Procestaal: Duits.
HvJ EU, 04-10-2018, nr. C-379/17
ECLI:EU:C:2018:806
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-10-2018
- Magistraten
M. Ilešič, A. Rosas, C. Toader, A. Prechal, E. Jarašiūnas
- Zaaknummer
C-379/17
- Conclusie
M. Szpunar
- Roepnaam
Società Immobiliare Al Bosco
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2018:806, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑10‑2018
ECLI:EU:C:2018:472, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑06‑2018
Uitspraak 04‑10‑2018
M. Ilešič, A. Rosas, C. Toader, A. Prechal, E. Jarašiūnas
Partij(en)
In zaak C-379/17,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 11 mei 2017, ingekomen bij het Hof op 26 juni 2017, in de procedure
Società Immobiliare Al Bosco Srl,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Rosas, C. Toader (rapporteur), A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: M. Aleksejev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 april 2018,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze, J. Techert en M. Hellmann als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en M. Wilderspin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 juni 2018,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 38, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een door Società Immobiliare Al Bosco Srl (hierna: ‘Al Bosco’) ingeleide procedure inzake de tenuitvoerlegging — middels inschrijving van een hypotheek op onroerend goed tot zekerheid van een schuldvordering — van een bevel tot conservatoir beslag dat is uitgevaardigd door de Tribunale di Gorizia (rechter in eerste aanleg Gorizia, Italië) tegen Gunter Hober, en uitvoerbaar verklaard in Duitsland door het Landgericht München (rechter in eerste aanleg München, Duitsland).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 2, 6, 10, 16 en 17 van verordening nr. 44/2001 luiden als volgt:
- ‘(2)
Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, zijn onontbeerlijk.
[…]
- (6)
Met het oog op het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is het nodig en passend de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in een verbindend en rechtstreeks toepasselijk besluit van de Gemeenschap neer te leggen.
[…]
- (10)
Met het oog op het vrije verkeer van beslissingen dienen beslissingen, gegeven in een lidstaat waarvoor deze verordening verbindend is, in een andere lidstaat waarvoor deze verordening verbindend is, te worden erkend en ten uitvoer gelegd […]
[…]
- (16)
Op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling is het gewettigd de in een lidstaat gegeven beslissingen van rechtswege te erkennen zonder dat daarvoor, behoudens bij betwisting, nog een procedure moet worden gevolgd.
- (17)
Eveneens op grond van dit wederzijds vertrouwen moet de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel zijn. De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing moet daarom vrijwel automatisch, zonder dat het gerecht ambtshalve een van de in deze verordening genoemde gronden voor niet-uitvoering kan aanvoeren, worden afgegeven, na een eenvoudige formele controle van de overgelegde documenten.’
4
Artikel 38, lid 1, van die verordening luidt:
‘De beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.’
5
Artikel 41 van voornoemde verordening luidt:
‘De beslissing wordt uitvoerbaar verklaard zodra de formaliteiten van artikel 53 vervuld zijn, zonder toetsing uit hoofde van de artikelen 34 en 35. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in deze stand van de procedure niet gehoord.’
6
Artikel 66, lid 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), waarbij verordening nr. 44/2001 is ingetrokken, bepaalt:
‘[V]erordening (EG) nr. 44/2001 [blijft] van toepassing op beslissingen gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld, op authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en op gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen vóór 10 januari 2015 en die onder die verordening vallen.’
Duits recht
7
§ 929, lid 2, van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: ‘ZPO’), met als opschrift ‘Formule van tenuitvoerlegging; uitvoeringstermijn’, maakt deel uit van afdeling 5, betreffende conservatoire beslagen en voorlopige voorzieningen, van boek 8 van de ZPO, dat betrekking heeft op tenuitvoerleggingsmaatregelen. De leden 2 en 3 van dit artikel luiden:
- ‘(2)
De tenuitvoerlegging van het bevel tot conservatoir beslag is onrechtmatig wanneer één maand is verstreken sinds de dag waarop het beslagbevel werd gegeven of waarop het werd betekend aan de partij die om de afgifte ervan heeft verzocht.
- (3)
Tenuitvoerlegging is toegestaan voordat het bevel tot conservatoir beslag aan de schuldenaar is betekend. Zij sorteert evenwel geen effect wanneer de betekening niet heeft plaatsgevonden binnen één week na de tenuitvoerlegging en vóór het verstrijken van de daarvoor in het vorige lid gestelde termijn.’
8
§ 932 van de ZPO, ‘Conservatoir beslag middels hypothecaire inschrijving’ bepaalt:
- ‘(1)
De tenuitvoerlegging van een onroerend conservatoir beslag […] vindt plaats door de inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van de schuldvordering […].
[…]
- (3)
Het verzoek om inschrijving van de hypotheek geldt als tenuitvoerlegging van het bevel tot conservatoir beslag in de zin van § 929, leden 2 en 3.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9
Al Bosco, een vastgoedonderneming naar Italiaans recht, heeft op 19 november 2013 van de Tribunale di Gorizia een bevel verkregen dat haar toestond om jegens Hober conservatoir beslag te leggen op zowel materiële als immateriële roerende en onroerende zaken, tot een bedrag van 1 000 000 EUR.
10
Op 22 augustus 2014 is dat bevel tot conservatoir beslag door het Landgericht München krachtens verordening nr. 44/2001 uitvoerbaar verklaard in Duitsland.
11
Op 23 april 2015 heeft Al Bosco verzocht om inschrijving van een hypotheek op de in Duitsland gelegen onroerende goederen van de schuldenaar, te weten een koopwoning en twee plaatsen in een ondergrondse parkeergarage. Dit verzoek werd door het Amtsgericht München — Grundbuchamt (rechter in eerste aanleg München, verantwoordelijk voor het kadaster, Duitsland) afgewezen.
12
Al Bosco heeft tegen de beslissing van die rechter beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht München (rechter in tweede aanleg München, Duitsland). Deze laatste heeft het beroep verworpen wegens het verstrijken van de termijn van § 929, lid 2, van de ZPO. Voornoemde rechter heeft namelijk geoordeeld dat die termijn van toepassing is op de tenuitvoerlegging van een door een Italiaanse rechter uitgevaardigde beslagleggingstitel, die na de erkenning ervan in Duitsland vergelijkbaar is met een door een Duitse rechter uitgevaardigde beslagleggingstitel. Bovendien overwoog hij dat deze bepaling geen betrekking heeft op de geldigheid van een in een andere lidstaat verkregen beslagleggingstitel, maar op de tenuitvoerlegging ervan, waarop de lex fori van toepassing is.
13
Op 15 juni 2016 heeft Al Bosco hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van het Oberlandesgericht München. In dit hoger beroep voert Al Bosco aan dat de tenuitvoerleggingstermijn van artikel 675 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering — dat bepaalt dat het bevel dat toestemming verleent voor de beslaglegging, zijn effect verliest indien het niet binnen 30 dagen na uitvaardiging ten uitvoer wordt gelegd — is nageleefd, aangezien de beslaglegging heeft plaatsgevonden binnen 30 dagen na het bevel van 30 november 2013. Zij stelt dat niet kan worden vereist dat naast de termijn op grond van het Italiaanse recht ook de termijn uit het Duitse recht in acht wordt genomen.
14
De verwijzende rechter vraagt zich af of een nationale bepaling als § 929, lid 2, van de ZPO verband houdt met de uitvoerbaarheid van een bevel dat toestemming verleent tot conservatoir beslag en dat overeenkomstig artikel 38 van verordening nr. 44/2001 valt onder het recht van de lidstaat waar die titel is verstrekt, dan wel of deze bepaling betrekking heeft op de tenuitvoerlegging in eigenlijk zin van een in een andere lidstaat uitgegeven executoriale titel, in welk geval de toepasselijke regels in beginsel die van de aangezochte lidstaat zijn.
15
De verwijzende rechter merkt op dat de grondslag van de gedwongen tenuitvoerlegging in Duitsland van een beslagleggingstitel die in een andere lidstaat is verstrekt, de nationale verklaring van uitvoerbaarheid is. Indien wordt verzocht om de inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van schuldvordering, moet het kadaster autonoom onderzoeken of aan de uit het Duitse recht voortvloeiende tenuitvoerleggingsvoorwaarden is voldaan. Volgens de verwijzende rechter heeft de appelrechter immers terecht — en zonder dat dit in kader van het hoger beroep wordt betwist — het in Italië uitgesproken conservatoire beslag, gelet op de functie ervan, gekwalificeerd als een beslagleggingstitel naar Duits recht, die overeenkomstig § 932 van de ZPO ten uitvoer is gelegd middels het verzoek tot inschrijving van een hypotheek. Derhalve zijn in het onderhavige geval de tenuitvoerleggingsvoorwaarden van toepassing die zijn vastgelegd in Duitse bepalingen inzake de tenuitvoerlegging van titels tot conservatoir beslag, met name § 929, lid 2, van de ZPO.
16
De verwijzende rechter geeft aan dat wanneer de termijn van § 929, lid 2, van de ZPO is verstreken, het bevel tot conservatoir beslag niet meer ten uitvoer kan worden gelegd. De verwijzende rechter preciseert in dit verband dat wanneer deze termijn wordt toegepast op beslissingen die in een andere lidstaat zijn genomen, hij wordt berekend vanaf de datum van kennisgeving van de verklaring van uitvoerbaarheid aan de schuldeiser. Deze regeling strekt tot bescherming van de schuldenaar, teneinde te voorkomen dat op basis van een summiere procedure in kort geding gegeven beslissingen, gedurende relatief lange tijd en ondanks eventueel gewijzigde omstandigheden uitvoerbaar blijven.
17
De verwijzende rechter meent dat — zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof — vanuit technisch-juridisch oogpunt de tenuitvoerleggingstermijn onder het nationale recht van de aangezochte rechter valt, zonder te worden beheerst door verordening nr. 44/2001 (arresten van 3 oktober 1985, Capelloni en Aquilini, 119/84, EU:C:1985:388, punt 16; 29 april 1999, Coursier, C-267/97, EU:C:1999:213, punt 28, en 28 april 2009, Apostolides, C-420/07, EU:C:2009:271, punt 69). Hiernaast heeft deze termijn tot gevolg dat de uitvoerbaarheid van de titel na verloop van een bepaalde tijd eindigt. Het effect van die termijn verschilt uiteindelijk niet van dat van de ongeldigverklaring van een titel in het kader van de beroepsprocedure. Dientengevolge zou de toepassing van deze termijn op een in een andere lidstaat uitgevaardigd bevel tot conservatoir beslag in strijd kunnen zijn met de rechtspraak van het Hof, volgens welke de toepassing van de procedureregels van de lidstaat van tenuitvoerlegging geen afbreuk mag doen aan de in verordening nr. 44/2001 neergelegde beginselen (arresten van 3 oktober 1985, Capelloni en Aquilini, 119/84, EU:C:1985:388, punt 21, en 28 april 2009, Apostolides, C-420/07, EU:C:2009:271, punt 69).
