Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.4.1.2
16.4.1.2 Degradatie van betrokkenheid en art. 2:343 BW
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366076:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bulten (Diss.), p. 76.
Zie art. 2:335 BW.
Hof Amsterdam (OK) 20 januari 1997, JOR 1999/26 (Hooymans). Bulten (diss., p. 78 en 79) bepleit dat geen verplichting tot uitkoop zou moeten ontstaan, indien het ontslag verwijtbaar is, maar wijst erop dat dit in de rechtspraak niet altijd wordt vereist. Latere, en lagere, rechtspraak laat echter zien dat degradatie van betrokkenheid niet altijd leidt tot een verplichting tot uitkoop. Sommige rechtbanken vereisen bijkomende omstandigheden. Zie onder meer de kritische noot van Bulten bij Rechtbank ’s-Gravenhage 23 mei 2012, JOR 2012/246 (EMBA).
Zij het dat bij het ontslag steeds vaststaat dat binnen de grenzen van de (ontslag)bevoegdheid is gehandeld.
Kamerstukken TK 18905, nr. 3 (MvT), p. 28.
Hof Amsterdam (OK) 27 april 2005, ARO 2005, 77 (Dolphin Watercompany). Voor een meer uitvoerige beschrijving zij verwezen naar par. 9.2.2.6.
Zie hierover par. 13.5.9.
Voor aandeelhouders leidt schorsing en ontslag als bestuurder tot wat Bulten “degradatie van betrokkenheid” noemt.1 De aandeelhouder verliest zijn grip op de dagelijkse gang van zaken van de vennootschap en wordt in het ongunstigste geval nog slechts tijdens de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering geïnformeerd over het wel en wee van de vennootschap.
Indien een dergelijke degradatie van betrokkenheid geschiedt door middel van een ontslagbesluit van aandeelhoudersvergadering (van een BV of een besloten NV2) kan dat leiden tot de situatie dat van de getroffen aandeelhouder niet meer in redelijkheid gevergd kan worden dat zijn aandeelhouderschap voortduurt.3 Als dat inderdaad zo is, verbindt art. 2:343 BW daaraan de consequentie dat de overige aandeelhouder(s) of de vennootschap desgevorderd verplicht zijn om hem uit te kopen.
Het is echter de vraag of art. 2:343 BW van toepassing is, als de ondernemingskamer een bestuurder ontslaat. Ten eerste is art. 2:343 BW enkel van toepassing is op een BV of een besloten NV, en dus niet op beurs-NVs. Ten tweede wordt de overnameverplichting van art. 2:343 lid 1 BW getriggerd door gedragingen van een of meer medeaandeelhouders. Enerzijds kan betoogd worden dat die medeaandeelhouders niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het gedrag van de ondernemingskamer. Anderzijds geldt dat de ondernemingskamer enkel bestuurders kan ontslaan indien om eindvoorzieningen is verzocht en een dergelijk verzoek in de regel uitgaat van de medeaandeelhouders.
Deze problematiek vertoont verwantschap met de aansprakelijkheidsproblematiek in het geval de ondernemingskamer ten onrechte onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen.4 Die problematiek werd besproken in par. 12.4.5. Daarin werd – zij het met veel slagen om de arm – de conclusie getrokken dat de verzoeker aansprakelijk zou moeten zijn en zich niet achter de ondernemingskamer kan verschuilen. Die conclusie lijkt ook gerechtvaardigd als het gaat om degradatie van betrokkenheid door een ontslag bij wijze van eindvoorziening, waarbij dan het verzoek om een aandeelhouder/bestuurder als bestuurder te ontslaan geldt als de gedraging als bedoeld in art. 2:343 lid 1 BW, mits deze uitgaat van een aandeelhouder.
Terug naar de vraag of een eindvoorziening waarbij een bestuurder die tevens aandeelhouder wordt ontslagen, zou moeten resulteren in een vordering tot uitkoop jegens de aandeelhouder(s) die op dat ontslag aanstuurde(n). Ik zou op dit punt ook geen automatisme willen bepleiten. De omstandigheden zijn bepalend.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt bijvoorbeeld dat, indien beide aandeelhouders bij wijze van eindvoorziening zijn ontslagen als bestuurder, zij niet over en weer uittredingsvorderingen kunnen instellen.5 In het geval dat aan de orde was in de Dolphin Watercompany-beschikking,6 waarin de ondernemingskamer min of meer bepaalde welke aandeelhouder de onderneming mocht voortzetten en de andere als bestuurder werd ontslagen, zou het redelijk zijn als de ontslagen bestuurder/aandeelhouder zou slagen in vordering op de voet van art. 2:343 BW.
In dergelijke gevallen zouden de gevolgen van het ontslag kunnen worden gemitigeerd door het invoeren van een tijdelijke statutaire geschillenregeling.7 Deze zou dan zo zijn opgezet dat ontslagen bestuurder het recht heeft om te worden uitgekocht. De proportionaliteit van die combinatie van eindvoorzieningen is afhankelijk van de (overige) omstandigheden.