Vgl. o.m. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3225; HR 5 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:172; HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1052.
HR, 28-09-2021, nr. 19/05248
ECLI:NL:HR:2021:1337
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
28-09-2021
- Zaaknummer
19/05248
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1337, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 28‑09‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:887
ECLI:NL:PHR:2021:887, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 29‑06‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1337
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0297
Uitspraak 28‑09‑2021
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed, art. 8.2.a WVW 1994. Geen afschrift van dagvaarding in hoger beroep verzonden aan raadsvrouw van verdachte, art. 48 Sv. Aan schriftuur gehechte brief van advocaat aan strafgriffie hof, welke per fax verzonden brief blijkens aan schriftuur gehecht verzendcontrolerapport daar is binnengekomen, houdt in dat zij verdachte in h.b. als raadsvrouw bijstaat. Noch uit mededelingen gesteld op dubbel van dagvaarding in h.b. noch uit enig ander stuk dat aan HR is gezonden, kan blijken dat afschrift van die dagvaarding aan raadsvrouw is gezonden. Volgens p-v van tz. in h.b. is daar noch verdachte noch diens raadsvrouw verschenen. Uit wat hiervoor is vermeld vloeit ernstig vermoeden voort dat t.a.v. dagvaarding in h.b. voorschrift van tweede volzin van art. 48 Sv niet is nageleefd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/05248
Datum 28 september 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2019, nummer 22-005090-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N.F.M. van Osta, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in strijd met artikel 48 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsvrouw van de verdachte is gezonden.
2.2
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een brief van advocaat N.F.M. Osta, gericht aan de strafgriffie van het hof Den Haag, die volgens een verzendcontrolerapport daar is binnengekomen op 24 december 2018 en die inhoudt dat zij de verdachte in hoger beroep als raadsvrouw bijstaat.Bij de stukken bevindt zich ook het dubbel (een kopie) van de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel noch uit enig ander stuk dat aan de Hoge Raad is gezonden, kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan Osta is gezonden.Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is daar noch de verdachte noch diens raadsvrouw verschenen.
2.3
Uit wat hiervoor is vermeld vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift van de tweede volzin van artikel 48 Sv niet is nageleefd. Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2021.
Conclusie 29‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed, art. 8.2.a WVW 1994. Geen afschrift van dagvaarding in hoger beroep verzonden aan raadsvrouw van verdachte, art. 48 Sv. Aan schriftuur gehechte brief van advocaat aan strafgriffie hof, welke per fax verzonden brief blijkens aan schriftuur gehecht verzendcontrolerapport daar is binnengekomen, houdt in dat zij verdachte in h.b. als raadsvrouw bijstaat. Noch uit mededelingen gesteld op dubbel van dagvaarding in h.b. noch uit enig ander stuk dat aan HR is gezonden, kan blijken dat afschrift van die dagvaarding aan raadsvrouw is gezonden. Volgens p-v van tz. in h.b. is daar noch verdachte noch diens raadsvrouw verschenen. Uit wat hiervoor is vermeld vloeit ernstig vermoeden voort dat t.a.v. dagvaarding in h.b. voorschrift van tweede volzin van art. 48 Sv niet is nageleefd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/05248
Zitting 29 juni 2021
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij vonnis van 9 mei 2018 door de rechtbank te Rotterdam wegens “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 8 november 2019 met toepassing van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. N.F.M. van Osta, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat artikel 51 Sv [bedoeld is: artikel 48 Sv, D.A.] in hoger beroep niet is nageleefd aangezien is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsvrouw van de verdachte te zenden.
4. Bij de op de voet van artikel 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een brief van 24 december 2018 van mr. N.F.M. Osta, gericht aan de strafgriffie van het gerechtshof Den Haag, waarin zij bericht op te treden als raadsvrouw voor de verdachte in de zaak met het parketnummer 96/079971-17. Bij de stukken bevindt zich tevens een verzendcontrolerapport waaruit kan worden afgeleid dat de stelbrief op 24 december 2018 om 13:23 uur per fax is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van het gerechtshof Den Haag.
5. Voorts bevindt zich bij de stukken van het geding de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen daarop gesteld, noch uit enig ander aan de Hoge Raad toegezonden stuk kan blijken dat een afschrift van de dagvaarding aan mr. Osta is gezonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de verdachte noch diens raadsvrouw verschenen.
6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van artikel 48 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsvrouw in de weg te staan.1.
7. Het middel slaagt.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑06‑2021