18
Tot slot wijst deze rechter erop dat de nationale rechtspraak en de rechtsleer verdeeld zijn op het punt van de draagwijdte van § 929, lid 2, van de ZPO. Sommige Duitse rechters hebben in dit verband geoordeeld dat deze bepaling betrekking heeft op de uitvoerbaarheid van het bevel tot goedkeuring van een conservatoir beslag en alleen van toepassing kan zijn op Duitse beslagleggingstitels, terwijl anderen overwegen dat voornoemde bepaling tevens van toepassing is op beslagleggingstitels die zijn verstrekt in andere lidstaten en in Duitsland uitvoerbaar zijn verklaard. De appelrechter was van mening dat in het kader van de exequaturprocedure zowel de naleving moet worden onderzocht van de tenuitvoerleggingstermijn naar het recht van de lidstaat van herkomst, als van de termijn die is voorzien in het recht van de lidstaat die is aangezocht voor de tenuitvoerlegging in eigenlijke zin.
19
Bovendien merkt de verwijzende rechter als element van rechtsvergelijking op dat de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) van mening is dat de uitvoeringstermijn van 5 jaar van artikel 518 van de Ley de Enjuiciamiento Civil (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), die met name van toepassing is op rechterlijke uitspraken, tevens dient te worden toegepast op uitspraken die in andere lidstaten zijn gegeven en in Spanje uitvoerbaar zouden moeten worden verklaard.
20
Daarop heeft het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Is het in overeenstemming met artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001, dat een in het recht van de staat van tenuitvoerlegging gestelde termijn, op grond waarvan een titel na verloop van een bepaalde periode niet meer ten uitvoer mag worden gelegd, ook wordt toegepast op een functioneel vergelijkbare titel die in een andere lidstaat is afgegeven en in de staat van tenuitvoerlegging is erkend en uitvoerbaar is verklaard?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
21
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 38 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een wettelijke regeling van een lidstaat — zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding — waarbij een termijn is gesteld voor de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag, wordt toegepast ingeval een dergelijk bevel in een andere lidstaat is uitgevaardigd en in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is verklaard.
22
Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat krachtens artikel 66, lid 2, van verordening nr. 1215/2012, verordening nr. 44/2001 van toepassing blijft op beslissingen die zijn gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld vóór 10 januari 2015 en die binnen de werkingssfeer van laatstgenoemde verordening vallen. Dit is in casu het geval, aangezien het bevel op grond waarvan de in Italië uitgevaardigde titel tot conservatoir beslag in Duitsland uitvoerbaar is verklaard, dateert van 22 augustus 2014.
23
Blijkens de bewoordingen van artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001 kunnen de beslissingen die in een lidstaat zijn gegeven en daar uitvoerbaar zijn, in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.
24
Zoals volgt uit artikel 41 van verordening nr. 44/2001, dienen de autoriteiten van de aangezochte lidstaat zich, met het oog op de afgifte van de uitvoerbaarverklaring van een beslissing die is gegeven in een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, te beperken tot een louter formele toetsing van de krachtens artikel 53 van die verordening vereiste documenten (zie in die zin arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C-139/10, EU:C:2011:653, punten 28-30).
25
Dat het hier een beperkte controle betreft vindt zijn rechtvaardiging in het doel van de exequaturprocedure, dat er niet in bestaat een nieuwe procedure in te leiden, maar veeleer, op basis van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de lidstaten, ermee in te stemmen dat de beslissing die is gegeven door een rechterlijke instantie van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, in de aangezochte lidstaat wordt uitgevoerd door deze in diens rechtsorde op te nemen. Dankzij deze procedure kan een beslissing die in een andere dan de aangezochte lidstaat is gegeven, in deze laatste lidstaat de gevolgen sorteren die een binnenlandse executoriale titel heeft (zie in die zin arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C-139/10, EU:C:2011:653, punt 31).
26
Tevens moet in herinnering worden gebracht dat verordening nr. 44/2001 enkel regels stelt voor de exequaturprocedure voor executoriale titels die zijn verstrekt door een rechter van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, en niet voor de tenuitvoerlegging zelf, die onderworpen blijft aan het nationale recht van de aangezochte rechter, waarbij de toepassing van de procedureregels van de aangezochte lidstaat in het kader van de tenuitvoerlegging, geen afbreuk mag doen aan de nuttige werking van de exequaturregeling van die verordening door de beginselen te doorkruisen die deze verordening uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend met betrekking tot de onderhavige materie stelt (arrest van 28 april 2009, Apostolides, C-420/07, EU:C:2009:271, punt 69).
27
In de eerste plaats dient dus te worden bepaald of de in § 929, lid 2, van de ZPO voorziene termijn verband houdt met de uitvoerbaarheid van een bevel dat toestemming verleent tot conservatoir beslag en dat is verstrekt door een rechter in een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, dan wel of die bepaling betrekking heeft op de tenuitvoerlegging in eigenlijke zin.
28
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het doel van de exequaturprocedure de erkenning van de effecten van een in een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat gegeven beslissing is. Deze erkenning betreft de specifieke kenmerken van die beslissing, waarbij de feitelijke en juridische elementen met betrekking tot de uitvoering van de eruit voortvloeiende verplichtingen buiten beschouwing blijven (arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C-139/10, EU:C:2011:653, punt 39).
29
In het onderhavige geval volgt uit de verwijzingsbeslissing dat het door het Tribunale di Gorizia (rechter in eerste aanleg Gorizia, Italië) uitgevaardigde bevel tot conservatoir beslag overeenkomstig de exequaturregels uitvoerbaar is verklaard in Duitsland.
30
Blijkens de bepalingen van Duits recht, en met name § 932, lid 1, van de ZPO, wordt een bevel tot conservatoir beslag op onroerend goed ten uitvoer gelegd door inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van schuldvordering in het kadaster. Daarnaast is de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag niet toegestaan na het verstrijken van de in § 929, lid 2, van de ZPO gestelde termijn. Zoals volgt uit de verwijzingsbeslissing beperkt deze termijn de gedwongen tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag, maar niet de geldigheid ervan.
31
Zowel de inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van schuldvordering bij de voor het kadaster verantwoordelijke dienst, als de termijn die voor deze inschrijving geldt, behoort tot de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag dat is uitgevaardigd door een rechter van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, zoals het bevel dat aan de orde is in het hoofdgeding, dat uitvoerbaar is als gevolg van de erkenning ervan in de aangezochte lidstaat. Zij vallen dus onder de procedurele regels die in het Duitse recht zijn vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van bevelen die toestemming verlenen tot conservatoir beslag.
32
Het feit dat de toepassing van een tenuitvoerleggingstermijn, zoals die in § 929, lid 2, van de ZPO, een beperking in de tijd vormt van de uitvoerbare effecten van een door een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat gegeven beslissing, doet niet af aan de uitlegging volgens welke deze termijn betrekking heeft op de fase van tenuitvoerlegging in eigenlijke zin.
33
Aangezien de tenuitvoerlegging in eigenlijke zin van een beslissing die is gegeven door een rechter van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, en in die lidstaat uitvoerbaar is, door de Uniewetgever niet is geharmoniseerd, zijn de procedurele regels van de aangezochte lidstaat inzake tenuitvoerlegging van toepassing.
34
In het bijzonder moet worden vastgesteld dat, aangezien verordening nr. 44/2001 geen regels bevat betreffende de tenuitvoerlegging van beslissingen die zijn gegeven door een rechter van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, het deze laatste vrijstaat om in zijn rechtsorde te voorzien in toepassing van een termijn voor de tenuitvoerlegging van dergelijke beslissingen, die in deze laatste lidstaat zijn erkend en uitvoerbaar verklaard.
35
Wanneer die beslissing eenmaal in de rechtsorde van de aangezochte lidstaat is opgenomen, gelden daarvoor volgens vaste rechtspraak de nationale bepalingen van die laatste staat betreffende de tenuitvoerlegging op gelijke wijze als voor beslissingen die door een nationale rechter zijn gegeven (arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C-139/10, EU:C:2011:653, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Alleen de procedurele bepalingen van de aangezochte lidstaat zijn van toepassing. De gerechten van de aangezochte lidstaat zijn immers niet gehouden om eventuele bepalingen van het nationale recht van de lidstaat van herkomst toe te passen, die voor de tenuitvoerlegging van door de gerechten van de lidstaat van herkomst gegeven beslissingen voorzien in andere termijnen dan die welke zijn vastgelegd in het recht van de aangezochte lidstaat.
37
Deze uitlegging wordt gestaafd door overweging 26 van verordening nr. 1215/2012, gelezen in samenhang met artikel 39 ervan, waarin de in punt 35 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak is vervat, en volgens welke iedere beslissing die door de gerechten van een lidstaat is gegeven, op dezelfde manier moet worden behandeld als een beslissing die in de aangezochte lidstaat is gegeven.
38
Vanuit een breder systematisch oogpunt moet worden opgemerkt dat voornoemde uitlegging tevens steun vindt in artikel 23 van verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PB 2014, L 189, blz. 59), volgens hetwelk de tenuitvoerlegging van het bevel tot conservatoir beslag geschiedt volgens de procedures die gelden voor de tenuitvoerlegging van gelijkwaardige nationale bevelen in de lidstaat van tenuitvoerlegging.
39
Het feit dat de niet-naleving door verzoeker van de termijn van § 929, lid 2, van de ZPO tot gevolg heeft dat de tenuitvoerlegging van een door een rechter van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat gegeven bevel dat toestemming verleend voor een conservatoir beslag, niet meer mogelijk is middels inschrijving van een hypotheek tot garantie van schuldvordering in het kadaster van de aangezochte lidstaat, terwijl dit bevel uitvoerbaar blijft in de lidstaat van herkomst, kan niet afdoen aan een dergelijke uitlegging.
40
De erkenning dient immers in beginsel weliswaar tot gevolg te hebben dat aan de beslissingen het gezag en het effect worden verleend die zij genieten in de lidstaat waarin zij zijn gegeven, maar dat is nog geen reden om aan een beslissing — bij de tenuitvoerlegging ervan — gevolgen te verbinden die een soortgelijke, rechtstreeks in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing niet zou hebben (zie in die zin arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C-139/10, EU:C:2011:653, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Vastgesteld moet worden dat de toepassing van een termijn zoals die van § 929, lid 2, van de ZPO voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit de in het voorgaande punt genoemde rechtspraak.
