de omstandigheden van het geval moet worden vastgesteld of volgens de maatschappelijke opvattingen in het verkeer sprake is van één zaak.4 Bij het vaststellen van de verkeersopvatting moet, zeker in het goederenrecht, rekening worden gehouden met de rechtszekerheid. Daarom zijn bij de vaststelling van de omstandigheden van het geval ook de opvattingen van buitenstaanders (derden) van belang en niet alleen de opvattingen van partijen.
De moeilijkheid van de verkeersopvatting is, dat zij niet altijd kenbaar is. Zo heeft de Hoge Raad in het Dépex/Curatoren-arrest een invulling gegeven aan de verkeersopvatting van art. 3:4 BW, terwijl deze invulling vóór het arrest nog niet (expliciet) vaststond. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat apparatuur en gebouw één zaak zijn, als ze “in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd.”5 In zo’n geval wordt de apparatuur nagetrokken door het gebouw. Hetzelfde geldt als een fabrieksgebouw, dat wil zeggen een gebouw dienende tot het huisvesten van een productie-inrichting, zonder apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd. Voor deze “incompleetheidstoets” is de centrale vraag of de hoofdzaak (fabrieksgebouw) zonder de nagetrokken zaak (apparatuur) aan haar economische of maatschappelijke bestemming kan voldoen.6 Daarvoor geldt dat niet gekeken moet worden naar welke functie de apparatuur vervult in het productieproces, maar slechts of het gebouw zonder de apparatuur niet meer aan zijn bestemming kan beantwoorden. Omgekeerd is ook sprake van bestanddeelvorming als het gebouw weliswaar zonder apparatuur als “compleet” te beschouwen is, maar de apparatuur na de verwijdering niet meer te gebruiken is, bijvoorbeeld omdat ze teveel is aangepast aan het gebouw.7 Het afstemmingscriterium en de incompleetheidstoetsen, brengen mee dat bestanddeelvorming op basis van de verkeersopvatting niet snel moet worden aangenomen.8 Naast deze twee handvatten gaf de Hoge Raad nog een derde handvat waarmee de verkeersopvatting achterhaald kan worden. Hij oordeelde dat in beginsel geen sprake is van bestanddeelvorming als een zaak tijdelijk met een andere zaak wordt verbonden.9 Zo levert de omstandigheid dat een zaak ten opzichte van een andere zaak een tijdelijke hulpfunctie vervult en bestemd is om daarna te worden verwijderd een aanwijzing op dat die zaak naar verkeersopvatting niet als onderdeel van de andere zaak wordt aangemerkt. Bij een tijdelijke verbinding kán echter wel sprake zijn van bestanddeelvorming, dat zou dan moeten blijken uit alle omstandigheden van het geval.10
Vermeld zij tot slot dat aan de verkeersopvatting slechts een aanvullende functie toekomt. Hiermee wordt bedoeld dat een wettelijke regel haar opzij kan zetten.11 Een voorbeeld van zo’n wettelijke regel is art. 8:3a lid 2 BW.12 Dat artikel bepaalt dat vliegtuigmotoren onderdeel zijn van het luchtvaartuig. Dat motoren in de praktijk veelvuldig gehuurd worden door vliegtuigmaatschappijen, doet hieraan niets af. In dit geval is de opvatting van de “kenners” niet van belang.13 Een wettelijke regel zorgt overigens niet altijd voor duidelijkheid. Blijkens art. 8:3a lid 2 BW zijn niet alleen motoren bestanddelen, maar ook het casco, de luchtschroeven, de radiotoestellen en alle andere voorwerpen bestemd voor gebruik in of aan het toestel. Een luchtvaartuig is volgens lid 1 een toestel dat in de dampkring kan worden gehouden.14
Wanneer precies sprake is van een “luchtvaartuig”, blijft echter onduidelijk, aangezien het casco als een bestanddeel wordt gezien.15 Is pas sprake van een “toestel” als alle in art. 8:3a lid 2 BW opgesomde zaken met elkaar zijn verbonden? En volgt uit het artikel dat bij luchtvaartuigen nooit een hoofdzaak aanwezig is? Anders dan bij een luchtvaartuig wordt bij een schip het casco gezien als de hoofdzaak, zelfs als dit schip nog niet is afgebouwd. De verkeersopvatting omtrent schepen is naar aanleiding van het Sleepboot Egbertha-arrest gecodificeerd in art. 8:1 BW. Daarin is bepaald dat voortbewegingswerktuigen en andere machinerieën bestanddeel zijn van het schip.16 Materialen die aan het casco worden bevestigd om de bouw van het schip te voltooien, worden bestanddelen van het casco.17 Het is vreemd dat voor schepen hieromtrent andere regels gelden dan voor luchtvaartuigen.