Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/5.6.3
5.6.3 Betrokkenheid certificaathouders als economisch belanghebbenden
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957993:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 1 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB7695, NJ 1989/226, m.nt. Maeijer.
Paragraaf 5.6.2.1.2, p. 51 en de daar genoemde literatuurverwijzingen.
Van Uchelen-Schipper 2014, p. 1155. Zij geeft verderop in haar artikel aan dat in de praktijk de kans niet groot is dat certificaathouders als leden worden gezien, vanwege de meestal geringe zeggenschap die ze op basis van de statuten en administratievoorwaarden hebben.
Handelingen II, 1955-1956, 10e vergadering, 27 oktober 1955, p. 2131.
Zie hierover meer uitgebreid Steegmans, Geerlings en Govers 2020, p. 354-356.
Art. 2:220 lid 2 en 2:224a lid 1 en 2. Zie voor een overzicht van de plekken in Boek 2 BW waar certificaten van aandelen in een BV worden genoemd Wolf 2013, p. 264-266.
In de hoofdstukken 2 en 3 is besproken dat betrokkenheid van de economisch belanghebbenden bij het familievermogen kan bijdragen aan de continuïteit van het familievermogen in de familie. De betrokkenheid kan onder andere worden vergroot door de belanghebbenden inspraak te verlenen in de beheerstructuur van certificering. Hierna wordt ingegaan op de mogelijkheden om zeggenschap aan de economisch belanghebbenden te verlenen. Daarbij komt aan de orde hoe ver de scheiding van de zeggenschap en het economisch belang kan gaan.
Het is mogelijk om de invloed van de certificaathouders tot een minimum te beperken. De statuten van de stak en de administratievoorwaarden kunnen zo worden ingericht dat er op geen enkel vlak zeggenschap van de certificaathouders mogelijk is. Het al vaker genoemde Drukker-arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1988 laat bijvoorbeeld zien dat het uitsluiten van elke mogelijke invloed van de certificaathouders bij decertificering mogelijk is.1 Het uitsluiten van de invloed van certificaathouders kan ook ten aanzien van andere onderwerpen, bijvoorbeeld bij het besluiten tot een wijziging van de administratievoorwaarden. Dat komt meerdere keren terug in de bestudeerde statuten.
Ondanks dat de actieve zeggenschap van de certificaathouders volledig kan worden uitgesloten, moet het bestuur van de stak wel rekening houden met de belangen van de certificaathouders. Dit volgt uit het feit dat er sprake is van een beheerovereenkomst die de stak met de certificaathouders is aangegaan. Het bestuur van de stak beheert de aandelen ten behoeve van de certificaathouders en moet zich daarom richten naar de belangen van de certificaathouders.2 Dit levert echter geen directe actieve invloed van de certificaathouders op.
Aan de ene kant van het spectrum kan dus worden bepaald dat de invloed van de certificaathouders nihil is. Er is in dat geval sprake van de grootst mogelijke scheiding tussen zeggenschap en economisch belang. Aan de andere kant van het spectrum bestaan er mogelijkheden om de certificaathouders wel veel invloed te geven. Dat kan op verschillende manieren. In de statuten van de stak of in de administratievoorwaarden kunnen aan de certificaathouders initiatiefrechten worden gegeven tot het nemen van besluiten. Ook kan bepaald worden dat voor sommige besluiten instemming van de certificaathouders mogelijk is. In de bestudeerde statuten zijn hiervan voorbeelden te vinden bij bijvoorbeeld het besluit tot statutenwijziging of ontbinding van de stak of bij de wijziging van de administratievoorwaarden. Maar het kan bijvoorbeeld ook gaan om het benoemen van één of meer bestuurders van de stak.
Tot slot van deze mogelijkheden bij het nemen van besluiten kan ook worden bepaald dat de certificaathouders om advies moet worden gevraagd voordat een besluit kan worden genomen. De wijze waarop deze invloed exact wordt uitgeoefend kan naar eigen inzicht worden bepaald. In de bestudeerde statuten staan voorbeelden van de wijze van bijeenroepen van de vergadering van certificaathouders tot de meerderheid die in die vergadering nodig is om van bijvoorbeeld instemming te mogen uitgaan.
Bij het toekennen van zeggenschapsrechten aan de certificaathouders wordt de scheiding tussen de zeggenschap en het economisch belang kleiner. Deze zeggenschap van de certificaathouders kan niet zover gaan dat de certificaathouders als het ware de ‘hoogste macht’ worden die zoals een algemene vergadering de voornaamste activiteiten van de stichting kunnen bepalen.3 In dat geval wordt er gehandeld in strijd met het ledenverbod dat voor de stichting geldt. Een voorbeeld waarbij er mogelijk sprake is van strijd met het ledenverbod dat is afgeleid uit de Parlementaire Geschiedenis is de situatie dat de certificaathouders (of, beter gezegd, het orgaan ‘vergadering van certificaathouders’) niet alleen bevoegd is tot het benoemen van het (volledige) bestuur van de stak, maar ook tot schorsing en ontslag van de bestuurders.4
Naast mogelijke strijd met het ledenverbod kan er nog een gevolg zijn verbonden aan het toekennen van een grotere hoeveelheid zeggenschapsrechten aan de certificaathouders. Op het moment dat aan de certificaathouders een omvangrijke hoeveelheid zeggenschapsrechten zijn toegekend die voornamelijk zien op toezicht op het bestuur van de stak, dan is het mogelijk dat de vergadering van certificaathouders als raad van commissarissen in de zin van art. 2:292a BW wordt gezien.5
De invloed van de certificaathouders kan ook op andere wijze worden vormgegeven dan via directe initiatief-, inspraak- of adviesbevoegdheden voor alle certificaathouders. Een andere mogelijkheid om invloed uit te oefenen is via het instellen van een raad van advies of raad van commissarissen waarin één of meerdere certificaathouders zitting hebben. Hetzelfde is uiteraard mogelijk ten aanzien van één of meer posities in het bestuur van de stak. Bij meerdere staken in een familie die certificaathouder zijn, kan ook worden bepaald dat per staak een positie in een orgaan van de stak wordt opengesteld.
Tot slot van deze paragraaf wordt één opmerking geplaatst over de verhouding tussen de vennootschap en de certificaathouders in het licht van betrokkenheid van de certificaathouders. De vennootschap kan de betrokkenheid van de certificaathouders vergroten door te bepalen dat aan certificaten vergaderrechten worden verbonden.6 Op die manier worden de certificaathouders meer betrokken bij de vennootschap waarvan de aandelen zijn gecertificeerd. De certificaathouders van certificaten met vergaderrechten hebben onder andere het recht om de algemene vergadering bij te wonen en daarin het woord te voeren.7 Ook hebben ze de bevoegdheid om, als aan de eisen van art. 2:220 lid 1 BW is voldaan, de algemene vergadering bijeen te roepen en onderwerpen op de agenda te plaatsen.8