42
Wanneer een door een rechter, zoals de Italiaanse rechter in het hoofdgeding, uitgevaardigd bevel tot conservatoir beslag eenmaal uitvoerbaar is verklaard in Duitsland, kan het immers in die lidstaat hetzelfde gezag en dezelfde doeltreffendheid krijgen als in de lidstaat van herkomst. Daarnaast zou het buiten toepassing laten van de tenuitvoerleggingstermijn van § 929, lid 2, van de ZPO voor gelijksoortige beslissingen in de aangezochte lidstaat tot gevolg hebben dat bevelen tot conservatoir beslag die in een andere lidstaat dan de Bondsrepubliek Duitsland zijn uitgevaardigd, na uitvoerbaar te zijn verklaard, andere gevolgen zouden hebben dan die welke het nationale recht toebedeelt aan bevelen tot conservatoir beslag die door een nationale rechter zijn uitgevaardigd, en met name zouden zij zonder beperking in de tijd of gedurende een onevenredig langere periode dan geldt voor nationale beslissingen ten uitvoer kunnen worden gelegd.
43
Een uitlegging volgens welke een voor de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag vastgestelde termijn samenhangt met de uitvoerbaarheid van beslissingen, die wordt beheerst door het procedurele recht van de lidstaat van herkomst, waardoor de door deze laatste eventueel vastgestelde tenuitvoerleggingstermijn zou moeten worden toegepast op de tenuitvoerlegging van bevelen tot conservatoir beslag die door een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat zijn uitgevaardigd en in laatstgenoemde lidstaat uitvoerbaar zijn, zou een onevenredige last met zich meebrengen voor de autoriteiten die belast zijn met de tenuitvoerlegging. Zoals de verwijzende rechter vermeldt in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing, kan de Duitse voor het kadaster verantwoordelijke autoriteit niet bepalen of het recht van de lidstaat waar het bevel tot conservatoir beslag is gegeven voorziet in een tenuitvoerleggingstermijn, noch hoe dat bevel ten uitvoer zou moeten worden gelegd, en kan zij evenmin bevoegd zijn om een rechtsvoorschrift van die lidstaat toe te passen.
44
In de tweede plaats dient, zoals volgt uit punt 26 van het onderhavige arrest, te worden onderzocht of de toepassing van de procedureregels van de aangezochte lidstaat in het kader van de tenuitvoerlegging, afbreuk kan doen aan de nuttige werking van het stelsel van verordening nr. 44/2001.
45
Wat de doelstellingen van verordening nr. 44/2001 betreft, blijkt uit de overwegingen 2, 6, 16 en 17 dat deze tot doel heeft, het vrije verkeer van beslissingen uit de lidstaten in burgerlijke en handelszaken te verzekeren door de formaliteiten voor een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging daarvan te vereenvoudigen (arrest van 7 juli 2016, Lebek, C-70/15, EU:C:2016:524, punt 33).
46
Deze doelstelling mag echter niet worden bereikt ten koste van een ander belangrijk beginsel, dat van de rechtszekerheid van inschrijvingen in het kadaster, zowel ter bescherming van de houders van de aldaar ingeschreven rechten, als ter bescherming van derden.
47
Een dergelijke tijdsbeperking van de tenuitvoerlegging wordt tevens gerechtvaardigd door de aard van de procedure tot conservatoir beslag, die gekenmerkt wordt door zijn voorlopige karakter, aangezien daarbij in het algemeen geldt dat spoedeisendheid geboden is teneinde te waarborgen dat een schuldvordering die dreigt niet te kunnen worden geïnd, wordt terugbetaald. Deze opvatting wordt gedeeld door het merendeel van de lidstaten, met het oog op de waarborging van de rechtszekerheid bij het innen van schuldvorderingen.
48
Zoals de verwijzende rechter opmerkt, beoogt deze tijdsbeperking te beletten dat op basis van een summiere procedure gegeven beslissingen gedurende lange tijd en ondanks eventueel gewijzigde omstandigheden uitvoerbaar blijven.
49
Bovendien doet een tenuitvoerleggingstermijn voor bevelen tot conservatoir beslag, zoals die van § 929, lid 2, van de ZPO, niet af aan het nuttig effect van verordening nr. 44/2001, aangezien beslissingen die in een andere lidstaat dan de Bondsrepubliek Duitsland zijn genomen, in beginsel van rechtswege worden erkend en uitvoerbaar verklaard in laatstgenoemde lidstaat, zodat de doelstelling van deze verordening om het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen te waarborgen, in acht wordt genomen. Deze termijn die naar het recht van de aangezochte lidstaat wordt toegepast als procedurele regel voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot conservatoir beslag, vormt een voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van een uitvoerbare titel.
50
De termijn van een maand die is vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot conservatoir beslag, waaronder bevelen die zijn uitgevaardigd door de gerechten van andere lidstaten dan de aangezochte lidstaat, die wordt berekend vanaf de datum waarop de exequaturverklaring aan de schuldeiser is medegedeeld, houdt geen reëel risico in dat de schuldeiser een uitvoerbaar bevel tot conservatoir beslag dat is uitgevaardigd in een andere lidstaat, niet ten uitvoer kan leggen in de aangezochte lidstaat.
51
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat op de gestelde vraag moet worden geantwoord dat artikel 38 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een wettelijke regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, waarbij een termijn is gesteld voor de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag, wordt toegepast ingeval een dergelijk bevel in een andere lidstaat is uitgevaardigd en in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is verklaard.
Kosten
52
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 38 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een wettelijke regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, waarbij een termijn is gesteld voor de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag, wordt toegepast ingeval een dergelijk bevel in een andere lidstaat is uitgevaardigd en in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is verklaard.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑10‑2018
Conclusie 20‑06‑2018
M. Szpunar
Partij(en)
Zaak C-379/171.
Società Immobiliare Al Bosco Srl
[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
In het kader van verordening (EG) nr. 44/20012. kan een in een lidstaat gegeven beslissing tot conservatoir beslag in beginsel in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd nadat deze beslissing in die laatste lidstaat uitvoerbaar is verklaard. Toch laat de wijze waarop beslissingen tot conservatoir beslag ten uitvoer worden gelegd, grote verschillen zien. Daarom is niet duidelijk uit te maken welke bepalingen van het recht van de lidstaat waar om tenuitvoerlegging wordt verzocht, van toepassing zijn bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen. Dat is de achtergrond van het hoofdgeding.
2.
Deze prejudiciële verwijzing biedt het Hof de gelegenheid om te antwoorden op de vraag of onder vigeur van verordening nr. 44/2001 een nationaalrechtelijke bepaling van de lidstaat waar om tenuitvoerlegging wordt verzocht, die de termijn vaststelt waarbinnen een schuldeiser een beslissing tot conservatoir beslag moet uitvoeren, van toepassing is op dit soort van een andere lidstaat afkomstige beslissingen.
3.
Meer in het bijzonder heeft de verwijzende rechter twijfel over de toepassing van een bepaling van Duits recht, te weten § 929, lid 2, van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke procesvordering; hierna: ‘ZPO’), in het kader van het hoofdgeding dat de tenuitvoerlegging van een door Italiaanse autoriteiten gegeven beslissing tot conservatoir beslag betreft.3.
4.
De relevantie van het door het Hof in casu te wijzen arrest gaat evenwel verder dan de in deze zaak betrokken lidstaten. Het betreft namelijk een problematiek die van belang kan zijn voor alle lidstaten waarvan het nationaal recht een termijn stelt voor indiening van een verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing tot conservatoir beslag. Deze problematiek zou overigens ook rijzen in het kader van verordening (EU) nr. 1215/20124., die in de plaats is gekomen van verordening nr. 44/2001.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Verordening nr. 44/2001
5.
Hoofdstuk III van verordening nr. 44/2001, waarin de artikelen 32 tot en met 58 van deze verordening zijn neergelegd, regelt in wezen de erkenning en de tenuitvoerlegging van door de gerechten van de lidstaten gegeven beslissingen, waaronder ook de procedure tot verkrijging van verlof tot tenuitvoerlegging (hierna: ‘exequaturprocedure’).
6.
Artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001 luidt als volgt:
‘De beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.’
2. Verordening nr. 1215/2012
7.
Hoofdstuk III van verordening nr. 1215/2012 bevat de artikelen 36 tot en met 57 en heeft betrekking op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen die door de gerechten van de lidstaten zijn gegeven. Bij de vaststelling van verordening nr. 1215/2012 heeft de Uniewetgever evenwel het stelsel van automatische erkenning en tenuitvoerlegging ingevoerd. Daartoe bepaalt artikel 39 van verordening nr. 1215/2012 dat in andere lidstaten gegeven beslissingen ten uitvoer kunnen worden gelegd zonder dat de exequaturprocedure hoeft te worden toegepast.
8.
Verder luidt artikel 41, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 als volgt:
‘Onder voorbehoud van het bepaalde in deze afdeling, wordt de procedure voor tenuitvoerlegging van in een andere lidstaat gegeven beslissingen beheerst door het recht van de aangezochte lidstaat. Een in een lidstaat gegeven beslissing die in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is, wordt er onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing.’
B. Duits recht
9.
§ 929, lid 2, ZPO bepaalt:
‘De uitvoering van het beslagbevel is onrechtmatig wanneer één maand is verstreken sinds de dag waarop het beslagbevel werd gegeven of waarop het werd betekend aan de partij die om de afgifte ervan heeft verzocht.’
10.
Verder bepaalt § 932, leden 1 en 3, ZPO:
- ‘(1)
De uitvoering van een onroerend beslag […] vindt plaats door de inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van de schuldvordering […].
[…]
- (3)
Het verzoek tot inschrijving van de hypotheek geldt in de zin van § 929, leden 2 en 3, als uitvoering van het beslagbevel.’
III. Feiten van het hoofdgeding
11.
Op 19 november 2013 heeft de Società Immobiliare Al Bosco Srl, een vennootschap naar Italiaans recht, bij de Tribunale di Gorizia (rechter in eerste aanleg Gorizia, Italië) een beslissing tot conservatoir beslag (sequestro conservativo) verkregen tot een bedrag van een miljoen EUR op roerende en onroerende zaken van Gunter Hober (hierna: ‘verweerder’).
12.
Bij beslissing van 22 augustus 2014 heeft de bevoegde rechter de beslissing in Duitsland uitvoerbaar verklaard.
13.
Meer dan acht maanden later, op 23 april 2015, heeft verzoekster tot zekerheid van haar schuldvordering verzocht om inschrijving van een hypotheek op een in Duitsland gelegen onroerende zaak van verweerder.
14.
Deze aanvraag tot inschrijving is door de rechter in eerste aanleg afgewezen.
15.
Vervolgens heeft de appelrechter het beroep dat verzoekster tegen die beslissing had ingesteld, verworpen. Volgens deze rechter mocht de hypotheek niet worden ingeschreven, omdat verzoekster de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn niet had nageleefd.
16.
Volgens de appelrechter stemt de op artikel 38 van verordening nr. 44/2001 gebaseerde uitvoerbaarheid van een in een andere lidstaat gegeven beslissing in wezen overeen met de uitvoerbaarheid die ter zake van een overeenkomstige binnenlandse beslissing is verleend. Daarbij is de tenuitvoerlegging zelf van een in een andere lidstaat gegeven beslissing onderworpen aan de lex fori.
17.
Voorts is, naar het oordeel van de appelrechter, het beslag naar Italiaans recht (sequestro conservativo) vergelijkbaar met het conservatoir beslag naar Duits recht. Om die reden zouden in het hoofdgeding de op een dergelijke beslissing toepasselijke procedureregels, en dus § 929, lid 2, ZPO, in acht moeten worden genomen.
18.
Met haar cassatieberoep met betrekking tot een rechtsvraag dat de appelrechter had toegestaan, dat bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) is ingediend, handhaaft verzoekster haar verzoek tot inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van de schuldvordering.
IV. Prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
19.
In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Is het in overeenstemming met artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001, dat een in het recht van de staat van tenuitvoerlegging gestelde termijn, op grond waarvan een titel na verloop van een bepaalde periode niet meer ten uitvoer mag worden gelegd, ook wordt toegepast op een functioneel vergelijkbare titel die in een andere lidstaat is afgegeven en in de staat van tenuitvoerlegging is erkend en uitvoerbaar is verklaard?’
20.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 26 juni 2017 ingekomen op de griffie van het Hof.
21.
Alleen de Commissie heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. De Duitse regering en de Europese Commissie hebben pleidooi gehouden ter terechtzitting van 11 april 2018.
V. Bespreking
22.
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de toepassing van een in het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging gestelde termijn op grond waarvan een beslissing tot conservatoir beslag na verloop van een bepaalde periode niet meer ten uitvoer mag worden gelegd, op een in een andere lidstaat gegeven beslissing tot conservatoir beslag in overeenstemming is met artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001.
23.
Om de prejudiciële vraag, zoals deze door de verwijzende rechter is geformuleerd, te kunnen beantwoorden moet in wezen worden vastgesteld of een bepaling van het recht van de staat van tenuitvoerlegging, op grond waarvan een beslissing tot conservatoir beslag na verloop van een bepaalde periode niet meer ten uitvoer mag worden gelegd, verband houdt met de uitvoerbaarheid van de beslissing, die valt onder het recht van de lidstaat waar deze beslissing is gegeven (lidstaat van herkomst), dan wel moet worden beschouwd als een bepaling inzake de tenuitvoerlegging uit het recht van de lidstaat waar is verzocht om de beslissing ten uitvoer te leggen (de aangezochte lidstaat).
24.
De verwijzende rechter gaat uit van de veronderstelling dat het Italiaanse conservatoire beslag, wat zijn functie betreft, moet worden beschouwd als een conservatoir beslag naar Duits recht. In dat verband heeft de verwijzende rechter twijfels over het antwoord op de vraag of in casu de tenuitvoerlegging van de Italiaanse beslissing in Duitsland wordt geregeld door de Duitse bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van beslissingen tot conservatoir beslag.
25.
De verwijzende rechter geeft enerzijds aan dat juridisch-technisch gezien de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn — anders dan bijvoorbeeld een bepaling inzake de verjaring van door een titel verleende rechten — geen verband houdt met het materieel recht. In dat opzicht zou deze termijn kunnen vallen onder het tenuitvoerleggingsrecht zelf, waarop verordening nr. 44/2001 niet ziet.
26.
Anderzijds erkent de verwijzende rechter dat de toepassing van de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn tot gevolg heeft dat de uitvoerbaarheid van de titel eindigt door het verstrijken van een bepaalde tijd. Het effect van die termijn verschilt uiteindelijk niet van die van een nietigverklaring van een titel in de beroepsprocedure. In dat verband vraagt de verwijzende rechter zich af of een dergelijke beperking van de duur van een beslissing tot conservatoir beslag op grond van het recht van de aangezochte lidstaat onverenigbaar kan zijn met de rechtspraak van het Hof, volgens welke de toepassing van de procedureregels van de lidstaat van tenuitvoerlegging geen afbreuk mag doen aan de in verordening nr. 44/2001 neergelegde beginselen.
A. Standpunten van partijen
27.
De Duitse regering geeft in de eerste plaats aan dat verordening nr. 44/2001 enkel betrekking heeft op de exequaturprocedure. De tenuitvoerlegging zelf van beslissingen zou evenwel niet in deze verordening worden geregeld. Daarom zouden de beslissingen die onder verordening nr. 44/2001 vallen, ten uitvoer worden gelegd overeenkomstig de procedureregels van het nationale recht van de aangezochte lidstaat, zoals § 929, lid 2, ZPO.
28.
In de tweede plaats herinnert de Duitse regering onder verwijzing naar de arresten Apostolides5.en Prism Investments6. eraan dat het Hof al heeft aangegeven dat er geen enkele reden is om bij de tenuitvoerlegging van een beslissing aan die beslissing gevolgen te verbinden die een soortgelijke, rechtstreeks in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing niet zou hebben. Volgens deze regering dient, gelet van deze rechtspraak, de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn te worden toegepast op de in Italië gegeven beslissing tot conservatoir beslag, omdat een soortgelijke, in Duitsland gegeven beslissing niet meer ten uitvoer mag worden gelegd na verloop van een termijn van een maand.
29.
In de derde plaats, ten slotte, is de Duitse regering met een beroep op de bepalingen van verordening nr. 1215/2012 van mening dat de hierboven aangegeven zienswijze steun vindt in artikel 41, lid 1, tweede zin, van deze verordening.
30.
De Commissie meent daarentegen dat een redenering die hoofdzakelijk op het arrest Prism Investments7. is gebaseerd, niet naar behoren rekening houdt met het grensoverschrijdend karakter van het hoofdgeding.
31.
De Commissie herinnert eraan dat het Hof in zijn rechtspraak heeft benadrukt dat het onderscheid tussen de exequaturprocedure en de tenuitvoerlegging zelf geen afbreuk mag doen aan de fundamentele beginselen van verordening nr. 1215/2012, met name aan het beginsel van het vrije verkeer van beslissingen. Zelfs wanneer als gevolg van de in verordening nr. 44/2001 geregelde exequaturprocedure een buitenlandse beslissing in de rechtsorde van de aangezochte lidstaat werd opgenomen, zou bij een ‘blinde’ toepassing van het recht van die lidstaat dus geen rekening worden gehouden met de herkomst van de ten uitvoer te leggen titel. In casu zou de beslissing tot conservatoir beslag naar Italiaans recht wegens de toepassing van § 929, lid 2, ZPO bij de tenuitvoerlegging ervan in de aangezochte lidstaat niet meer ten uitvoer kunnen worden gelegd, hoewel die beslissing in de lidstaat van herkomst wel uitvoerbaar was.
32.
Gelet op de bij de verwijzende rechter bestaande twijfel en de door partijen aangevoerde argumenten, zal ik eerst onderzoeken of een bepaling die een termijn voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een conservatoire maatregel invoert, zoals § 929, lid 2, ZPO, als een procedurevoorschrift van de lex fori van de aangezochte lidstaat moet worden gekwalificeerd. Vervolgens zal ik opnieuw nagaan welke lessen uit die kwalificatie dienen te worden getrokken gelet op de rechtspraak van het Hof aangaande de gevolgen van buitenlandse beslissingen in het exequaturstelsel van verordening nr. 44/2001. Tenslotte zal ik die informatie vergelijken met de oplossingen waarvoor de Uniewetgever heeft gekozen in het kader van verordening nr. 1215/2012.
B. Kwalificatie
1. Opmerkingen vooraf
33.
Het Hof heeft in de context van het Executieverdrag8. geoordeeld, dat dit verdrag alleen de exequaturprocedure voor buitenlandse executoriale titels regelt en niet de tenuitvoerlegging zelf, die onderworpen blijft aan het nationale recht van de aangezochte rechter.9. Later heeft het Hof verklaard dat deze rechtspraak mutatis mutandis van toepassing is op verordening nr. 44/2001, voor zover deze ook voorziet in de exequaturprocedure.10.
34.
In de context van deze rechtspraak verklaart de Duitse regering in navolging van de verwijzende rechter dat § 929, lid 2, ZPO naar Duits recht wordt gekwalificeerd als een bepaling van het procesrecht. Bijgevolg kan de in deze bepaling gestelde termijn, althans volgens de verwijzende rechter, vallen onder het tenuitvoerleggingsrecht zelf, waarop verordening nr. 44/2001 niet ziet.
35.
Dienaangaande wijs ik erop dat de meeste begrippen die de Uniewetgever heeft gebruikt in de handelingen die vallen onder de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, waaronder verordening nr. 44/2001, autonoom van aard zijn.11. Dat betekent dat de kwalificatie van bepalingen als § 929, lid 2, ZPO in de nationale context niet van doorslaggevende betekenis kan zijn voor de oplossing van het in het kader van de prejudiciële vraag opgeworpen juridische vraagstuk.
36.
Voorts is voor de toepassing van verordening nr. 44/2001 de aan § 929, lid 2, ZPO toegekende autonome kwalificatie als ‘regel van procesrecht’ evenmin doorslaggevend voor het op de prejudiciële vraag te geven antwoord. In het onderhavige geval wordt niet betwist dat het Italiaanse recht ook een termijn stelt voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing tot conservatoir beslag. Niets wijst erop dat een bepaling die een dergelijke termijn stelt, niet op dezelfde wijze als § 929, lid 2, ZPO kan worden gekwalificeerd als een ‘regel van procesrecht’. Doorslaggevend is namelijk het antwoord op de vraag of volgens de autonome kwalificatie deze ZPO-bepaling van toepassing moet zijn bij de tenuitvoerlegging in Duitsland van in andere lidstaten gegeven beslissingen tot conservatoir beslag.12.
37.
Volgens de verwijzende rechter hoeft niet te worden nagegaan of het Italiaanse recht ook voorziet in een termijn voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing tot conservatoir beslag.
38.
Meer in het bijzonder stelt deze rechter dat in het kader van de procedure in het hoofdgeding het Duitse kadaster niet kan bepalen of het recht van de lidstaat waar de beslissing is gegeven, voorziet in een uitvoeringstermijn en bepaalt op welke wijze aan die beslissing uitvoering moet worden gegeven, en evenmin een regeling van buitenlands recht mag toepassen. Wat de door het kadaster gevolgde procedure betreft, is alleen van belang of § 929, lid 2, ZPO in acht moet worden genomen. Ten slotte zou, indien ook naar Italiaans recht de titel wegens het verstrijken van een termijn niet meer ten uitvoer kan worden gelegd, de schuldenaar dit punt geldend moeten maken door beroep in te stellen tegen de uitvoerbaarverklaring.
39.
De verwijzende rechter is dan ook van oordeel dat, buiten de tenuitvoerleggingsprocedure, de in het Italiaanse recht gestelde termijn ook van toepassing is op de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging in de procedure in het hoofdgeding is verzocht. Bijgevolg zou een in het buitenland gegeven beslissing tot conservatoir beslag op Duits grondgebied aan twee regelingen zijn onderworpen, enerzijds een regeling ingesteld door de lidstaat van herkomst en anderzijds een regeling ingesteld door de aangezochte staat.
40.
In dat verband vraag ik mij af of de naleving van deze dubbele eis door de schuldeiser niet het zwakke punt is van de uitlegging volgens welke § 929, lid 2, ZPO dient te worden toegepast als voorschrift van de lex fori voor de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen tot conservatoir beslag. In dat geval zou, enerzijds, de bepaling van Duits recht die een termijn stelt voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging, gelden als regel die ziet op de tenuitvoerlegging zelf. Anderzijds zou een bepaling van het recht van de lidstaat van herkomst die een soortgelijke termijn stelt, worden toegepast als regel die de uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing regelt.13.
41.
Om die reden heb ik in de eerste plaats twijfel over het verband tussen enerzijds de uitvoerbaarheid van een beslissing tot conservatoir beslag, beoordeeld tegen de achtergrond van een nationale bepaling van de lidstaat van herkomst die een termijn stelt voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van deze beslissing, en anderzijds een beperking van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging door middel van een in een bepaling van de aangezochte lidstaat gestelde, soortgelijke termijn.
42.
In de tweede plaats vraag ik mij af of, bezien vanuit de systematiek, een bepaling als § 929, lid 2, ZPO afzonderlijk moet worden toegepast, los van de grensoverschrijdende context en de herkomst van de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging in Duitsland wordt verzocht.
43.
Tenslotte rijst bij mij de vraag of het met de doelstelling van deze bepaling van Duits recht verenigbaar is om deze bepaling toe te passen zonder daarbij rekening te houden met de grensoverschrijdende context en de herkomst van een beslissing tot conservatoir beslag.
2. Verband tussen de uitvoerbaarheid en een beperking van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging
44.
Volgens de opmerkingen van de Commissie verliest het conservatoire beslag naar Duits recht weliswaar zijn rechtsgeldigheid wegens het verstrijken van een termijn, maar is dat niet het geval in het Italiaanse recht, waarin wordt bepaald dat alleen door de formele nietigverklaring van dit conservatoire beslag de rechtsgeldigheid ervan verloren gaat. Terwijl naar Duits recht de niet-naleving van deze termijn ambtshalve wordt opgeworpen, zou naar Italiaans recht de verweerder zelf het verstrijken van deze termijn moeten inroepen. Naar Italiaans recht blijft de tenuitvoerlegging van een conservatoir beslag dus ook na het verstrijken van de termijn in beginsel mogelijk.
45.
Daarom kan de uitvoerbaarheid van de beslissing tot conservatoir beslag, die volgens de bewoordingen van artikel 38 van verordening nr. 44/2001 een voorwaarde is voor de tenuitvoerlegging van die beslissing in de aangezochte lidstaat14., in gevaar komen, voor zover een schuldeiser ongeacht de uitvoerbaarheid van deze beslissing naar het recht van de lidstaat van herkomst, de beslissing niet in Duitsland ten uitvoer zou kunnen leggen.
46.
Dit kan een aanwijzing zijn voor het feit dat § 929, lid 2, ZPO niet de tenuitvoerlegging van een conservatoire maatregel betreft, maar veeleer de uitvoerbaarheid ervan, en wel minstens evenzeer als een soortgelijke bepaling van Italiaans recht.
3. Verband tussen de voorwaarden voor het leggen van conservatoir beslag en de termijn voor indiening van een verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslagmaatregel
47.
Een conservatoir beslag vormt een uitzondering op de algemene regel dat alleen beslissingen die na een bodemprocedure zijn genomen en onherroepelijk zijn geworden, ten uitvoer kunnen worden gelegd. Niettegenstaande het feit dat de schuldeiser bij een conservatoir beslag, wegens het uitzonderlijke karakter ervan, dus geen betaling verkrijgt15., kan dit beslag alleen worden bevolen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
48.
In de meeste rechtstelsels is het feit dat de latere tenuitvoerlegging van een bodembeslissing onmogelijk zou zijn, stellig een dergelijke basisvoorwaarde. Terwijl het wezenlijke doel van het conservatoire beslag bepalend is voor deze algemene voorwaarde, laten vergelijkende onderzoeken toch verschillen tussen de nationale regelingen zien ter zake van de nadere voorwaarden waaronder tot conservatoir beslag kan worden besloten.16.
49.
In feite worden de voorwaarden voor het leggen van conservatoir beslag bepaald door de regeling waarvoor de lidstaten bij hun streven naar een evenwicht tussen de belangen van schuldeisers en debiteuren hebben gekozen. De invoering van een termijn voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een conservatoire maatregel door de schuldeiser is daarvan ook een gevolg.
50.
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat § 929, lid 2, ZPO tot doel heeft, de debiteur te beschermen. Meer in het bijzonder beoogt deze bepaling, volgens de verwijzende rechter, te beletten dat op basis van een summiere procedure in kort geding gegeven beslissingen gedurende lange tijd en ondanks eventueel gewijzigde omstandigheden uitvoerbaar zijn en dus ten uitvoer kunnen worden gelegd. In dezelfde geest heeft de Duitse regering ter terechtzitting verklaard dat de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn beoogt te voorkomen dat een beslissing tot conservatoir beslag ten uitvoer kan worden gelegd na het verstrijken van een maand, ook al zijn de omstandigheden aanzienlijk gewijzigd.
51.
Zelfs de rechtsgeleerden volgens welke vooral de gevolgen van conservatoire maatregelen worden gekenmerkt door diepgaande verschillen, terwijl de voorwaarden om die maatregelen toe te staan veel meer hetzelfde zijn17., zijn van mening dat uit deze voorwaarden blijkt dat conservatoire maatregelen onlosmakelijk verbonden zijn met de procedures waarin zij worden genomen.18. Derhalve kan worden gesteld dat er in een grensoverschrijdende context een dergelijk verband tussen een beslissing tot conservatoir beslag en de regelgeving van de lidstaat van herkomst bestaat.
52.
Overigens zou in die optiek de invoering door een wetgever van een termijn zoals die in § 929, lid 2, ZPO in zekere zin vergelijkbaar zijn met de situatie waarin het gerecht in zijn beslissing de termijn waarbinnen specifieke handelingen door de schuldeiser moeten worden verricht, zou preciseren. Als een beslissing een dergelijke precisering zou bevatten, zou deze precisering een wezenlijk bestanddeel van die beslissing zijn.
53.
Bijgevolg ben ik van mening dat een termijn zoals die in § 929, lid 2, ZPO, niet los kan worden gezien van de voorwaarden waaronder conservatoir beslag mag worden gelegd, en in het algemeen niet los kan worden gezien van het recht van de lidstaat van herkomst. Een dergelijke termijn kan derhalve niet als tenuitvoerleggingsvoorschrift van de lex fori worden toegepast bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen in Duitsland.19.
4. Doel van een bepaling die een termijn stelt voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslagmaatregel
54.
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt, ik herinner eraan, dat § 929, lid 2, ZPO, als voornaamste doelstelling heeft, ervoor te zorgen dat een conservatoire maatregel niet na lange tijd en ondanks eventuele gewijzigde omstandigheden ten uitvoer wordt gelegd. Wat de buitenlandse beslissingen betreft, blijkt overigens uit de verwijzingsbeslissing en de toelichting van de Duitse regering dat deze termijn wordt berekend vanaf de datum van kennisgeving van een verklaring van uitvoerbaarheid aan een schuldeiser.
55.
Een schuldeiser is evenwel niet verplicht om onmiddellijk na het verkrijgen van een beslissing tot conservatoir beslag in de staat van herkomst, een verzoek tot uitvoerbaarverklaring van die beslissing in te dienen. Hij zou de indiening van dat verzoek dus kunnen uitstellen, niettegenstaande een eventuele wijziging van omstandigheden na de verkrijging van de beslissing tot conservatoir beslag.
56.
De oplossing volgens welke § 929, lid 2, ZPO als voorschrift van de lex fori van de aangezochte lidstaat van toepassing is en de in die bepaling gestelde termijn vanaf de datum van kennisgeving van een verklaring van uitvoerbaarheid wordt berekend, zou het voor een schuldeiser mogelijk maken om stelselmatig een dergelijke wijziging van omstandigheden buiten beschouwing te laten en tot uitvoering van een conservatoire maatregel over te gaan.
57.
Daarom ben ik van mening dat bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen de toepassing van § 929, lid 2, ZPO niet verenigbaar is met het doel van deze bepaling, zoals uitgelegd door de verwijzende rechter en de Duitse regering.
58.
Uit deze analyse komt in de eerste plaats naar voren dat een nationale bepaling als § 929, lid 2, ZPO veeleer betrekking heeft op de uitvoerbaarheid van een beslissing tot conservatoir beslag dan op de tenuitvoerlegging zelf van die beslissing. In de tweede plaats kan een dergelijke termijn niet afzonderlijk, los van de herkomst van een beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht, worden toegepast. In de derde plaats kan, indien met de zienswijze van de verwijzende rechter en de Duitse regering over het doel van § 929, lid 2, ZPO wordt ingestemd, deze bepaling bij toepassing op buitenlandse beslissingen waarvan de tenuitvoerlegging in Duitsland is verzocht, haar rol niet vervullen.
59.
Gelet op een en ander ben ik van mening dat een nationale bepaling die een termijn stelt voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging door de schuldeiser, zoals § 929, lid 2, ZPO, niet mag worden gekwalificeerd als een procedureregel, die bij de tenuitvoerlegging in Duitsland van een in een andere lidstaat gegeven beslissing tot conservatoir beslag van toepassing is.
C. Gelijke werking van nationale en buitenlandse beslissingen
60.
Enerzijds is het vaste rechtspraak dat er geen reden is om aan een beslissing die is gegeven in de ene lidstaat, bij de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat rechten te verbinden die deze beslissing in de lidstaat van herkomst niet heeft.20. Dit is wat doorgaans de leer van ‘uitbreiding van de werking’ wordt genoemd.21. Uit het arrest Health Service Executive22., dat in het kader van verordening (EG) nr. 2201/200323. is gewezen, maar mijns inziens mutatis mutandis van toepassing is op verordening nr. 44/2001, blijkt dat deze beperking in die zin moet worden opgevat dat een buitenlandse beslissing uitsluitend als basis voor de tenuitvoerlegging in de aangezochte staat kan dienen binnen de grenzen van die beslissing zelf.
61.
Anderzijds is er geen reden om aan een dergelijke beslissing gevolgen te verbinden die een soortgelijke, rechtstreeks in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing niet zou hebben.24. Deze beperking inzake de werking van beslissingen die in de aangezochte lidstaat ten uitvoer worden gelegd, wordt de ‘leer van de gelijke werking’25. genoemd.
62.
Uitgaande van deze rechtspraak meent de Duitse regering dat voor een gelijke behandeling van buitenlandse en nationale beslissingen § 929, lid 2, ZPO van toepassing moet zijn bij de tenuitvoerlegging van beslissingen tot conservatoir beslag naar Italiaans recht in Duitsland.
63.
Ik deel dit standpunt niet. In navolging van de Commissie ben ik van mening dat het standpunt van de Duitse regering geen rekening houdt met bepaalde aspecten van het grensoverschrijdende karakter van het hoofdgeding noch met de gevolgen van de toepassing van § 929, lid 2, ZPO in het kader van deze zaak. Bovendien meen ik dat dit standpunt is gebaseerd op een onvolledige lezing van de rechtspraak van het Hof.
1. Eventueel gebrek aan samenhang tussen de procedureregels van de lidstaat van herkomst en de procedureregels van de aangezochte lidstaat
a) Vaststelling van de problematiek
64.
Blijkens de verwijzingsbeschikking en de ter terechtzitting naar voren gebrachte zienswijze van de Duitse regering, kan in een interne situatie, wanneer de Duitse autoriteiten tot conservatoir beslag hebben besloten en die beslissing vervolgens ten uitvoer leggen, de schuldeiser die de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn niet in acht heeft genomen, onverwijld opnieuw conservatoir beslag verkrijgen.
65.
Ervan uitgaande dat in een grensoverschrijdende context § 929, lid 2, ZPO als voorschrift van de lex fori van de aangezochte lidstaat van toepassing is, krijgt de vraag hoe de schuldeiser moet handelen indien hij de in deze bepaling gestelde termijn niet heeft nageleefd, echter geen duidelijk antwoord.
66.
Mijns inziens is kenmerkend dat noch de verwijzende rechter noch de Duitse regering hebben aangevoerd dat de schuldeiser opnieuw kan verzoeken om een verklaring van uitvoerbaarheid in Duitsland ten einde de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn wederom te laten ingaan. Ik vraag me af of deze oplossing in overeenstemming zou zijn met de geest van § 929, lid 2, ZPO. In elk geval zou een nieuw verzoek het mogelijk maken om de datum van inschrijving van de op dezelfde beslissing gebaseerde hypotheek tot zekerheid van de schuldvordering oneindig uit te stellen. Mijns inziens zou dat in strijd zijn met de logica van deze bepaling.
67.
Ik wijs erop dat de Duitse regering in antwoord op een ter terechtzitting gestelde vraag heeft betoogd dat een schuldeiser in de lidstaat van herkomst opnieuw om conservatoir beslag zou kunnen verzoeken wanneer de in die lidstaat gestelde termijnen ook zijn verstreken. De Commissie heeft daarentegen verklaard dat in casu de schuldeiser in Italië niet om een tweede beslissing tot conservatoir beslag kon verzoeken, omdat de door de autoriteiten van deze lidstaat gewezen oorspronkelijke beslissing tot conservatoir beslag nog steeds uitvoerbaar was om de redenen die in punt 44 van deze conclusie zijn uiteen gezet.
68.
Blijkens deze opmerkingen zou een schuldeiser die de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn niet heeft nageleefd, zich waarschijnlijk moeten wenden tot de gerechten van de lidstaat van herkomst, in casu de Italiaanse rechter, om een tweede beslissing tot conservatoir beslag te verkrijgen.
b) Verband tussen de procedureregels van de lidstaat van herkomst en de procedureregels van de aangezochte lidstaat
69.
Niettegenstaande deze overwegingen lijkt mij dat de analyse betreffende de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag niet beperkt mag blijven tot de context van deze zaak. In het onderhavige geval is de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging in Duitsland is gevraagd, gegeven naar Italiaans recht, dat een met § 929, lid 2, ZPO nogal vergelijkbare termijn kent. Ik neem echter aan dat dezelfde twijfel over de toepassing van laatstgenoemde bepaling bij de tenuitvoerlegging van een in Duitsland uitvoerbaar verklaarde conservatoire maatregel zou rijzen met betrekking tot elke beslissing tot conservatoir beslag die in een andere lidstaat is gegeven.
70.
Zonder mij te willen uitspreken over de huidige situatie van verzoekster naar Italiaans recht, zou mijns inziens de schuldeiser in een situatie als die in het hoofdgeding in beginsel dan ook opnieuw ter staving van zijn bij de autoriteiten van de lidstaat van herkomst ingediende tweede verzoek moeten aantonen, dat de omstandigheden waarin tot conservatoir beslag kan worden besloten, op zijn minst aannemelijk zijn. Het zou dus niet gaan om dezelfde beslissing die voor de tweede keer wordt gegeven, maar om de vaststelling van een nieuwe beslissing waaraan een nieuwe beoordeling van alle te vervullen voorwaarden voor een conservatoir beslag is voorafgegaan.
71.
Overigens kan niet zonder meer worden uitgesloten dat het recht van de lidstaat van herkomst om uiteenlopende redenen niet voorziet in de mogelijkheid om daadwerkelijk een nieuw verzoek om een beslissing in te dienen. Volgens de autoriteiten van de lidstaat van herkomst zou een nieuw verzoek bijvoorbeeld niet-ontvankelijk kunnen zijn zolang de eerdere beslissing niet nietig is verklaard of om andere redenen haar rechtsgeldigheid heeft verloren.26.
72.
In bepaalde gevallen zou de toepassing van de in de aangezochte lidstaat gestelde voorwaarden, te weten in casu de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn, dan ook tot een impasse kunnen leiden bij de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing. In het bijzonder zou de schuldeiser, doordat hij de in deze bepaling gestelde termijn niet heeft nageleefd, die beslissing niet meer in Duitsland ten uitvoer kunnen leggen en tegelijkertijd bij de autoriteiten van de lidstaat van herkomst niet om een nieuwe beslissing kunnen verzoeken.
2. Behoud van de nuttige werking van verordening nr. 44/2001
a) Rechtspraak inzake het behoud van de nuttige werking van verordening nr. 44/2001
73.
Wat de bepalingen van het Executieverdrag betreft, heeft het Hof verklaard dat de toepassing van de procedureregels van de aangezochte lidstaat geen afbreuk mag doen aan de nuttige werking van het stelsel van dit verdrag.27. In de arresten waarin deze tendens binnen de rechtspraak tot uitdrukking komt, heeft het Hof ook aangegeven dat, waar het meer specifiek gaat om nationale tenuitvoerleggingsregels, de toepassing van de procedureregels van de aangezochte lidstaat bij de tenuitvoerlegging geen afbreuk mag doen aan de nuttige werking van de exequaturregeling van het Executieverdrag door de beginselen te doorkruisen die verordening nr. 44/2001 zelf uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend met betrekking tot de onderhavige materie stelt.28. Vervolgens heeft het Hof de toepassing mutatis mutandis van deze rechtspraak op verordening nr.44/2001 bevestigd.29.
74.
Verder wijs ik erop dat deze logica ook ten grondslag ligt aan de rechtspraak die betrekking heeft op rechterlijke bevelen waarbij aan een partij wordt verboden om een rechtsvordering in te stellen of voort te zetten bij een gerecht van een staat. Het Hof was immers van oordeel dat dergelijke rechterlijke bevelen de toepassing van bevoegdheidsregels kunnen inperken en afbreuk kunnen doen aan het nuttig effect van de specifieke regelingen inzake aanhangigheid en samenhang.30. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat dergelijke, in het kader van een arbitrage geformuleerde rechterlijke bevelen, doordat zij het gerecht van een andere lidstaat belemmeren in de uitoefening van de bevoegdheden die verordening nr. 44/2001 hem toekent, verzoeker de toegang ontzeggen tot het gerecht van de staat waar hij overeenkomstig de bevoegdheidsregels van deze verordening zijn procedure aanhangig heeft gemaakt, en hem dus beroven van een vorm van rechterlijke bescherming waarop hij recht heeft.31.
b) Concrete toepassing van de rechtspraak betreffende het behoud van de nuttige werking van verordening nr. 44/2001
75.
Wat conservatoire maatregelen betreft, zou mijns inziens het feit dat de toepassing van een bepaling als § 929, lid 2, ZPO op buitenlandse beslissingen tot conservatoir beslag tot een impasse kan leiden, zoals in de punten 71 en 72 van deze conclusie is uiteengezet, afbreuk kunnen doen aan de nuttige werking van het stelsel van verordening nr. 44/2001.
76.
Ik ben het weliswaar met de Commissie eens dat niet kan worden uitgesloten dat in een situatie als die in het hoofdgeding de schuldeiser overeenkomstig artikel 3132. van verordening nr. 44/2001 bij de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kan verzoeken om een conservatoire maatregel. Niettemin zou deze schuldeiser zich in een ongunstige situatie bevinden, aangezien hij zich tot het gerecht van een andere lidstaat moet wenden met alle daaruit voortvloeiende gevolgen.33. Dat bevestigt mijns inziens dat er een impasse kan ontstaan wegens de toepassing van § 929, lid 2, ZPO bij de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing.
77.
In dat geval zouden, enerzijds, de gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om kennis te nemen van het bodemgeschil, een schuldeiser niet de rechtelijke bescherming kunnen bieden waarop deze recht heeft in de fase van de procedure die leidt tot de eindbeslissing. Anderzijds zou afbreuk worden gedaan aan de op de bepalingen van verordening nr. 44/2001 gebaseerde bevoegdheid van deze gerechten, indien een schuldeiser zich tot de gerechten van een andere lidstaat zou moeten wenden om een verzoek tot conservatoir beslag in te dienen, terwijl hij dit verzoek terecht wilde indienen bij de rechter die bevoegd is om kennis te nemen van het bodemgeschil.
78.
Gelet op de rechtspraak betreffende het behoud van de nuttige werking van verordening nr. 44/2001 ben ik dan ook van mening dat een bepaling van de aangezochte lidstaat, zoals § 929, lid 2, ZPO, niet mag worden toegepast bij de tenuitvoerlegging van een van een andere lidstaat afkomstige beslissing tot conservatoir beslag.
c) Voorlopige conclusie
79.
Ik herinner eraan dat uit een en ander volgt dat onder vigeur van verordening nr. 44/2001 een bepaling als § 929, lid 2, ZPO niet kan worden gekwalificeerd als een voorschrift voor de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen.34.
80.
Ook al zou worden geoordeeld dat deze bepaling als een tenuitvoerleggingsvoorschrift van de lex fori van de aangezochte lidstaat moest worden gekwalificeerd, dan nog kan deze bepaling niet van toepassing zijn bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen in Duitsland, aangezien daarmee afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van deze verordening.
81.
Overigens brengen de logica en de gevolgen van de toepassing van de rechtspraak betreffende het behoud van de nuttige werking van verordening nr. 44/2001 mijns inziens de oplossing in herinnering die het Hof onlangs heeft gekozen in zijn rechtspraak betreffende verordening (EU) nr. 650/2012.35. Volgens deze rechtspraak mag de kwalificatie van nationale bepalingen met het oog op de toepassing ervan in situaties die onder verordening nr. 650/2012 vallen, noch de verwezenlijking van de doelstellingen van die verordening, noch de nuttige werking van die bepalingen belemmeren.36. Bijgevolg kan de nuttige werking van een handeling van Unierecht die de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken betreft, invloed hebben op de voor de toepassing van die handeling verrichte autonome kwalificatie van nationale bepalingen die onder de werkingssfeer van die handeling vallen. In dezelfde geest zou § 929, lid 2, ZPO ook niet als een tenuitvoerleggingsvoorschrift mogen worden gekwalificeerd, aangezien daarmee afbreuk kan worden gedaan aan de nuttige werking van verordening nr. 44/2001.
D. Invloed van de afschaffing van de exequaturprocedure onder vigeur van verordening nr. 1215/2012 op de voorgaande overwegingen
82.
Dit verzoek om een prejudiciële beslissing betreft uitsluitend verordening nr. 44/2001. Volgens de verwijzende rechter rijst deze prejudiciële vraag echter op dezelfde wijze in het kader van verordening nr. 1215/2012. Partijen hebben overigens in hun pleidooi ter terechtzitting ook deze verordening ingeroepen.
83.
Dienaangaande ben ik van mening dat de uit verordening nr. 1215/2012 getrokken lessen de hierboven geformuleerde overwegingen niet opnieuw ter discussie kunnen stellen.
84.
In de eerste plaats regelt verordening nr. 44/2001 weliswaar niet uitdrukkelijk de rol van de lex fori van de aangezochte lidstaat bij de tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing, maar bepaalt verordening nr. 1215/2012, in artikel 41, lid 1 ervan, met name dat buitenlandse beslissingen onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer worden gelegd als een in die lidstaat gegeven beslissing.37.
85.
Toch is, niettegenstaande de afschaffing van de exequaturprocedure onder vigeur van verordening nr. 1215/2012, het onderscheid tussen de uitvoerbaarheid en de door de lex fori van de aangezochte lidstaat geregelde tenuitvoerlegging zelf door de Uniewetgever in deze verordening gehandhaafd.38.
86.
Dit is ook de uitlegging die wordt aangedragen door de Duitse regering, die, al komt zij tot een andere slotsom, vaststelt dat artikel 41, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 1215/2012 de beginselen vermeldt die in het kader van verordening nr. 44/2001 zijn toegepast. Overigens menen een aantal auteurs dat deze bepaling van verordening nr. 1215/2012 de beginselen codificeert die het Hof in zijn rechtspraak met betrekking tot verordening nr. 44/2001 heeft geformuleerd.39.
87.
Bijgevolg zijn er geen aanwijzingen dat de inwerkingtreding van verordening nr. 1215/2012 invloed kan hebben op de kwalificatie van een bepaling als § 929, lid 2, ZPO.
88.
In de tweede plaats ben ik van mening dat onder vigeur van verordening nr. 1215/2012 het probleem van het ontstaan van een impasse door de toepassing van een nationale bepaling als § 929, lid 2, ZPO als voorschrift van de aangezochte lidstaat zich op dezelfde wijze voordoet. Daarom dient de rechtspraak betreffende het behoud van de nuttige werking van het stelsel van verordening nr. 1215/2012 te worden toegepast.40.
89.
Om deze redenen ben ik van mening dat noch de lessen die uit de afschaffing van het exequatur zijn getrokken, noch die welke uit de invoering van een bepaling als artikel 41, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 zijn getrokken, de stelling kunnen rechtvaardigen dat onder vigeur van verordening nr. 44/2001 een bepaling als § 929, lid 2, ZPO kan worden toegepast bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen in Duitsland.
90.
Kortom, een bepaling die, ten eerste, niet ziet op de tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing, maar veeleer op de exequaturprocedure41., en waarvan, ten tweede, de toepassing bij de tenuitvoerlegging afbreuk doet aan de nuttige werking van het stelsel van verordening nr. 44/2001, is geen voorschrift van de lex fori van de aangezochte lidstaat inzake de tenuitvoerlegging.42. Deze overwegingen kunnen niet opnieuw ter discussie worden gesteld door de lessen die zijn getrokken uit de analyse van verordening nr. 1215/2012. Deze verordening heeft geen wijziging gebracht in de logica of de beginselen die de grenzen van de toepassing van de lex fori van de aangezochte lidstaat regelen.
VI. Conclusie
91.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) te beantwoorden als volgt:
‘Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, en met name artikel 38, lid 1, ervan moet in die zin worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de toepassing van een bepaling van het recht van de aangezochte lidstaat als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, waarbij een termijn wordt gesteld voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing tot conservatoir beslag in het kader van de tenuitvoerlegging van een van een andere lidstaat afkomstige beslissing tot conservatoir beslag.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑06‑2018
Oorspronkelijke taal: Frans.
Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
Voor zover ik weet, biedt deze zaak het Hof voor de tweede keer de gelegenheid om bepalingen op het gebied van de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen uit te leggen in het kader van een zaak waarin ZPO-bepalingen die betrekking hebben op het conservatoir beslag, kunnen worden toegepast. Zie arrest van 10 februari 1994, Mund & Fester (C-398/92, EU:C:1994:52).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
Arrest van 28 april 2009, Apostolides (C-420/07, EU:C:2009:271).
Arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments (C-139/10, EU:C:2011:653).
Arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments (C-139/10, EU:C:2011:653).
Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32).
Zie arresten van 2 juli 1985, Deutsche Genossenschaftsbank (148/84, EU:C:1985:280, punt 19); 3 oktober 1985, Capelloni en Aquilini (119/84, EU:C:1985:388, punt 16); 4 februari 1988, Hoffmann (145/86, EU:C:1988:61, punt 27), en 29 april 1999, Coursier (C-267/97, EU:C:1999:213, punt 28).
Zie arresten van 28 april 2009, Apostolides (C-420/07, EU:C:2009:271, punt 69), en 13 oktober 2011, Prism Investments (C-139/10, EU:C:2011:653, punt 40).
Zie mijn conclusie in de zaakMahnkopf (C-558/16, EU:C:2017:965, punt 32). Zie ook mijn conclusie in de zaak Hőszig (C-222/15, EU:C:2016:224, punten 31 en 47).
Ik wijs er dienaangaande op dat in de doctrine verschillend wordt gedacht over de toepassing van nationale bepalingen die een termijn stellen voor de indiening van een verzoek tot tenuitvoerlegging van een conservatoire maatregel bij de tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing. Bepaalde auteurs neigen naar de mening dat die bepalingen in dat geval niet moeten worden toegepast. Zie met name, Kropholler, J., von Hein, J., Europäisches Zivilprozessrecht: Kommentar zu EuGVO, Lugano-Übereinkommen, 9e druk, Verlag Recht und Wirtschaft, C.H. Beck, Frankfurt am Main, 2011, blz. 615 en 616, punt 10. Zie a contrario, Schack, H., Internationales Zivilverfahrensrecht mit internationalem Insolvenz- und Schiedsverfahrensrecht, C.H. Beck, München, 2014, punt 1066.
Zie in die zin, ter zake van de uitvoerbaarheid van een beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht krachtens de regeling van verordening nr. 44/2001, arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments (C-139/10, EU:C:2011:653, punten 37 en 39).
Zie wat de uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing betreft, arresten van 29 april 1999, Coursier (C-267/97, EU:C:1999:213, punt 23), en 28 april 2009, Apostolides (C-420/07, EU:C:2009:271, punten 65 en 66). Ik wijs erop dat in de doctrine zelfs naar voren is gebracht dat de toepassing van een bepaling van Spaans recht waarin een soortgelijke termijn als die van § 929, lid 2, ZPO wordt gesteld, bij de tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing niet in overeenstemming is met artikel 38 van verordening nr. 44/2001, aangezien daardoor een beslissing in de aangezochte lidstaat niet ten uitvoer zou kunnen worden gelegd, ongeacht de uitvoerbaarheid van die beslissing volgens het recht van de lidstaat van herkomst. Zie Steinmetz, A., ‘Anwendbarkeit der Ausschlussfrist in der spanischen ZPO auch auf ausländische Vollstreckungstitel?’, Recht der internationalen Wirtschaft, nr. 5, 2009, blz. 304.
Ik ben namelijk van mening dat een beslissing tot conservatoir beslag, zoals die waarvan de tenuitvoerlegging in het hoofdgeding is verzocht, een ‘maatregel tot bewaring van recht’ in de zin van artikel 31 van verordening nr. 44/2001 is. Het gaat dus om een maatregel die bedoeld is om een feitelijke of juridische situatie te handhaven ter bewaring van rechten waarvan de erkenning langs andere weg wordt gevraagd bij de rechter die kennis neemt van het bodemgeschil. Zie arrest van 26 maart 1992, Reichert en Kockler (C-261/90, EU:C:1992:149, punt 34).
Zie in die zin Goldstein S., ‘Recent Developments and Problems in the Granting of Preliminary Relief: a Comparative Analysis’, Revue hellénique de droit international, 1987-1988, 40e en 41e jaargang, blz. 13. Mij lijkt dat de voorwaarden waaronder tot conservatoir beslag kan worden besloten, verschillen laten zien ter zake van met name de aard en ernst van het te lopen risico wanneer geen beslag word gelegd. Zie bijvoorbeeld in het Duitse recht § 917 ZPO, dat bepaalt dat een beslissing tot conservatoir beslag kan worden gegeven wanneer de tenuitvoerlegging van de eindbeslissing onmogelijk of wezenlijk moeilijker wordt, waarbij deze laatste voorwaarde door de doctrine wordt beschreven als een ‘veel specifiekere’ voorwaarde. Zie Cuniberti, G., Les mesures conservatoires portant sur des biens situés à l'étranger, LGDJ, Parijs, 2000, blz. 267. In een vergelijkbare voorwaarde voorziet bijvoorbeeld het Poolse recht in artikel 7301, lid 2, van de Kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. 2014, positie 101). Wat het Italiaanse recht betreft, bepaalt artikel 671 van de codice di procedura civile (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) dat conservatoir beslag mag worden gelegd wanneer de inning van de vordering gevaar loopt (periculum in mora). Artikel 671 van dit wetboek heeft dan ook niet uitdrukkelijk betrekking op gevallen waarin door geen beslag te leggen moeilijkheden kunnen ontstaan bij de tenuitvoerlegging van de eindbeslissing. Zie over het conservatoire beslag naar Italiaans recht ook Cristofaro, M., ‘National Report — Italy’, in Harsági, V., Kengyel, M. (red.), Grenzüberschreitende Vollstreckung in der Europäischen Union, Sellier, München, 2011, blz. 119. Ik ben mij er evenwel van bewust dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de in de wetteksten vermelde voorwaarden waaronder beslag mag worden gelegd, ontwikkelingen in de rechtspraak ondergaan die de verschillen tussen de rechtstelsels van de lidstaten groter of kleiner kunnen maken.
Cuniberti, G., Les mesures conservatoires portant sur des biens situés à l'étranger, LGDJ, Parijs, 2000, blz. 267
Cuniberti, G., op. cit. blz. 255. Zie in die zin, wat conservatoire maatregelen in het algemeen, zonder vermelding van de kwestie van de uiteenlopende voorwaarden, betreft Hess, B., ‘The Brussels I Regulation: Recent Case Law of the Court of Justice and the Commission's Proposed Recast’, Common Market Law Review, 2012, blz. 1098.
Zie in die zin, Wittmann, J., ‘BGH, 11.05.2017 - V ZB 175/15: Anwendbarkeit der Vollziehungsfrist aus § 929 Abs. 2 ZPO bei Vollstreckung ausländischer Titel nach Maßgabe der EuGVVO’, Zeitschrift für Internationales Wirtschaftsrecht, 2018, nr. 1, blz. 42, die echter het feit benadrukt dat niet de tenuitvoerleggingsprocedure als zodanig, maar de spoedprocedure die naar de tenuitvoerlegging leidt, de grondslag is van de in § 929, lid 2, ZPO gestelde beperking in tijd.
Zie in die zin onder vigeur van het Executieverdrag, arrest van 4 februari 1988, Hoffmann (145/86, EU:C:1988:61, punt 11). Zie wat verordening nr. 44/2001 betreft, arresten van 28 april 2009, Apostolides (C-420/07, EU:C:2009:271, punt 66); 13 oktober 2011, Prism Investments (C-139/10, EU:C:2011:653, punt 40), en 15 november 2012, Gothaer Allgemeine Versicherung e.a. (C-456/11, EU:C:2012:719, punt 34).
Zie in die zin, De Miguel Asensio, P.A., ‘Recognition and Enforcement of Judgments in Intellectual Property Litigation: the Clip Principles’, in Basedow, J., Kono, T., en Metzger, A. (red.), Intellectual Property in the Global Arena — Jurisdiction, Applicable Law, and the Recognition of Judgments in Europe, Japan and the US, Mohr Siebeck, Tübingen, 2010, blz. 251, en Requejo Isidro, M., ‘The Enforcement of Monetary Final Judgments Under the Brussels Ibis Regulation (A Critical Assessment’, in Lazić, V., Stuij S., (red.), Brussels Ibis Regulation: Changes and Challenges of the Renewed Procedural Scheme, Springer, Den Haag, 2017, blz. 88.
Arrest van 26 april 2012, Health Service Executive (C-92/12 PPU, EU:C:2012:255, punten 141 en 143).
Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).
Zie arresten van 28 april 2009, Apostolides (C-420/07, EU:C:2009:271, punt 66), en 13 oktober 2011, Prism Investments (C-139/10, EU:C:2011:653, punt 40). Opgemerkt zij dat deze beperking wat de aan een buitenlandse beslissing toegekende werking betreft, door het Hof in zijn rechtspraak veel later is ingevoerd dan de eerste beperking, betreffende de leer van de uitbreiding van de werking, die al in het arrest van 4 februari 1988, Hoffmann (145/86, EU:C:1988:61, punt 11) is neergelegd. Ik wijs erop dat advocaat-generaal Darmon in zijn conclusie in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dit arrest ook die tweede beperking in zijn overwegingen heeft betrokken. Volgens hem hield deze tweede beperking verband met de noodzaak om tot een uniforme uitlegging te komen, en met het streven het beroep op de openbare orde zoveel mogelijk te voorkomen. Zie conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Hoffmann (145/86, niet gepubliceerd, EU:C:1987:358, punt 20). Deze overwegingen zijn echter niet terug te vinden in het arrest van het Hof.
Zie de publicaties aangehaald in voetnoot 21.
Overigens zou de vaststelling van een tweede beslissing tot conservatoir beslag in de lidstaat van herkomst de nietigverklaring van de eerdere beslissing kunnen meebrengen. In de situatie waarin een schuldeiser eerder op basis van die beslissing beslag heeft gelegd op in de lidstaat van herkomst gelegen activa van de debiteur, zou de vaststelling van een tweede beslissing de werking van dat beslag dan ook teniet kunnen doen.
Zie met betrekking tot de procedureregels die de toetsing door de cassatierechter regelen, arrest van 15 november 1983, Duijnstee (288/82, EU:C:1983:326, punten 13 en 14). Zie met betrekking tot de procedureregels aangaande de ontvankelijkheid van verzoeken, arrest van 15 mei 1990, Hagen (C-365/88, EU:C:1990:203, punten 21 en 22).
Zie arresten van 3 oktober 1985, Capelloni en Aquilini (119/84, EU:C:1985:388, punt 21), en 4 februari 1988, Hoffmann (145/86, EU:C:1988:61, punt 29).
Zie arrest van 28 april 2009, Apostolides (C-420/07, EU:C:2009:271, punt 69).
Zie arrest van 27 april 2004, Turner (C-159/02, EU:C:2004:228, punten 29 en 30).
Zie arrest van 10 februari 2009, Allianz en Generali Assicurazioni Generali (C-185/07, EU:C:2009:69, punt 31).
Volgens artikel 31 van verordening nr. 44/2001 kunnen in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.
In elk geval zou het gaan om een nieuw verzoek, dat is gebaseerd op de actuele omstandigheden en door de gerechten van een andere lidstaat opnieuw is onderzocht. Verder zou alleen om de in het recht van die lidstaat voorziene maatregelen kunnen worden verzocht. Bovendien zou de schuldeiser verplicht zijn om de door het recht van die lidstaat ingestelde procedure te volgen. Dienaangaande zij erop gewezen dat volgens de verdragsluitende lidstaten van het Executieverdrag de regels voor nationale kortgedingprocedures meer kunnen verschillen dan de regels voor bodemprocedures. Zie in die zin arrest van 6 juni 2002, Italian Leather (C-80/00, EU:C:2002:342, punt 42).
Zie de punten 33-59 van deze conclusie.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).
Zie arrest van 1 maart 2018, Mahnkopf (C-558/16, EU:C:2018:138). Zie ook mijn conclusie in de zaak Mahnkopf (C-558/16, EU:C:2017:965, punten 101 en 102). Zie in die zin ook arrest van 12 oktober 2017, Kubicka (C-218/16, EU:C:2017:755, punt 56).
Overigens wordt in de doctrine betoogd dat de verwijzing naar ‘dezelfde voorwaarden’ in artikel 41, lid 1, van deze verordening niet enkel betrekking heeft op de rol van de lex fori, maar ook het verbod van discriminatie van buitenlandse beslissingen inhoudt. Zie in die zin, Grzegorczyk, P., ‘Wykonywanie w Polsce orzeczeń pochodzących z państw członkowskich Unii Europejskiej objętych reżimem automatycznej wykonalności’, in Marciniak, A., (red.), Egzekucja sądowa w świetle przepisów z zakresu międzynarodowego postępowania cywilnego, Currenda, Sopot, 2015, blz. 142. Voorts wordt in artikel 47, lid 2, van verordening nr. 2201/2003 ook verwezen naar ‘dezelfde voorwaarden’. In het arrest van 1 juli 2010, Povse (C-211/10 PPU, EU:C:2010:400) heeft het Hof geoordeeld dat deze verwijzing eng moet worden uitgelegd. Volgens het Hof kan zij enkel betrekking hebben op de procedurele modaliteiten van de tenuitvoerlegging. Bovendien kan zij in geen geval een reden ten gronde zijn om zich tegen de betrokken beslissing te verzetten op grond dat de omstandigheden na de vaststelling van de beslissing waren gewijzigd. De betrokken motivering was aldus gebaseerd op dezelfde logica als § 929, lid 2, ZPO, te weten, volgens de verwijzende rechter en de Duitse regering, de tenuitvoerlegging beletten wegens een potentiële wijziging van de omstandigheden.
Zie in die in Cuniberti, G., Rueda, I., ‘European Commentaries on Private International Law’, deel I, Brussels Ibis Regulation-Commentary, Magnus, U., en Mankowski, P. (red.), Otto Schmidt, Keulen, 2016, blz. 846; Hartley, T., Civil Jurisdiction and Judgments in Europe. The Brussels I Regulation, the Lugano Convention, and the Hague Choice of Court Convention, Oxford University Press, Oxford, 2017, blz. 302; Kramer, X., ‘Cross-Border Enforcement and the Brussels I-bis Regulation: Towards a New Balance between Mutual Trust and National Control over Fundamental Rights’, Netherlands International Law Review, 2013, nr. 60(3), blz. 360, en Nuyts, A., ‘La refonte du règlement Bruxelles I’, Revue critique de droit international privé, 2013, nr. 1, blz. 1. e.v.., punt 15.
Kramer, X., op. cit., blz. 360.
Zie de punten 73-77 van deze conclusie.
Zie de punten 33-59 van deze conclusie.
Zie de punten 75-77 van deze conclusie.